Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:210:2025:4 Dorpshuis

Aanleiding

X, een stichting zonder winstoogmerk, exploiteert een dorpshuis met een keuken, sanitaire voorzieningen, een grote zaal met bar en een kleine zaal. X stelt de zalen tegen vergoeding ter beschikking aan hoofdzakelijk sociaal-culturele instellingen (verenigingen en clubs) voor diverse activiteiten. Incidenteel kunnen de inwoners van het dorp een feest of bijeenkomst organiseren in het dorpshuis.

X heeft als statutaire doelstelling de sociale samenhang in het dorp te bevorderen. Het bestuur toetst vooraf of de huurders de zalen wensen te gebruiken in lijn met de statutaire doelstellingen van de stichting.

Bij de bijeenkomsten in het dorpshuis zijn altijd personeelsleden/vrijwilligers van X aanwezig in het kader van toezicht, begeleiding, schoonmaak en de barverkopen. Ook kan gebruik gemaakt van het aanwezige meubilair en de muziekinstallatie. De inkomsten van X bestaan hoofdzakelijk uit barinkomsten, zaalhuur en subsidies.

Vragen

  1. Is de terbeschikkingstelling van zalen door X vrijgesteld als club- en buurthuiswerk op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel f (hierna: 11-1-f), Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) in combinatie met artikel 7 en Bijlage B, onderdeel b.15.b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: UOB 1968)?
  2. Is de terbeschikkingstelling van zalen door X vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b (hierna: 11-1-b), Wet OB 1968?
  3. Zijn de barverkopen door X vrijgesteld als fondswerving op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel v (hierna: 11-1-v), Wet OB 1968?

Antwoorden

  1. Nee, de terbeschikkingstelling van zalen door X is niet vrijgesteld als club- en buurthuiswerk op grond van artikel 11-1-f Wet OB 1968 in combinatie met artikel 7 en Bijlage B, onderdeel b.15.b UOB 1968.
  2. Ja, de terbeschikkingstelling van zalen door X is in beginsel vrijgesteld op grond van artikel 11-1-b, Wet OB 1968.
  3. Nee, de barverkopen door X zijn niet vrijgesteld als fondswerving op grond van artikel 11-1-v, Wet OB 1968.

Beschouwing

Beschouwing vraag 1

De terbeschikkingstelling van zalen door X is niet vrijgesteld op grond van artikel 11-1-f, Wet OB 1968 in combinatie met artikel 7 en Bijlage B, onderdeel b.15.b UOB 1968.

Op grond van artikel 11-1-f, Wet OB 1968 zijn vrijgesteld de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard. Op grond van artikel 7, eerste lid, UOB 1968 zijn als diensten van sociale of culturele aard aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in Bijlage B behorend bij dit besluit.

In Bijlage B onderdeel b. zijn aangewezen de leveringen en diensten als bedoeld in artikel 7 van het besluit die als zodanig worden verricht door de aldaar genoemde instellingen.

In onderdeel b.15.b wordt genoemd: “instellingen die werkzaam zijn op het terrein van het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, voor zover werkzaam op het gebied van club- en buurthuiswerk.”

Om als instelling als bedoeld in onderdeel b.15.b te kwalificeren moet X een instelling zijn die volgens haar statuten en blijkens haar feitelijke activiteiten zich tot taak stelt werkzaam te zijn op het gebied van het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (vergelijk onder meer HR 21 september 1988, nr. 25 072, ECLI:NL:HR:1988:ZC3904).

X heeft zich statutair ten doel gesteld om de sociale samenhang in het dorp te bevorderen en stelt in dit kader de zalen tegen vergoeding ter beschikking aan lokale clubs- en verenigingen. De feitelijke activiteiten die X verricht betreffen (dus) verhuur van ruimten en barverkopen. Deze twee activiteiten faciliteren weliswaar de samenkomst van sociaal-culturele instellingen en dorpsbewoners, maar deze prestaties zijn niet karakteristiek voor X als sociaal culturele instelling (vergelijk de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 mei 1990, WV 90/117 aan de Vaste commissie voor welzijn en cultuur uit de Tweede Kamer).

De omstandigheden dat door X geen winst wordt beoogd, dat de huurders (hoofdzakelijk) sociaal-culturele instellingen zoals lokale verenigingen en clubs betreffen en dat er inkomsten uit subsidies worden verkregen, geeft geen aanleiding om hier anders te oordelen (vergelijk HR 18 mei 1994, nr. 28 802, ECLI:NL:HR:1994:ZC5673).

Beschouwing vraag 2

De terbeschikkingstelling van de zalen door X tegen vergoeding is vrijgesteld op grond van artikel 11-1-b Wet OB 1968.

Als naast de terbeschikkingstelling van een onroerende zaak, die op zichzelf bezien geldt als verhuur van een onroerende zaak, andere prestaties worden verricht, zal moeten worden beoordeeld of het karakter van de prestatie daardoor verandert. Daarvoor is van belang of die andere prestaties voor de btw zelfstandige prestaties vormen naast de verhuur, of dat sprake is van één samengestelde prestatie. (zie het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 december 2023 (Stcrt 2023, 31602, par. 5.2.)).

De aanwezigheid van personeel, welke mede samenhangt met de barverkopen, betekent in beginsel niet dat het passieve karakter van de verhuur verloren gaat. Ook het gebruik van het meubilair en de muziekinstallatie brengt hierin geen verandering.

Ingeval een zaal wordt gehuurd en die door de huurder uitsluitend als congres-, vergader- en/of tentoonstellingsruimte wordt gebruikt kan X onder voorwaarden een beroep doen op de goedkeuring van paragraaf 5.8.4. van het Besluit onroerende zaken omzetbelasting (eerder aangehaald) en de zaal belast verhuren zonder dat hiervoor hoeft te worden geopteerd.

Beschouwing vraag 3

De barverkopen door X zijn niet vrijgesteld op grond van artikel 11-1-v, Wet OB 1968. Gelet op de primaire activiteiten van X wordt niet voldaan aan de voorwaarden.

Op grond van artikel 11-1-v, Wet OB 1968 kunnen (slechts) organisaties waarvan de primaire activiteiten zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, d, e, f, o, onder 1°, of t, Wet OB 1968, een beroep doen op de vrijstelling voor fondswerving. De primaire activiteiten van X zijn niet vrijgesteld op grond van één van de genoemde artikelen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, omdat X een dorpshuis exploiteert en hij daarbij uitsluitend vrijgestelde zaalverhuur en belaste horeca-activiteiten ten behoeve van sociaal-culturele instellingen verricht, hij voor de horeca-activiteit gebruik kan maken van de goedkeuring in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2013 (Stcrt. 2013, 35894, paragraaf 4.1). Dit betekent dat de horeca-ontvangsten onder voorwaarden buiten de heffing kunnen blijven. Als X daarnaast nog andere (verhuur)activiteiten ontplooit, zoals het verstrekken van spijzen en dranken ter gelegenheid van evenementen die in de persoonlijke sfeer van derden liggen, zoals bruiloften feesten en jubilea, kan X voor al zijn horeca-activiteiten geen gebruik maken van de goedkeuring (zie het besluit van 18 december 2013, eerder aangehaald, voorwaarde a van paragraaf 4.1 en paragraaf 2.1.1).

Deel deze pagina