Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:206:2025:2 Aanvangsmoment redelijke termijn voor aangifteverzuimboete ex artikel 67a AWR

Aanleiding

De inspecteur heeft belastingplichtige op 28 februari 2024 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2023 vóór 1 mei 2024. Na het ongebruikt verstrijken van deze termijn, heeft belastingplichtige met dagtekening 26 juni 2024 een herinnering tot het doen van aangifte ontvangen. In de herinneringsbrief staat onder meer het volgende vermeld:

“Uw aangifte moet nu vóór 10 juli 2024 bij ons binnen zijn. (…) Als u uw aangifte niet voor deze datum instuurt, krijgt u een aanmaning. Reageert u niet of niet op tijd op deze aanmaning, dan kunt u een boete krijgen.”

Wegens het uitblijven van de aangifte heeft belastingplichtige met dagtekening 7 augustus 2024 een aanmaning tot het doen van aangifte ontvangen. In de aanmaningsbrief is het volgende vermeld:

“Ik heb uw aangifte nog niet ontvangen. Uw aangifte moet nu vóór 21 augustus 2024 bij ons binnen zijn. (…) Als ik uw aangifte niet op tijd ontvang, dan schat ik uw inkomen. Hierdoor betaalt u misschien te veel belasting of krijgt u te weinig terug. U kunt ook een boete krijgen.”

Omdat de aangifte nog steeds niet was ingediend, heeft de inspecteur op en met dagtekening 20 september 2024 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting 2023 vastgesteld. Tegelijkertijd heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgelegd wegens het niet, dan wel niet tijdig, doen van aangifte. Deze verzuimboetebeschikking staat op het aanslagbiljet vermeld. Naast voorgaande berichten zijn er verder geen contacten tussen de inspecteur en belastingplichtige geweest. Nadat het bezwaar van belastingplichtige tegen de verzuimboetebeschikking ongegrond was verklaard, heeft belastingplichtige beroep ingesteld.

De inspecteur wil, vanwege de verschillende oordelen in de lagere rechtspraak, weten op welk moment de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) aanvangt in deze standaardsituatie.

Vraag

Wanneer vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM aan in de standaardsituatie dat een verzuimboete is opgelegd omdat een belastingplichtige, hoewel daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan?

Antwoord

De redelijke termijn vangt aan op de datum van dagtekening van de verzuimboetebeschikking.

Beschouwing

Vanaf het moment dat tegen een belanghebbende een vervolging - oftewel een “criminal charge”- is ingesteld, komen hem bepaalde rechten toe op grond van artikel 6 EVRM. Onder zo’n vervolging valt ook het opleggen van een verzuimboete. Een van de rechten uit artikel 6 EVRM is het recht op behandeling van het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging binnen een redelijke termijn. Om te bepalen of die behandeling ook daadwerkelijk binnen een redelijke termijn plaatsvindt, is het van belang om vast te stellen wanneer die redelijke termijn aanvangt.

Volgens vaste rechtspraak vangt de redelijke termijn aan op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (zie voor een voorbeeld van de belastingkamer HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, r.o. 4.2).

In de hierboven in de aanleiding beschreven standaardsituatie met betrekking tot het opleggen van een verzuimboete als bedoeld in artikel 67a AWR wegens het niet, dan wel niet tijdig, doen van aangifte zijn drie aanvangsmomenten van de redelijke termijn denkbaar, te weten:

  1. De datum van dagtekening van de herinnering tot het doen van aangifte.
  2. De datum van dagtekening van de aanmaning tot het doen van aangifte.
  3. De datum van dagtekening van de verzuimboetebeschikking.

In de lagere rechtspraak is hierover verschillend geoordeeld.  

Zo wordt in de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 11 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2555, aangesloten bij de herinnering tot het doen van aangifte.

Uitspraken waarbij de aanmaning tot het doen van aangifte als aanknopingspunt wordt genomen, komen ook voor. Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 1 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6253.

In de meeste uitspraken van de feitenrechters wordt voor het aanvangsmoment van de redelijke termijn aangesloten bij de dagtekening van de boetebeschikking zelf. Zie ter illustratie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4497 en Hof Amsterdam 8 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3736.

De kennisgroep is van oordeel dat de redelijke termijn in de hierboven in de aanleiding beschreven standaardsituatie aanvangt op het moment van dagtekening van de boetebeschikking zelf. De redelijke termijn begint niet al te lopen op het moment van de herinnering of de aanmaning. In de herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte wordt slechts gewezen op de mogelijkheid van een verzuimboete bij het uitblijven van een (tijdig) ingediende aangifte. Ten tijde van de herinnering en de aanmaning was bovendien nog geen sprake van een feit dat tot de oplegging van een verzuimboete zou kunnen leiden. Een verzuimboete ex artikel 67a AWR kan immers pas worden opgelegd als de aangifte niet binnen de aanmaningstermijn is gedaan. Het eerste moment waarop de inspecteur een handeling verricht die kan worden aangemerkt als een “criminal charge” is het opleggen van de verzuimboetebeschikking wegens het niet, dan wel niet tijdig, doen van de aangifte.

De kennisgroep vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2873. In deze zaak was de betrokkene aangemaand om binnen een bepaalde termijn een zorgverzekering af te sluiten, waarbij reeds in die aanmaning gewezen werd op de consequentie (een boete) als daaraan niet tijdig werd voldaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde – anders dan de rechtbank – dat de redelijke termijn niet aanvangt met de datum van de aanmaning, omdat op dat moment nog geen sprake was van een beboetbaar feit. De Centrale Raad van Beroep komt daarmee tot het oordeel dat de redelijke termijn aanvangt op de datum van de boetebeschikking zelf:

“5.3. De onder 5.2 weergegeven overweging kan het oordeel van de rechtbank inzake de redelijke termijn niet dragen. In de eerste plaats is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de in aanmerking te nemen duur van de procedure begint bij de aanmaning van 18 maart 2013. Op dat moment was er immers nog geen sprake van een feit dat tot de oplegging van een boete zou kunnen leiden. Een beboetbaar feit zou er pas zijn als appellant ook drie maanden na de aanmaning nog geen zorgverzekering in de zin van de Zvw zou hebben gesloten. De eerste handeling van CAK na afloop van die drie maanden die kan worden aangemerkt als criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, is het boetebesluit. De termijn die in aanmerking moet worden genomen begint dan ook op 5 juli 2013, de datum van het boetebesluit. (…)”.

Deel deze pagina