Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:003:2026:01 Vervreemding bij herroeping schenking aanmerkelijkbelangaandelen

Aanleiding

A heeft alle aandelen in A BV geschonken aan B. In de schenkingsakte is een herroepingsrecht opgenomen waardoor een herroeping tot gevolg heeft dat de aandelen terugkeren in het vermogen van A. A BV bezit enkel beleggingsvermogen.
A maakt gebruik van het herroepingsrecht.

Vraag

Leidt de herroeping van de schenking tot een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang bij B?

Antwoord

Ja, de herroeping van de schenking leidt tot een vervreemdingsvoordeel voor de aanmerkelijkbelangaandelen bij B.

Beschouwing

De bevoegdheid tot herroeping kan geformuleerd zijn als een voorwaardelijke verbintenis (obligatoire werking) of als een voorwaardelijke verkrijging (goederenrechtelijke werking). In beide gevallen heeft het herroepen (in beginsel) tot gevolg dat de aandelen terugkeren in het vermogen van A. Als sprake is van obligatoire werking dan geschiedt dit door middel van het terugleveren van de aandelen door B. Bij goederenrechtelijke werking keren de aandelen van rechtswege terug naar de schenker.  

In beide gevallen is voor B sprake van een vervreemding als bedoeld in artikel 4.12, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Er is onder andere sprake van een vervreemding indien als gevolg van een rechtshandeling - kort gezegd - aandelen uit het vermogen van een aanmerkelijkbelanghouder overgaan in dat van een ander. Bij de invulling van het begrip ‘vervreemding’ ligt de nadruk op het feit dat de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen uit het vermogen van de belastingplichtige in dat van een ander overgaan (vergelijk HR 10 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0698, en HR 29 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX4015).

Bij obligatoire werking gaan bij de teruglevering de aandelen over uit het vermogen van B naar dat van A. Er is dan sprake van een vervreemding door B. Ook bij goederenrechtelijke werking is sprake van een vervreemding door B. De aandelen gaan dan immers ook over uit het vermogen van B naar dat van A. 
Tot slot geldt voor beide situaties dat voor B sprake is van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel g, Wet IB 2001. B houdt in dit geval namelijk op aanmerkelijkbelanghouder te zijn.

Op grond van artikel 4.19 Wet IB 2001 worden vervreemdingsvoordelen gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. Onder de overdrachtsprijs wordt (voor zover van belang) op grond van artikel 4.20 Wet IB 2001 verstaan de tegenprestatie bij de vervreemding. Omdat voor B geldt dat een tegenprestatie ‘ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst’, merkt artikel 4.22 Wet IB 2001 - kort gezegd - als tegenprestatie aan de waarde in het economisch verkeer. De schenking van A betrof een rechtshandeling waarop artikel 4.22 Wet IB 2001 van toepassing is. De herroeping hangt hiermee onverbrekelijk samen zodat hierop ook artikel 4.22 Wet IB 2001 van toepassing is.

Deel deze pagina