KG:204:2026:1 Branche-eigen producten bedrijf werkgever
Publicatiedatum 13-01-2026, 11:08 | Laatste update 13-01-2026, 11:08 |
Aanleiding
Een werkgever geeft een vergoeding aan een werknemer als deze een product aanschaft dat de werkgever heeft geproduceerd. De werknemer kan dit product kopen in een fysieke winkel of een webshop. Deze fysieke en online winkels zijn alleen toegankelijk voor werknemers, oud-werknemers en werknemers van partnerbedrijven van de werkgever. De winkels verkopen uitsluitend producten die door (het bedrijf van) de werkgever worden geproduceerd. De werkgever heeft geen direct of indirect aandelenbelang in de winkels. De winkels kopen de producten in bij de werkgever en verkopen deze voor eigen rekening en risico.
Als een werknemer een product aanschaft bij een (online) winkel ontvangt hij een vergoeding ter hoogte van 20% van de aankoopprijs van het product na het indienen van de factuur bij de werkgever.
Vraag
Is de gerichte vrijstelling artikel 31a, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) van toepassing op branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever als de werknemer deze producten heeft aangeschaft bij een derde?
Antwoord
Nee, het betreft een product van een derde en niet van het bedrijf van de werkgever of van een met de werkgever verbonden vennootschap. De gerichte vrijstelling is daarom niet van toepassing.
Beschouwing
Wet- en regelgeving
In artikel 31a, tweede lid, onderdeel i, Wet LB 1964 is de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten opgenomen. Volgens dit artikel is de gerichte vrijstelling van toepassing op vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, ter zake of in de vorm van:
“branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar;”
Met de invoering van artikel 31a, tweede lid, onderdeel i, Wet LB 1964 wilde de wetgever de oude vrijstelling voor branche-eigen producten voortzetten:
“De regeling voor personeelskorting die een onderdeel vormt van het «oude» regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen wordt met ingang van 1 januari 2015 nagenoeg geheel in de vorm van een gerichte vrijstelling in de WKR gecontinueerd.”
Kamerstukken ll 2014/2015, 34002, nr 3, p. 24
De oude regeling is op twee onderdelen niet voortgezet:
- Het is niet meer mogelijk om het niet gebruikte deel van de personeelskorting door te schuiven naar de volgende kalenderjaren (Kamerstukken ll 2014/15, 34002, nr. 3, p. 58).
- Ook is geen uitzondering meer opgenomen voor geldleningen (Kamerstukken ll 2014/15, 34002, nr 10, p. 93).
De oude regeling van artikel 41 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001) luidde tot 2011 als volgt:
“1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste:
a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en
b. € 475 per kalenderjaar.2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste:
a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en
b. een bedrag van € 475 per kalenderjaar.
3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond.4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid.
5. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.”
De invoering van artikel 41 URLB 2001 (Staatscourant 2000, 251, p.23) is destijds als volgt toegelicht:
(…)”De regeling geldt voortaan ook voor vergoedingen. Het is niet de bedoeling dat zij ook gaat gelden voor aanschaffingen bij derden van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige. Om dit te voorkomen, wijkt de tekst met betrekking tot vrije vergoedingen iets af van die met betrekking tot vrije verstrekkingen. Deze beperking behoeft overigens niet te gelden voor verkoop van producten van de werkgever via een verkoopapparaat (bijvoorbeeld een winkel) van een derde, zolang dat in opdracht van en voor rekening en risico van de werkgever gebeurt.”
Bij aanpassing van de URLB 2001 is deze tekst nog eens herhaald (zie Staatscourant 2003, 64, p.10).
Begrip bedrijf
Het inmiddels vervallen Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 23 juni 2014, nr. BLKB2014/1033M geeft een toelichting op het begrip bedrijf van de werkgever:
“3.6.6. Begrip bedrijf
Gelet op de geschiedenis van artikel 41 van de URLB 2001 en de daaraan voorafgaande regeling, wordt met de term ‘bedrijf’ in de zin van artikel 41 van de URLB 2001 het materiële begrip onderneming bedoeld. Het gaat daarbij om een organisatie van kapitaal en arbeid, die in stand wordt gehouden met het oogmerk om winst te behalen die redelijkerwijze te verwachten is. De omschrijving van het begrip bedrijf sluit aan bij de gangbare opvatting van het begrip onderneming in de literatuur. Voor de toepassing van artikel 41 van de URLB 2001 is niet van belang of de onderneming (of de ondernemer) feitelijk is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de IB. Onder het begrip bedrijf valt evenwel niet de uitoefening van overheidstaken door een publiekrechtelijk rechtspersoon.”
Korting winkels
De gerichte vrijstelling is ook van toepassing als een werkgever korting geeft op producten die zij verkoopt, maar niet zelf produceert. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 29 september 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD:4945.
Is de gerichte vijstelling in casu van toepassing?
De gerichte vrijstelling geldt voor zowel vergoedingen als verstrekkingen. In de huidige bepaling is niet expliciet opgenomen dat bij een vergoeding sprake moet zijn van aanschaf bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de oude vrijstelling voor branche-eigen producten onder de werkkostenregeling te continueren. De oude vrijstelling was niet van toepassing voor bij derden aangeschafte branche-eigen producten. Dit is alleen anders als de producten via een derde verkocht worden in opdracht van en voor rekening en risico van de werkgever. Hiervan is in casu geen sprake.
Bovendien geldt volgens de wettekst dat het moet gaan om een product van het bedrijf van de werkgever. De (online) winkels in casu kunnen niet worden aangemerkt als een bedrijf van de werkgever, aangezien de werkgever geen direct of indirect aandelenbelang in de (online) winkels heeft. Daarnaast is de onderhavige situatie niet vergelijkbaar met Hof Amsterdam 29 september 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AD:4945.
Deze uitleg is ook in overeenstemming met artikel 31 eerste lid, onderdeel g, sub 1, Wet LB 1964. Deze bepaling regelt dat vergoedingen voor postactieve werknemers voor de aanschaf van branche-eigen producten bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap altijd eindheffingsloon zijn. Hierbij geldt als voorwaarde dat de werkgever deze vergoeding ook aan actieve werknemers geeft. In deze bepaling is wel expliciet opgenomen dat sprake moet zijn van aanschaf bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap. Uit de parlementaire behandeling blijkt niet dat de wetgever onderscheid heeft willen maken tussen postactieve en actieve werknemers (Kamerstukken ll 2009/10, 32130, nr 3, p.65).