Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:052:2026:1 Terugname van vrijstelling overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdracht bij tussentijds, vóór voltooiing van de bedrijfsoverdracht, inbrenging in de BV van een eerder fase verkregen deel van de onderneming

Aanleiding

Vader en moeder exploiteerden gezamenlijk een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: vof). De economische eigendom van een onroerende zaak is ingebracht in de vof.

Een kind is tot de vof toegetreden, waarbij zowel een aandeel in de (subjectieve) onderneming van vader als van moeder is verkregen. Het kind heeft een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) wegens een (gefaseerde) bedrijfsoverdracht. Uit de vof-akte volgt het overnameplan.

Moeder is vervolgens in de loop van de tijd uit de vof getreden en heeft haar (resterende) vof-aandeel (subjectieve onderneming) overgedragen aan het kind. Ook voor deze verkrijging is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR. Het kind en vader hebben de vof gezamenlijk voortgezet.

Het kind brengt twee jaar later zijn subjectieve onderneming (zijn aandeel in de vof) in een besloten vennootschap (hierna: bv), waarvan het kind alle aandelen houdt.

Vraag

Leidt de inbreng door het kind van zijn - met toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR, vrijgesteld verkregen - subjectieve onderneming in de bv ertoe dat de eerder verleende vrijstelling wordt teruggenomen?

Antwoord

Ja. Voor zover de vrijstelling betrekking heeft op de verkrijging van (het gedeelte van) de  subjectieve onderneming van vader.

Beschouwing

Beoordeling

De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR vereist dat het kind de onderneming voor wat betreft de bedrijfsvoering in haar geheel (al dan niet in fasen) voortzet. Voortzetting van de gehele bedrijfsvoering kan pas aan de orde zijn zodra de (gefaseerde) bedrijfsoverdracht is voltooid.

Zodra sprake is van een tussentijdse (gedeeltelijke) bedrijfsoverdracht door het kind aan een bv, kan niet (meer) worden voldaan aan de voorwaarde dat de onderneming in haar geheel door het kind wordt voortgezet. De vrijstelling - voor zover die betrekking heeft op de verkrijging van het gedeelte van de onderneming (het vof-aandeel) van vader - wordt in het voorliggende geval daarom teruggenomen.

Als de onderneming in het kader van een bedrijfsoverdracht in fasen wordt overgedragen, kan de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR in iedere fase voorwaardelijk toepassing vinden. Dit geldt mits sprake is van een concreet overnameplan. Op basis van dit overnameplan wordt uiteindelijk de gehele onderneming overgedragen.

Voor de toepassing van de vrijstelling wordt de (over te dragen) onderneming wat betreft haar bedrijfsvoering in haar geheel voortgezet door een kwalificerende verkrijger. 

De wet beperkt toepassing van de vrijstelling tot de verkrijging door de in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR genoemde kwalificerende verkrijgers. Wordt de overgedragen onderneming of een gedeelte daarvan voortgezet of mede voortgezet door een niet kwalificerende verkrijger (bijvoorbeeld een rechtspersoon), dan is de vrijstelling niet (meer) van toepassing op de (eerdere) verkrijging(en) door de kwalificerende verkrijger.

In deze casus heeft een kwalificerende verkrijger (kind) gedurende de gefaseerde bedrijfsoverdracht het reeds verkregen deel van de (subjectieve) onderneming ingebracht in een bv (een niet kwalifi­cerende verkrijger). Op het moment van inbreng was de gehele subjectieve onderneming van moeder al op een eerder moment door het kind verkregen. De voorwaardelijke vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR heeft ter zake van de verkrijging van deze subjectieve onderneming een definitief karakter gekregen. Dit geldt niet voor de (subjectieve) onderneming van vader, omdat deze nog niet geheel door het kind is verkregen. Door de tussentijdse inbreng in een bv kan het kind niet langer voldoen aan de voorwaarde dat het de (subjectieve) onderneming die oorspronkelijk van vader was, in haar geheel voortzet.

Onderdeel 2.1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 oktober 2024, nr. 2024-10969 (hierna: Besluit) bevat een goedkeuring voor de situatie waarin een ondernemer zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, aan een familielid heeft overgedragen met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR. Het gaat hier om een situatie van een voltooide bedrijfsoverdracht waarbij het familielid aldus de volledige onderneming van de overdragende ondernemer heeft verkregen en de genoemde vrijstelling als gevolg daarvan in beginsel kan worden toegepast. De goedkeuring bewerkstelligt dat de inbreng van de door het familielid verkregen volledige onderneming in de bv er niet toe leidt dat de vrijstelling wordt teruggenomen. De goedkeuring heeft daarom alleen betrekking op het voortzettingsvereiste nadat voorafgaand aan de inbreng in de bv sprake was van een voltooide bedrijfsoverdracht aan het familielid. Omdat in het voorliggende geval nog geen sprake is van een voltooide bedrijfsoverdracht kan de goedkeuring hier geen uitkomst bieden.

Uit de wet- en regelgeving volgt dat de (voorwaardelijke) vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR pas definitief is nadat de gehele onderneming is overgedragen aan een kwalificerende verkrijger en door die verkrijger in zijn geheel wordt voortgezet.

Wet- en regelgeving

Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel b, WBR:

“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet”.

Parlementaire geschiedenis

In het Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27030, nr. 7, p. 4 is het navolgende opgenomen:

“De wijziging in onderdeel B.2 komt tegemoet aan de wens uit de praktijk om, gegeven de eis dat bij inbreng in een personenvennootschap op de voet van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) sprake moet zijn van een inbreng van een gehele onderneming, toch een geleidelijke overgang van de onderneming naar een volgende generatie mogelijk te maken. De voorgestelde wijziging houdt in dat voor de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR, weliswaar sprake moet zijn van overdracht van een gehele onderneming aan de volgende generatie, maar een dergelijke overdracht kan in (in de tijd gespreide) fasen plaatsvinden. Dat brengt mee dat de overdracht een zekere planmatigheid moet kennen.”

In het Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 28207, nr. 11, p. 11-12 is het navolgende opgenomen:

“Overdracht onroerende zaken aan het begin van het overnametraject en afzien van bedrijfsovername gedurende dat traject

(…)

In het verleden was de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, alleen van toepassing indien de onderneming in haar geheel werd voortgezet door de kinderen, met andere woorden wanneer de onderneming in haar geheel werd overgedragen. Deze voorwaarde is - na aanscherping van de vrijstelling van onderdeel e, waardoor voortaan die faciliteit alleen van toepassing was bij inbreng van de gehele onderneming en niet meer bij de enkele inbreng van een afzonderlijke onroerende zaak - versoepeld. Hierdoor kan, los van het al dan niet bestaan van een personenvennootschap tussen ouders en kind, de onderneming (en met name de onroerende zaken) ook in fasen overgedragen worden, zolang maar op grond van een duidelijk overnameplan uiteindelijk de hele onderneming overgedragen wordt.

(…)

Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis en doel en strekking van de geboden mogelijkheid van een bedrijfsoverdracht in fasen, ben ik van oordeel dat de overdracht van onroerende zaken die dienstbaar zijn aan een onderneming tussen ouder en kind aan het begin van het overnametraject zonder dat er sprake is van een overdracht van een deel van de rest van de onderneming, niet in de vrijstelling van onderdeel b zou dienen te delen. Dit is geen te beperkte uitleg van de zinsnede "al dan niet in fasen". De toepassing van de vrijstelling van onderdeel b in het geval waarin al een samenwerkingsverband tussen ouder en kind bestaat omdat de ouder zijn onderneming, met uitzondering van de onroerende zaken, in een vennootschap onder firma met het kind heeft ingebracht, ontmoet bij mij - als daarbij van een overnameplan blijkt - natuurlijk geen bezwaar.
Wel wijs ik op de risico's die een dergelijke overdracht heeft indien (nog) niet zeker is dat de bedrijfsovername volledig tot stand komt. Immers, indien er uiteindelijk geen hele onderneming wordt overgedragen en het kind dus niet de bedrijfsvoering van de ouderlijke onderneming (conform het vereiste van onderdeel b) voortzet is, zoals achteraf blijkt, de grondslag om een vrijstelling te verlenen vervallen, omdat dan uitsluitend losse onroerende zaken zijn overgedragen. Er zal dan alsnog overdrachtsbelasting geheven dienen te worden ter zake van de overdracht van de onroerende zaken aan het kind. De faciliteit is immers bedoeld om de bedrijfsoverdrachten binnen familieverband (bij leven) niet te belemmeren en niet om "losse" onroerende zaken over te dragen. De mogelijke terugoverdracht aan de ouder van de aanvankelijk aan het kind overgedragen onroerende zaken levert een tweede belastbaar feit op.”

Beleid

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 oktober 2024, nr. 2024-10969:

“2. Bedrijfsoverdracht
Een verkrijging van onroerende zaken die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming in het kader van een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, lid 1 letter b, WBR). Als voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling geldt onder meer dat de verkregen onderneming wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger(s) wordt voortgezet. De onderdelen 2.1 tot en met 2.7.3 bevatten het beleid over de toepassing van deze vrijstelling.”

2.1 Overdracht onderneming en inbreng in Besloten Vennootschap (hierna: BV)

Bij een bedrijfsoverdracht kan de volgende situatie zich voordoen. Een ondernemer draagt zijn onderneming, inclusief de onroerende zaken, over aan een familielid. Dit familielid brengt de verkregen onderneming direct of korte tijd daarna in een BV waarvan hij alle aandelen houdt. Deze inbreng staat de toepassing van de vrijstelling in de weg. Immers de verkregen onderneming wordt wat de bedrijfsvoering betreft niet door het familielid zelf, maar door de BV voortgezet. De staatssecretaris acht het niet gewenst dat de vrijstelling dan niet kan worden toegepast. Daarom keurt de staatssecretaris het volgende goed.

Goedkeuring

De staatssecretaris keurt onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel b, WBR van toepassing is bij een verkrijging van een onderneming door een familielid, die wordt gevolgd door de inbreng van die onderneming in een BV, waarvan dit familielid alle aandelen houdt.

Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
a.         De inbreng van de onderneming in de BV vindt plaats met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, lid 1 onderdeel e, onder 2°, WBR. Daarbij moet aan alle vereisten van artikel 5 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer worden voldaan.
b.         Aan de overige voorwaarden van artikel 15, lid 1 onderdeel b, WBR wordt voldaan.”
 

Deel deze pagina