Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:26:052:2 Waterbassin en toepassing cultuurgrondvrijstelling van art. 15, eerste lid, onderdeel q WBR

Aanleiding

In 2009 (in KG 09-052-008) heeft de Kennisgroep overdrachtsbelasting het volgende standpunt ingenomen over de verkrijging van een waterbassin en de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna WBR):

“Een waterbassin wordt als zodanig niet gebruikt voor de teelt van gewassen, maar kan wel als een aanhorigheid of bestanddeel worden aangemerkt bij landerijen of een kas. In dat geval deelt het waterbassin in de vrijstelling van de glasopstand waarvan zij een aanhorigheid is.”

Nieuwe jurisprudentie heeft ertoe geleid dat in 2018 (in KG 17-052-04, KG 17-052-04, zie WOO, 4e deelbesluit Kennisgroepstandpunten, documenten overdrachtsbelasting) de Kennisgroep overdrachtsbelasting zijn standpunt heeft herzien. De cultuurgrondvrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging van een waterbassin. Deze standpunten hebben betrekking op een waterbassin, niet zijnde een opstal (aarden wal met folie).

Het komt in de praktijk voor dat belanghebbenden, onder verwijzing naar het (achterhaalde en ingetrokken) standpunt van de Kennisgroep overdrachtsbelasting uit 2009, bij de verkrijging van een waterbassin aanspraak willen maken op de cultuurgrondvrijstelling. Hoewel het standpunt uit 2018 via de WOO openbaar is gemaakt, is het in de praktijk niet altijd bekend bij belanghebbenden.

De Kennisgroep overdrachtsbelasting acht het daarom zinvol om nu een geactualiseerde versie van het herziene standpunt uit 2018 te publiceren.

Vraag

Is de verkrijging van een waterbassin of de ondergrond daarvan vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel q WBR?

Antwoord

Nee. De vrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging van een waterbassin of de ondergrond van een waterbassin, omdat geen sprake is van cultuurgrond zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel q WBR.

Beschouwing

Artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q WBR luidt (voor zover hier van belang):

“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van belasting vrijgesteld de verkrijging: van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de ondergrond van glasopstanden. ….”

In het arrest van 19 september 2014, nr. 13/06088 (ECLI:NL:HR:2014:2696) heeft de Hoge Raad (hierna HR) het volgende overwogen:

“2.4.2
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, lid 1, letter q Wet BRV, zoals dat in 2008 luidde, volgt dat onder cultuurgrond wordt verstaan de grond die is bestemd voor veeteelt, akker-, weide, tuin- en bosbouw, waaronder mede begrepen de ondergrond van glasopstanden (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9, p. 17). Naar de uit deze beschrijving af te leiden bedoeling van de wetgever is een verharde parkeerplaats niet aan te merken als cultuurgrond in zin van de vorige bepaling.

Ook ten aanzien van de ondergrond van de schuur kan de cultuurgrondvrijstelling geen toepassing vinden. Zoals reeds in het arrest van 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284, is beslist, moeten voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling opstallen en ondergrond in de regel als één geheel worden beschouwd. Met de wijzigingen ingevolge de Wet werken aan winst, die door het Hof worden aangehaald, is niet beoogd hierin een verandering aan te brengen. Aangezien de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de schuur niet een glasopstand is, kan de ondergrond van de schuur niet delen in de vrijstelling, omdat ook die grond niet is bestemd voor veeteelt, akker-, weide, tuin- of bosbouw en derhalve niet is aan te merken als cultuurgrond.

De omstandigheid dat de in geding zijnde gedeelten van het perceel bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd is voor toepassing van de vrijstelling niet voldoende, aangezien daarvoor tevens is vereist dat sprake is van cultuurgrond.

2.4.3

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.”

Uit de uitspraak van Hof Den Haag van 8 november 2013 (ECLI:NL:GHDHA:2013:4223) die tot vermeld arrest heeft geleid, blijkt dat ook de ondergrond van een als opstal aan te merken waterbassin onderdeel was van het geschil.

Het Hof citeert in zijn uitspraak de rechtbank:

“4.

In geschil is de naheffingsaanslag. Meer specifiek is in geschil of de vrijstelling van toepassing is op de ondergrond van de schuur en de waterbassins en op de verharde parkeerplaats.

(...)

8.

Hetzelfde heeft te gelden voor de ondergrond van de schuur en de waterbassins. In HR 25 juni 1997 (nr. 29.598, LJN: AA2204, BNB 1997/284) is geoordeeld dat voor de toepassing van de vrijstelling opstallen en hun ondergrond als één onroerende zaak dienen te worden beschouwd. Derhalve wordt niet afzonderlijk beoordeeld of de ondergrond als cultuurgrond is aan te merken. Nu de schuur en de waterbassins niet kunnen worden aangemerkt als cultuurgrond in de onder 6. bedoelde zin, kan de vrijstelling daarop niet van toepassing zijn.”

Uit het arrest van de HR van 19 september 2014 en de WBR volgt het volgende:

  • De vrijstelling is van toepassing op grond die primair de functie heeft om gewassen te voeden of te doen groeien;
  • De ondergrond van agrarische opstallen kwalificeren niet als cultuurgrond in de zin van de vrijstelling, tenzij er sprake is van de ondergrond van glasopstanden;
  • De vrijstelling voor cultuurgrond is niet van toepassing op de ondergrond van een waterbassin dat als aanhorigheid bij cultuurgrond of een glasopstand hoort.

Een waterbassin kan uit verschillende soorten constructies bestaan. Enerzijds zijn er waterbassins die uit een aarden wal met een waterdichte folie bestaan. Een dergelijk waterbassin is geen opstal. Anderzijds zijn er waterbassins die civielrechtelijk als een bouwwerk (opstal) dienen te worden aangemerkt.  

Aangezien waterbassins die slechts bestaan uit een aarden wal met een waterdichte folie geen opstal zijn, dient bezien te worden of deze grond is bestemd voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- of bosbouw, of de  ondergrond betreft van glasopstanden. Beide is niet het geval, waardoor de verkrijging van dergelijke grond niet in aanmerking komt voor de cultuurgrondvrijstelling.

Ter zake van waterbassins die wel een opstal zijn volgt uit het arrest dat de ondergrond van een agrarische opstal niet voor de cultuurgrondvrijstelling in aanmerking komt, tenzij er sprake is van de ondergrond van glasopstanden. Deze grond is immers in beginsel niet bestemd voor veeteelt, akker-, weide, tuin- of bosbouw.

Bovenstaande betekent dat de verkrijging van de ondergrond van een waterbassin niet in aanmerking komt voor de cultuurgrondvrijstelling.

Deel deze pagina