Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:003:2026:2 Fictief regulier voordeel en woningschuld van in buitenland wonend verbonden persoon

Aanleiding

X woont in Nederland en bezit alle aandelen in X BV. Y, de dochter van X, woont in het buitenland en heeft daar een eigen woning aangeschaft met gelden die zij heeft geleend van X BV. Y is niet belastingplichtig in Nederland. Y kwalificeert als een met X verbonden persoon als bedoeld in artikel 4.14b, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Vraag

Kan voor de toepassing van artikel 4.14a, zesde lid, juncto artikel 4.14b, eerste lid, Wet IB 2001 de schuld van Y aan X BV een eigenwoningschuld zijn als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001?

Antwoord

Ja, voor Y is sprake van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 als de woning onder de Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen, en voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 3.119a, eerste lid, onderdelen a, b en c, Wet IB 2001.

Beschouwing

Voor de bepaling van het bovenmatige deel van schulden als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001, blijven eigenwoningschulden als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 op grond van artikel 4.14a, zesde lid, Wet IB 2001, onder voorwaarden, buiten aanmerking. Dit laatste geldt ook voor eigenwoningschulden van een met de belastingplichtige verbonden persoon (artikel 4.14b, eerste lid, Wet IB 2001).

Artikel 4.14a, zesde lid, Wet IB 2001 luidt als volgt:

“Een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a blijft bij de toepassing van het eerste lid buiten aanmerking voor zover ter zake van die eigenwoningschuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap.”

Artikel 3.119a Wet IB 2001 luidt, voor zover relevant, als volgt:

“1. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:

a. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;

b. ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;

c. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en

d. ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.”

Artikel 3.119g Wet IB 2001 luidt als volgt:

“De belastingplichtige die een overeenkomst van geldlening aangaat anders dan met een op grond van artikel 10.8 aangewezen administratieplichtige en die de uit deze overeenkomst voortvloeiende schuld wil rekenen tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, is gehouden jaarlijks in de aangifte de bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens te verstrekken.”

De vraag is of voor een niet in Nederland belastingplichtige (verbonden) persoon voor de toepassing van artikel 4.14a, zesde lid, juncto artikel 4.14b, eerste lid, Wet IB 2001, sprake is van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van het antwoord op de vraag of voor deze persoon sprake zou zijn van een eigenwoningschuld als de woning onder de Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen. Omdat een niet in Nederland belastingplichtige persoon niet aan de voorwaarde gesteld in artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel d, Wet IB 2001 kan voldoen, is het redelijk en passend binnen doel en strekking van de regeling van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001 dat deze voorwaarde buiten beschouwing blijft.

Dit betekent voor Y in de casus dat sprake is van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 als voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 3.119a, eerste lid, onderdelen a t/m c Wet IB 2001 als de woning onder de Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen. 

Deel deze pagina