KG:911:2026:1 Invulling voorwaarden vaste inrichting, verschijningsvorm a, Wet Minimumbelasting 2024
Publicatiedatum 26-02-2026, 12:56 | Laatste update 26-02-2026, 12:56 |
Aanleiding
Aan de kennisgroep is een vraag gesteld over de ‘verdragsvaste inrichting’, zoals opgenomen in de definitie van het begrip vaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, Wet minimumbelasting 2024 (WMB 2024). De vraag richt zich met name op de invulling van het wettelijk vereiste dat de bronstaat het inkomen dat toerekenbaar is aan die inrichting in aanmerking neemt op grond van een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag. Dit geeft aanleiding tot de volgende deelvragen.
Vragen
- Is voor de kwalificatie als verdragsvaste inrichting als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 vereist dat het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing wordt betrokken krachtens de wet van de staat waar de vaste inrichting is gelegen?
- Als het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, op welke wijze moet de bronstaat (de staat waar de vaste inrichting is gelegen) het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing betrekken?
Antwoorden
- Ja. Voor de kwalificatie als een verdragsvaste inrichting in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 moet sprake zijn van een vaste inrichting in de zin van het toepasselijke belastingverdrag én moet het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing worden betrokken krachtens de wet van de staat waar de vaste inrichting is gelegen.
- Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 vereist daarnaast dat de bronstaat het heffingsrecht heeft over het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen ingevolge een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In de wettekst ligt tevens besloten dat de bronstaat het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen op nettobasis in de belastingheffing moet betrekken en op een manier die vergelijkbaar is met de belastingheffing van entiteiten die hun fiscale vestigingsplaats in die bronstaat hebben.
Beschouwing
Juridisch kader
Wet minimumbelasting 2024
Artikel 1.2, eerste lid, WMB 2024 omschrijft vier verschillende vaste inrichtingen.
De verdragsvaste inrichting wordt in artikel 1.2, eerste lid, WMB 2024 als volgt omschreven:
“a. een bedrijfsinrichting of een daarmee gelijkgestelde inrichting die is gelegen in een staat waar die bedrijfsinrichting, onderscheidenlijk een daarmee gelijkgestelde inrichting, wordt behandeld als een vaste inrichting in overeenstemming met een van toepassing zijnd belastingverdrag, mits die staat het inkomen dat toerekenbaar is aan die inrichting in aanmerking neemt op grond van een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag; (…)”
In de Nota naar aanleiding van het verslag wordt nader ingegaan op de invulling van de definitie van de verdragsvaste inrichting in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024:
“De NOB vraagt te bevestigen dat voor een vaste inrichting in de zin van onderdeel a in de definitie in artikel 1.2 Wet minimumbelasting 2024 sprake moet zijn van een vaste inrichting zoals gedefinieerd in het van toepassing zijnde verdrag en de staat van de vaste inrichting op basis van een verdragsbepaling vergelijkbaar met artikel 7 van het OESO-modelverdrag de inkomsten mag belasten, of in de terminologie van artikel 7 van het OESO-modelverdrag: «may be taxed». Dat kan niet worden bevestigd. Op grond van de definitie in artikel 1.2 (onderdeel a) moet sprake zijn van een vaste inrichting in de zin van een toepasselijk belastingverdrag én moet de staat waarin die vaste inrichting is gelegen, het aan die vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing betrekken.”
Artikel 7 OESO-modelverdrag
Artikel 7 OESO-modelverdrag, voor zover hier relevant, luidt:
"1. Profits of an enterprise of a Contracting State shall be taxable only in that State unless the enterprise carries on business in the other Contracting State through a permanent establishment situated therein. If the enterprise carries on business as aforesaid, the profits that are attributable to the permanent establishment in accordance with the provisions of paragraph 2 may be taxed in that other State.
2. For the purposes of this Article and Article [23 A][23B], the profits that are attributable in each Contracting State to the permanent establishment referred to in paragraph 1 are the profits it might be expected to make, in particular in its dealings with other parts of the enterprise, if it were a separate and independent enterprise engaged in the same or similar activities under the same or similar conditions, taking into account the functions performed, assets used and risks assumed by the enterprise through the permanent establishment and through the other parts of the enterprise.(...)"
Pijler 2 OESO-modelregels en relevant OESO-commentaar
Artikel 10.1., onderdeel a, OESO-modelregels beschrijft de verdragsvaste inrichting.
In het OESO-commentaar bij artikel 10.3.3 OESO-modelregels wordt ten aanzien van de verdragvaste inrichting in de zin van artikel 10.1., onderdeel a, OESO-modelregels het volgende opgemerkt (woorden vetgedrukt door kennisgroep):
"191. Paragraph (a) determines the location of a PE when the PE meets the definition in paragraph (a) of Article 10.1. This paragraph of the PE definition refers to a PE that is subject to tax on its net income in the source jurisdiction in accordance with a Tax Treaty in force between the source and residence jurisdiction. In this case, the GloBE Rules apply the outcome provided for under the Tax Treaty and the PE is treated as located in the source jurisdiction."
Pijler 2-richtlijn
De Engelse tekst van de Pijler 2-richtlijn komt overeen met artikel 10.1., onderdeel a, OESO-modelregels, en in zoverre lijkt in de richtlijn geen afwijkende uitleg te zijn bedoeld.
Beoordeling
Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 stelt als voorwaarde dat het inkomen van een verdragsvaste inrichting in aanmerking wordt genomen op grond van een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 OESO- modelverdrag.
Deze voorwaarde bevat een aantal elementen.
In de eerste plaats moet volgens de wetsgeschiedenis sprake zijn van een vaste inrichting in de zin van een toepasselijk belastingverdrag én moet de bronstaat het aan die vaste inrichting toerekenbare inkomen in de belastingheffing betrekken op grond van haar nationale wetgeving.
In de tweede plaats moet het heffingsrecht over het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen aan de bronstaat zijn toegewezen door een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 OESO-modelverdrag.
In de derde plaats verwijst artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 integraal naar artikel 7 OESO Modelverdrag. Dit houdt dus ook een verwijzing naar artikel 7, tweede lid, OESO-modelverdrag in, waarin de zogenoemde zelfstandigheidsbenadering (functionally separate entity approach) is opgenomen. Hieruit volgt dat - voor de kwalificatie als verdragsvaste inrichting - het aan die vaste inrichting toerekenbare inkomen op nettobasis in de belastingheffing moet worden betrokken in de bronstaat op een manier die vergelijkbaar is met de belastingheffing van entiteiten die hun fiscale vestigingsplaats in die staat hebben. Het vereiste dat het inkomen op nettobasis belast dient te worden, betekent dat bijvoorbeeld een bronheffing op brutobasis (bronbelasting) niet volstaat.
Ook uit het OESO-commentaar bij artikel 10.3.3 OESO-modelregels volgt dat voor de kwalificatie als een verdragsvaste inrichting in de zin van artikel 10.1., onderdeel a, OESO-modelregels sprake moet zijn van een vaste inrichting onder het van toepassing zijnde belastingverdrag. Uit het OESO-commentaar bij voornoemd artikel 10.3.3 volgt verder dat het aan die vaste inrichting toerekenbare inkomen op nettobasis in de belastingheffing moet worden betrokken in de bronstaat (“a PE that is subject to tax on its net income in the source jurisdiction”).
Conclusie
Bovenstaande leidt tot de conclusie dat voor de kwalificatie van een verdragsvaste inrichting in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, WMB 2024 sprake moet zijn van een vaste inrichting in de zin van een toepasselijk belastingverdrag én dat het aan die vaste inrichting toerekenbare inkomen op nettobasis (geen bronheffing) in de belastingheffing moet worden betrokken in de bronstaat op een manier die vergelijkbaar is met de belastingheffing van entiteiten die hun fiscale vestigingsplaats in die staat hebben. Tevens moet het heffingsrecht over het aan de vaste inrichting toerekenbare inkomen aan de bronstaat zijn toegewezen ingevolge een bepaling die vergelijkbaar is met artikel 7 van het OESO-modelverdrag.