Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:003:2026:03 Stemrechtvereiste aandelenfusie bij opvolgende juridische splitsing

Aanleiding

X, Y en Z zijn aandeelhouder van A BV. X houdt 40% van de aandelen in A BV. Y en Z houden ieder 30% van de aandelen in A BV.
De aandeelhouders wensen een holdingstructuur met persoonlijke houdstermaatschappijen tot stand te brengen door middel van een aandelenfusie gevolgd door een juridische splitsing. Als gevolg van de aandelenfusie verkrijgt de nieuw opgerichte B BV alle aandelen in A BV tegen uitreiking van aandelen in B BV aan X (40%), Y (30%) en Z (30%). Vervolgens wordt B BV gesplitst in Holding X, Holding Y en Holding Z welke respectievelijk voor 40%, 30% en 30% deelneemt in A BV. De splitsing wordt anderhalve maand na de aandelenfusie van kracht. De aandeelhouders X, Y en Z bezitten alle aandelen in hun persoonlijke houdstermaatschappij.

In de periode tussen de aandelenfusie en de splitsing heeft B BV haar stemrechten die verbonden zijn aan haar aandelen in A BV vrijelijk kunnen uitoefenen.

Vragen

Wordt ondanks de opvolgende juridische splitsing voldaan aan het stemrechtvereiste van de aandelenfusiefaciliteit van artikel 3.55, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

Antwoord

Ja, B BV kon voor het van kracht worden van de splitsing (al was het tijdelijk) meer dan de helft van de stemrechten op de aandelen A BV uitoefenen.

Beschouwing

Op grond van artikel 3.55, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001 wordt een aandelenfusie aanwezig geacht, indien:

“een in Nederland gevestigde vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen of winstbewijzen, eventueel met bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere in Nederland gevestigde vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen;”

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO3339) wordt voor de beoordeling of voldaan is aan het stemrechtvereiste acht geslagen op het geheel van de afspraken in het kader waarvan de aandelenfusie wordt aangegaan.

Bij de beoordeling of in de onderhavige situatie aan het stemrechtvereiste wordt voldaan, wordt dan ook rekening gehouden met de op de aandelenfusie volgende juridische splitsing.

In het hiervoor genoemde arrest overweegt de Hoge Raad in r.o. 3.5:

“3.5. De door het Hof vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval ruil 1 onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen en dat dit geheel verhinderde dat A - al was het maar tijdelijk - in de mogelijkheid kwam te verkeren meer dan de helft van de stemrechten in B B.V. uit te oefenen. 's Hofs oordeel dat ruil 1 kan worden aangemerkt als een aandelenruil in de zin van artikel 4.41, lid 1, van de Wet, is derhalve onjuist.”

B BV kon in de periode tussen de aandelenfusie en het van kracht worden van de juridische splitsing meer dan de helft van de stemrechten op de aandelen A BV uitoefenen. Dat op voorhand vaststond dat de structuur waarin B BV 100% van de aandelen in A BV hield van tijdelijke aard zou zijn, verhindert niet dat B BV in deze periode in de mogelijkheid verkeerde haar stemrecht volledig uit te oefenen.

Van beperkingen met betrekking tot de uitoefening van de stemrechten op de aandelen A BV is niet gebleken.

B BV voldoet dan ook aan het stemrechtvereiste van artikel 3.55, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat een aandelenfusie onder andere niet aanwezig wordt geacht als kort gezegd de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (artikel 3.55, vierde lid, Wet IB 2001).

Deel deze pagina