Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:011:2026:1 Valt de Belgische Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen onder artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969?

Aanleiding

De in België gevestigde X NV heeft een vaste inrichting in Nederland. De vaste inrichting is in Nederland belastingplichtig voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969). In 2020 is X NV in België onderworpen aan de Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen. Een deel van deze taks wordt toegerekend aan de vaste inrichting in Nederland en in de aangifte vennootschapsbelasting 2020 in aftrek gebracht.

Vraag

Valt de Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen onder de aftrekuitsluiting van artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969?

Antwoord

Nee. Op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 komt een naar een balanstotaal geheven bankenbelasting bij het bepalen van de winst niet in aftrek. De Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen wordt niet naar een balanstotaal geheven. Naar de letter van de wet is daarom geen sprake van een naar een balanstotaal geheven bankenbelasting. De parlementaire geschiedenis van artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 bevat geen aanwijzingen om, in afwijking van de wettekst, de aftrekuitsluiting toch toe te passen. Daarom is artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 niet van toepassing op de Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen.

Beschouwing

Wettelijk kader

De tekst van artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 luidt (voor zover relevant) als volgt:

“1. Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek:

f. (…) naar een balanstotaal geheven bankenbelasting.”

De aftrekuitsluiting is aan artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 toegevoegd bij invoering van de Wet bankenbelasting op 12 juli 2012 (Staatsblad 2012, 325).

In artikel 6 Wet Bankenbelasting staat de belastinggrondslag:

“1. De belasting wordt geheven naar het belastbare bedrag.

2. Het belastbare bedrag is de belastbare som, bedoeld in artikel 7 (..).”

Om te komen tot de belastinggrondslag regelt artikel 7 Wet Bankenbelasting dat de belastbare som bestaat uit het balanstotaal verminderd met een aantal passiva van die balans:

“1. Indien sprake is van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 3, is de belastbare som het balanstotaal van de balans, verminderd met de in artikel 8 genoemde passiva van die balans.

2. Indien sprake is van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 4, is de belastbare som het geconsolideerde balanstotaal van de geconsolideerde balans, verminderd met de in artikel 8 genoemde passiva van die geconsolideerde balans.

3. Indien sprake is van een belastingplichtige als bedoeld in artikel 5, is de belastbare som het geconsolideerde balanstotaal van de geconsolideerde balans van de geconsolideerde jaarrekening die zou moeten zijn opgesteld als artikel 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zou zijn geweest, verminderd met de in artikel 8 genoemde passiva van die geconsolideerde balans.”

De Wet Bankenbelasting heeft dus als belastinggrondslag het balanstotaal verminderd met de in artikel 8 Wet Bankenbelasting genoemde passiva.

De Belgische Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen is opgenomen in het Wetboek diverse rechten en taksen. De Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen sluit niet aan bij het balanstotaal. Volgens artikel 201 (wettekst 2020) is de heffingsgrondslag het gemiddeld bedrag van de schulden van de kredietinstelling tegenover cliënten:

“Een kredietinstelling bedoeld in artikel 201 is de taks verschuldigd op het gemiddeld bedrag van haar schulden tegenover cliënten in het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het gemiddeld bedrag van de schulden van de kredietinstelling tegenover cliënten verstaan het rekenkundig gemiddelde van de bedragen die op het einde van iedere maand van het bedoelde jaar overeenkomstig de voorschriften van de Nationale Bank van België in het kader van de territoriale rapportering moeten worden vermeld op lijn 229  in tabel 00.20 “Schulden tegenover cliënten” (kolom 05, Totaal bedrag) van het Schema A.”

Parlementaire geschiedenis

Artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969
De wetgever heeft ervoor gekozen om de bankenbelasting niet aftrekbaar te maken, omdat het de eenvoud ten goede komt en het wel aftrekbaar laten zijn zou negatieve budgettaire consequenties hebben:

“De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de bankenbelasting niet aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting. De door het kabinet gemaakte keuze om de bankenbelasting niet aftrekbaar te laten zijn, komt op de eerste plaats de eenvoud ten goede. Op deze manier worden geen vragen opgeroepen over de wijze van (eventuele) toerekening van bankenbelasting aan de verschillende tot de commerciële consolidatiekring behorende belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, ingeval voor de berekening van de verschuldigde bankenbelasting wordt aangesloten bij een geconsolideerd balanstotaal. Daarnaast zou het wel aftrekbaar laten zijn van de bankenbelasting budgettaire consequenties hebben. De inmiddels voor de bankenbelasting gestelde budgettaire doelstelling uit het begrotingsakkoord van € 600 miljoen wordt, zonder aanpassing van de tarieven, dan niet gehaald.”

Kamerstukken I, 2011/12, 33121, D, p. 9

Beoordeling

De Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen wordt niet naar een balanstotaal geheven. Daarom valt de Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen naar de letter van de wet niet onder artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969.

In de parlementaire geschiedenis is niet toegelicht wat de wetgever verstaat onder een naar een balanstotaal geheven bankenbelasting. Uit de parlementaire geschiedenis volgt wel dat de Nederlandse bankenbelasting als zodanig kwalificeert. Hoewel de grondslag van de Nederlandse bankenbelasting vanwege de toe te passen correcties niet uitsluitend uit het balanstotaal bestaat, is het balanstotaal wel het vertrekpunt. De Jaarlijks taks op de kredietinstellingen sluit daarentegen niet aan bij het balanstotaal en neemt het ook niet als vertrekpunt, maar gaat uit van de schulden aan cliënten.

De parlementaire geschiedenis van artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 bevat ook geen andere aanwijzingen dat de wetgever heeft beoogd ook bankenbelastingen onder de aftrekuitsluiting te laten vallen die niet worden geheven naar een balanstotaal of het balanstotaal als vertrekpunt nemen.

Conclusie

De Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen kwalificeert op basis van de wettekst niet als een naar een balanstotaal geheven bankenbelasting. De parlementaire geschiedenis artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 bevat geen aanwijzingen om, in afwijking van de wettekst, de aftrekuitsluiting toch toe te passen. Als gevolg hiervan is de aftrekuitsluiting van artikel 10, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 niet van toepassing op de Jaarlijkse taks op de kredietinstellingen.

Deel deze pagina