Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:032:2026:1 Overgangsrecht kwalificatiebeleid - de doorschuiffaciliteit bij negatieve winst tot 1 januari 2025 bij een commanditaire vennoot zonder voorafgaand verliesjaar

Aanleiding

  • In het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel XII, tweede lid, Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (hierna: WFKR), verwerft de daartoe in de loop van 2024 opgerichte besloten vennootschap A BV in datzelfde jaar het aandeel van een commanditaire vennoot (natuurlijk persoon) in een open commanditaire vennootschap.
  • A BV heeft in het kalenderjaar 2024 al enkele kosten gemaakt. De winst behaald tot 1 januari 2025 is daardoor negatief.
  • A BV doet haar eerste aangifte vennootschapsbelasting over een verlengd eerste boekjaar dat loopt tot en met 31 december 2025.
  • Op grond van artikel IX, eerste lid, WFKR  wordt de open commanditaire vennootschap geacht onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 al haar vermogensbestanddelen aan de participanten – waaronder A BV – te hebben overgedragen.
  • Om de met deze fictieve vervreemding behaalde winst niet in aanmerking te nemen wordt een beroep gedaan op de doorschuiffaciliteit van artikel X WFKR.
  • Voor de doorschuiffaciliteit zonder verzoek op grond van artikel X, eerste lid, WFKR is onder meer vereist dat bij de commanditaire vennoten geen aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969). Bestaat wel een dergelijke aanspraak dan moet, om gebruik te kunnen maken van de doorschuiffaciliteit, alleen om die reden al een (tijdig) verzoek worden gedaan als bedoeld in artikel X, tweede lid, WFKR.

Vragen

  1. Heeft A BV als gevolg van de tot 1 januari 2025 behaalde negatieve winst een aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969, als bedoeld in artikel X, eerste lid, WFKR?
  1. Luidt het antwoord op vraag 1 anders indien A BV een eerste boekjaar heeft dat loopt tot en met 31 december 2024?
  1. Luidt het antwoord op vraag 1 anders indien A BV een bestaande vennootschap is, zonder voorafgaand verliesjaar?
  1. Luiden de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 anders indien het bij A BV niet om daadwerkelijk behaalde negatieve winsten gaat, maar er tot 1 januari 2025 wel sprake is van negatieve stille reserves (hierna: opgebouwde negatieve winst)?

Antwoorden

  1. Nee. De negatieve winst behaald tot 1 januari 2025 vormt voor A BV geen aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969 als bedoeld in artikel X, eerste lid, WFKR.
  1. Nee.
  1. Nee.
  1. Nee.

Beschouwing

Wettelijk kader

  1. Artikel X, eerste lid, WFKR luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“De door een open commanditaire vennootschap als gevolg van de toepassing van artikel IX, eerste lid, behaalde winst behoeft niet in aanmerking te worden genomen, mits (…) voor het bepalen van de winst (…) op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 (…) dezelfde bepalingen van toepassing zijn, noch bij die open commanditaire vennootschap, noch bij die commanditaire vennoten aanspraak bestaat op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (…).”

  1. Artikel 20 Wet Vpb 1969 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Indien de berekening van de belastbare winst of van het Nederlandse inkomen leidt tot een negatief bedrag, wordt dit aangemerkt als een verlies.

2. Een verlies wordt verrekend met de belastbare winsten, onderscheidenlijk de Nederlandse inkomens, van het voorafgaande jaar en de volgende jaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.

(…).”

  1. In het kader van de reguliere reorganisatiefaciliteiten (artikelen 14, 14a, 14b en 14ba Wet Vpb 1969) geldt eenzelfde voorwaarde dat geen aanspraak mag bestaan op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969 (hierna: verliesafwezigheidsvoorwaarde).

Parlementaire geschiedenis

  1. In de wetsgeschiedenis van artikel X, eerste lid, WFKR is onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2023/24, 36425, nr. 3, p. 83-84):

“Om de doorschuifregeling toe te kunnen passen dient cumulatief aan de volgende vereisten te worden voldaan:

(…)

(ii) De open cv en de commanditaire vennoten hebben geen aanspraak op:

  • voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969;

(…)

Bovengenoemde vereisten zijn gebaseerd op de fiscale reorganisatiefaciliteiten (artikelen 14 en verder Wet Vpb 1969) en zien allemaal, met uitzondering van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van buitenlandse resultaten, op de betreffende regelingen in de Wet Vpb 1969. Voor de uitleg van de onderhavige bepaling wordt derhalve aangesloten bij de parlementaire geschiedenis van de fiscale reorganisatiefaciliteiten van artikelen 14 en verder Wet Vpb 1969 voor zover de bepalingen overeenkomen. [noot 55: Onder andere Kamerstukken II 1997/98, 25 709.]”

  1. De wetgever verwijst in zijn toelichting op de WFKR dus naar de fiscale reorganisatiefaciliteiten van artikel 14 en verder Wet Vpb 1969. In de wetsgeschiedenis van artikel 14 Wet Vpb 1969 is onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1991/92, 22338, nr. 3, p. 12-13):

“A. Voorwaarden uit de richtlijn die tot aanpassing van onze nationale regeling nopen

(…) De richtlijn stelt niet de eis dat de bij de bedrijfsfusie betrokken vennootschappen geen compensabele verliezen mogen hebben. In artikel 14, eerste lid, wordt die eis wel gesteld. De achterliggende gedachte hiervan is misbruik te voorkomen. Indien een verliesgevende vennoot– schap in het kader van een bedrijfsfusie de activa en passiva van een andere vennootschap zou overnemen, zou de fiscale claim op de overgenomen activa en passiva in gevaar kunnen komen, in verband met de verliescompensatie van de ontvangende vennootschap. Wel zij in dit verband vermeld dat op basis van het tweede lid van artikel 14 de faciliteit toch kan worden verkregen onder een door de Minister te stellen voorwaarde waarbij de fiscale claim op de overgenomen activa en passiva veilig wordt gesteld. (…)

Gezien de anti-misbruikregeling van de richtlijn, acht ik het alleszins verantwoord aan het verlenen van de faciliteit een voorwaarde te verbinden. Ik stel dan ook voor de huidige systematiek van de wet ook onder de richtlijn te handhaven.”

  1. In de wetsgeschiedenis van artikel 14a Wet Vpb 1969 is onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1997/98, 25709, nr. 3, p. 3):

“Wel zal daarvoor aan een aantal vereisten moeten zijn voldaan. Deze zijn afgeleid van de fiscale begeleiding van de bedrijfsfusie die is opgenomen in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. (…) Voorts zal noch de splitsende noch de verkrijgende rechtspersoon aanspraak mogen hebben op de voorwaartse verrekening van verliezen. (…) Is aan deze vereisten voldaan, dan kan de splitsing zonder dat daartoe een verzoek nodig is geruisloos plaatsvinden.”

En (Kamerstukken II 1997/98, 25709, nr. 3, p. 4):

“In de situatie waarin de verkrijgende rechtspersoon over te compenseren verliezen beschikt, zal eveneens winstsplitsing dienen plaats te vinden, en wel om te voorkomen dat deze verliezen worden gecompenseerd met winsten die worden behaald met vermogensbestanddelen die in het kader van de splitsing zijn overgegaan.”

En voorts (Kamerstukken II 1997/98, 25709, nr. 3, p. 11):

“Het tweede vereiste dat in het tweede lid is opgenomen, bepaalt dat noch de splitsende noch de verkrijgende rechtspersoon aanspraak mag hebben op voorwaartse verrekening van verliezen.”

Analyse

  1. De verliesafwezigheidsvoorwaarde in artikel X, eerste lid, WFKR – en in de reguliere reorganisatiefaciliteiten waar dit vereiste blijkens de wetsgeschiedenis op is gebaseerd – verwijst uitdrukkelijk naar (voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van) artikel 20 Wet Vpb 1969. Van een verlies op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969 is gezien de tekst van het eerste lid van die bepaling (alleen) sprake wanneer de berekening van de belastbare winst leidt tot een negatief bedrag. Verder heeft artikel 20 Wet Vpb 1969 – via het tweede lid – betrekking op de verrekening van verliezen over (boek)jaareinden heen (verticale verliesverrekening).
  1. Het wettelijk systeem van verrekening van verliezen is dus gebaseerd op verrekening van verliezen van gehele boekjaren met belastbare winst van gehele boekjaren. Zie ook HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6390, r.o. 3.2:

“(…) het wettelijk systeem van verrekening van verliezen, nu dit systeem is gebaseerd op verrekening van verliezen van gehele boekjaren met belastbare winst van gehele boekjaren (…)”.

Het uitgangspunt is dan ook dat het verlies op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969 een (boek)jaarverlies betreft en niet een ‘deeljaarverlies’.

  1. Uit de tekst van artikel X, eerste lid, WFKR kan worden afgeleid dat de daar bedoelde aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen aanwezig moet zijn onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025. Gezien de wetsgeschiedenis doelt de wetgever met dit tijdstip op het eind van het kalenderjaar 2024 (Kamerstukken II 2023/24, 36425, nr. 3, p. 76). De verliesverrekenings-aanspraak over 2024 ontstaat echter op zijn vroegst ná dat tijdstip.
  1. Uit het voorgaande vloeit voort dat een aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969 een verlies betreft over de boekjaren voorafgaand aan het jaar van (een al dan niet fictieve) overdracht. In de onderhavige situaties bestaat geen aanspraak op verrekening van een verlies over enig (boek)jaar voorafgaand aan het overdrachtsjaar 2024. Dat bij het overgangsrecht sprake is van een fictieve vervreemding en dat deze plaatsvindt onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 doet hieraan niet af.
  1. In de wetsgeschiedenis is niet ingegaan op de vraag wanneer precies sprake is van een aanspraak, maar is alleen steeds aangegeven dat de betreffende partijen – om de doorschuiffaciliteit zonder verzoek te kunnen toepassen – geen voorwaarts verrekenbare verliezen c.q. geen aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen mogen hebben. Uit de wetsgeschiedenis blijkt (wel) dat de verliesafwezigheidsvoorwaarde ten doel heeft om misbruik te voorkomen. Meer in het bijzonder is beoogd te voorkomen dat fiscale claims op de overgegane activa en passiva door verliescompensatie bij de ontvangende partij (in dit geval de commanditaire vennoten) verloren gaan. Dit kan volgens de wetgever het geval zijn doordat winsten behaald met de overgegane vermogensbestanddelen worden gecompenseerd met de verliezen van de ontvangende partij.
  1. Het in de onderhavige situaties potentieel kunnen verrekenen van behaalde of opgebouwde negatieve winst over oprichtingsjaar 2024 met (latere) winsten, behaald met de op grond van de vervreemdingsfictie van artikel IX, eerste lid, WFKR overgedragen vermogensbestanddelen, lijkt dus op zichzelf op gespannen voet te staan met het uit de wetsgeschiedenis blijkende genoemde doel van de verliesafwezigheidsvoorwaarde. Uit de wetsgeschiedenis kan echter niet worden opgemaakt dat de wetgever met deze voorwaarde daadwerkelijk iets anders heeft willen bepalen dan waartoe de op zichzelf duidelijke wettekst, met de expliciete verwijzing naar artikel 20 Wet Vpb 1969, strekt.

Conclusie

  1. De negatieve winst behaald of opgebouwd door A BV in 2024 tot 1 januari 2025 vormt geen aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen op de voet van artikel 20 Wet Vpb 1969 als bedoeld in artikel X, eerste lid, WFKR.

Deel deze pagina