KG:041:2026:2 Conserverende aanslag, box 2, minderjarig kind
Publicatiedatum 23-03-2026, 10:13 | Laatste update 23-03-2026, 10:13 |
Aanleiding
A, minderjarig, woont in Nederland. A heeft een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De inkomsten uit het aanmerkelijk belang worden op grond van artikel 2.15, tweede lid, Wet IB 2001 toegerekend aan de ouder die het gezag over A uitoefent. Vervolgens emigreert A. Bij emigratie is sprake van een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang en moet een conserverende aanslag worden opgelegd.
Vraag
Aan wie wordt de conserverende aanslag met te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang opgelegd bij emigratie van een minderjarige?
Antwoord
De conserverende aanslag met te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang wordt niet aan het minderjarige kind zelf opgelegd, maar aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent. Dit wijzigt niet op het moment dat het kind nadien meerderjarig wordt.
Beschouwing
Op grond van artikel 4.16,eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001 is o.a. bij emigratie van een natuurlijke persoon sprake van een fictieve vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen. Dit vervreemdingsvoordeel is volgens artikel 2.8, tweede lid, Wet IB 2001 aan te merken als te conserveren inkomen. De belastingheffing vindt plaats via een conserverende aanslag.
Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van een minderjarige wordt volgens artikel 2.15, tweede lid, Wet IB 2001 toegerekend aan de ouder die het gezag over het kind uitoefent. Deze toerekening geldt ook als sprake is van een voordeel uit fictieve vervreemding van de aandelen. In die situatie volgt een conserverende aanslag aan de ouder die het gezag over de minderjarige uitoefent. Het maakt daarbij niet uit of deze ouder ook emigreert of in Nederland blijft wonen. In beide gevallen wordt de conserverende aanslag opgelegd aan de ouder die het gezag uitoefent.
Als het gezag over het kind toekomt aan meer dan één ouder, wordt het belastbaar inkomen van het kind in gelijke delen aan de ouders toegerekend op grond van artikel 2.15, vierde lid, Wet IB 2001. In dat geval wordt er aan iedere ouder een conserverende aanslag opgelegd. Dit is anders als de ouders fiscaal partner zijn en op grond van artikel 2.17, tweede lid, Wet IB 2001 het inkomen uit aanmerkelijk belang geheel toerekenen aan één van hen. De conserverende aanslag wordt dan opgelegd aan de partner aan wie het inkomen is toegerekend.
Dit standpunt vindt steun in de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 18, p. 26 – 27):
“Zowel bij de ouder aan wie inkomensbestanddelen van een kind moeten worden toegerekend als bij het kind kan zich het genieten van te conserveren inkomen voordien [kennisgroep: voordoen]. In dat geval – hierop ziet het nieuwe derde lid [kennisgroep: van artikel 2.16 Wet IB 2001]– dient zowel de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting op de gewone aanslag als die op de conserverende aanslag, zoals geregeld in de artikelen 2.3.1a en 2.3.1b [kennisgroep: artikel 2.8 en 2.9 Wet IB 2001], het uitgangspunt te zijn voor de toerekening van het gedeelte van de belasting dat op het kind kan worden verhaald.”
Voor de toepassing van de in de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) opgenomen bepalingen die zien op de invordering en kwijtschelding is de ouder de belastingschuldige. Dat wijzigt niet op het tijdstip dat de aanmerkelijkbelanghouder meerderjarig wordt. Ook dan blijft de ouder de belastingschuldige voor de conserverende aanslag. Als de ouder een bedrag op de conserverende aanslag moet betalen, omdat één van de in artikel 25, achtste lid, IW 1990 genoemde situaties zich voordoet, kan deze het betaalde bedrag volgens artikel 2.16, Wet IB 2001 verhalen op het kind. In die situatie kan de ontvanger ook het kind aansprakelijk stellen voor het op de conserverende aanslag te betalen bedrag. Deze aansprakelijkheid is geregeld in artikel 44, eerste lid, IW 1990. Zie ook de memorie van toelichting bij de invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 65):
“Het derde lid verwijst naar artikel 2.4.3 [kennisgroep: 2.16] van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dat verband wordt voor de bepaling van het bedrag waarvoor een ouder verhaal kan nemen op een kind wegens het feit dat inkomensbestanddelen van het kind zijn toegerekend aan de ouder voorzien in de gevolgen van het aan de orde zijn van te conserveren inkomen. In dat geval moet worden uitgegaan van de verschuldigde inkomstenbelasting op een gewone belastingaanslag, berekend op de voet van artikel 2.3.1a [kennisgroep: 2.8] respectievelijk van het bedrag aan verschuldigde belasting op een conserverende aanslag, bepaald op de voet van artikel 2.3.1b [kennisgroep: 2.9] van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de in beide gevallen deels dus verschillende inkomensbestanddelen. Op deze manier wordt het verhaal met betrekking tot de 'gewone' belastingheffing dus ook geheel afgezonderd van die met betrekking tot de conserverende heffing. Hetzelfde vindt nu toepassing bij de bepaling van het bedrag waarvoor het kind aansprakelijk kan worden gesteld voor belasting inzake zijn aan de ouder, toegerekende inkomensbestanddelen op de voet van artikel 44 Invorderingswet 1990.”