KG:213:2026:3 Pensioenlast in verband met indexatie
Publicatiedatum 25-03-2026, 10:50 | Laatste update 25-03-2026, 11:20 |
Aanleiding
X BV heeft werknemers voor wie deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds (hierna: het fonds) verplicht is gesteld. Het fonds heeft echter een vrijstelling (dispensatie) verleend aan X BV. X BV heeft voor haar werknemers een gedispenseerde (middelloon-)pensioenregeling bij een verzekeraar afgesloten.
Een van de voorwaarden van de vrijstelling is dat de gedispenseerde pensioenregeling gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het fonds. Een van de elementen van die gelijkwaardigheid is dat de aanspraak in de gedispenseerde pensioenregeling wordt geïndexeerd. Voor de omvang van de indexatie wordt aangesloten bij de indexatie die het fonds doorvoert voor haar (gewezen) deelnemers en gepensioneerde deelnemers.
Op enig moment in het jaar t besluit het fonds over te gaan tot indexatie van de pensioenaanspraken. De omvang van de indexatie is gebaseerd op prijsstijgingen die zich al hebben voorgedaan. De pensioenaanspraken worden per 1 januari van het jaar t+1 verhoogd. Om gelijkwaardig te blijven, wordt de pensioenaanspraak van de gedispenseerde pensioenregeling eveneens op 1 januari van het jaar t+1 geïndexeerd. In het jaar t+1 betaalt X BV daarom een aanvullende koopsom aan de verzekeraar. X BV vormt in het jaar t een voorziening voor de aanvullende koopsom. De omvang van de aanvullende koopsom is bepaalbaar eind jaar t.
Vraag
Wordt de dotatie aan de voorziening temporeel in aftrek beperkt door artikel 3.26 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?
Antwoord
Nee, de dotatie aan de voorziening wordt niet temporeel in aftrek beperkt door artikel 3.26 Wet IB 2001.
Beschouwing
Artikel 3.26, eerste en tweede lid, Wet IB 2001 luiden als volgt:
"Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst blijven kosten en lasten voorzover deze, al dan niet door tussenkomst van derden, rechtstreeks of zijdelings verband houden met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar, buiten aanmerking, ook al zou de omvang van deze kosten en lasten reeds bij het einde van het jaar vaststaan."
"De in het eerste lid bedoelde kosten en lasten komen in aanmerking bij het bepalen van de winst van de op het kalenderjaar volgende jaren en wel naar gelang de wijzigingen optreden."
Artikel 3.26 Wet IB 2001 is de opvolger van artikel 9a Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) en is het rechtstreekse gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX5825, (het coming-backservicearrest). Met de invoering van artikel 9a Wet IB 1964 werden de gevolgen van het coming-backservicearrest weer weggenomen (Kamerstukken II 1973/1974, 13 004, nr. 3, p. 5-6).
Het artikel kent een ruime werking en ziet ook op fiscale reserves en verplichtingen buiten de pensioensfeer. Bij de invoering van de Wet IB 2001 is art. 9a Wet IB 1964 opgesplitst in de artikelen 3.26 tot en met 3.28 Wet IB 2001. Er zijn bij die invoering van de Wet IB 2001 geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. De wetgever heeft met artikel 3.26 Wet IB 2001 beoogd de jaarwinstgevolgen van toekomstige inflatie in te dammen. De verplichting tot het bijstorten van een koopsom door X BV in jaar t+1 wordt niet veroorzaakt door toekomstige inflatie, maar door inflatie in jaar t. Artikel 3.26 Wet IB 2001 is om die reden niet van toepassing.
De prijsstijgingen voorafgaand aan balansdatum (31 december) van jaar t liggen ten grondslag aan het indexatiebesluit van het fonds in jaar t. X BV is verplicht om de gedispenseerde pensioenregeling gelijkwaardig te houden met het fonds. Dat brengt met zich mee dat de kosten en lasten van de aanvullende koopsom toegerekend kunnen worden aan het jaar t. Naar aanleiding van eerdere prijsstijgingen is de omvang van die aanvullende koopsom direct gerelateerd aan het indexatiebesluit van het fonds in jaar t. Er is daardoor geen rechtstreeks of zijdelings verband met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen in jaar t+1. De wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar spelen geen rol in de indexatie van de gedispenseerde pensioenregeling. Dit geldt ook voor de daaruit voortvloeiende aanvullende koopsom.
De last als gevolg van de dotatie aan de voorziening ontstaat bij X BV als gevolg van prijsstijgingen voorafgaand aan balansdatum jaar t. Dat X BV de koopsom na afloop van het jaar betaalt, doet daar niet aan af. Artikel 3.26 Wet IB 2001 is daarom niet van toepassing. Het artikel sluit slechts de invloed uit van toekomstige loon- of prijsstijgingen bij de jaarwinstbepaling. De dotatie aan de voorziening in verband met de indexatie wordt dus niet temporeel in aftrek beperkt.