Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:911:2026:3 Toepassing van de artikelen 1.3 (vestigingsplaats) en 14.2, vijfde lid, (transitieregels) Wet minimumbelasting 2024 bij de berekening van de bijheffing van een joint venture, zoals gedefinieerd in artikel 1.2, eerste lid, Wet minimumbelasting 2024

Aanleiding

Aan de kennisgroep zijn vragen gesteld over de toepassing van de artikelen 1.3 (vestigingsplaats) en 14.2, vijfde lid, (transitieregels) Wet minimumbelasting 2024 (‘WMB 2024’) bij de berekening van de bijheffing van een joint venture, zoals gedefinieerd in artikel 1.2, eerste lid, WMB 2024 (‘JV’).

Vragen

Op grond van artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024 vindt de berekening van de bijheffing van een JV en de met de JV verbonden partijen plaats op de voet van de hoofdstukken 6 tot en met 10 WMB 2024 als ware de JV en de met haar verbonden partijen een aparte groep. Dit geeft aanleiding tot de volgende twee vragen:

  1. Is de vestigingsplaatsbepaling van artikel 1.3 WMB 2024 van toepassing bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep?
  2. Is de transitiebepaling voor de onderbelastewinstbijheffing, zoals opgenomen in artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024, van toepassing bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep?

Antwoorden

  1. Ja. Artikel 1.3 WMB 2024 bepaalt de vestigingsplaats van een entiteit en de plaats waar een vaste inrichting is gelegen voor toepassing van de WMB 2024. De vestigingsplaatsbepaling van artikel 1.3 WMB 2024 is van toepassing op een JV en de met de JV verbonden partijen en geldt daardoor ook bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep overeenkomstig artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024.
  2. Nee. Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 voorziet in een tijdelijke nihilstelling van de onderbelastewinstbijheffing voor multinationale groepen. Deze transitiebepaling wordt toegepast door de in Nederland gevestigde groepsentiteit die belastingplichtig is voor de onderbelastewinstbijheffing. Wanneer sprake is van een JV of JV-groep vindt de onderbelastewinstbijheffing plaats bij de moederentiteit die een belang heeft in de JV of JV-groep. Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 is niet relevant bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep.

Beschouwing

Juridisch kader

Wettelijk kader

Artikel 1.3, eerste lid, WMB 2024 luidt als volgt:

“Een entiteit, niet zijnde een doorkijkentiteit, is voor de toepassing van deze wet, in afwijking in zoverre van artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gevestigd in de staat waarin zij op grond van haar plaats van feitelijke leiding, plaats van oprichting of andere soortgelijke criteria, wordt aangemerkt als fiscaal inwoner. Indien er op basis van de eerste zin geen staat van vestiging is, wordt de entiteit geacht te zijn gevestigd in de staat naar het recht waarvan zij is opgericht.”

Artikel 8.10, eerste lid, WMB 2024 luidt als volgt:

“Voor een joint venture en de met die joint venture verbonden partijen worden de artikelen 8.8 en 8.9 toegepast alsof zij groepsentiteiten vormen van een afzonderlijke multinationale groep waarvan de joint venture de uiteindelijkemoederentiteit is en alsof deze groepsentiteiten ook groepsentiteiten zijn op basis van artikel 29b, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of daarmee vergelijkbare regelgeving in een andere staat, en ze voor de toepassing van hoofdstuk VIIa van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of daarmee vergelijkbare regelgeving in een andere staat, fiscaal zijn gevestigd in dezelfde staat als waarin zij op grond van artikel 1.3 zijn gevestigd.”

Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 luidt als volgt:

“De onderbelastewinstbijheffing, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, wordt gesteld op nihil gedurende de eerste vijf verslagjaren van de aanvangsfase van de internationale activiteiten van de multinationale groep.”

Parlementaire geschiedenis

In de memorie van toelichting (p. 246-247) is, voor zover relevant, het volgende opgemerkt.

“Het voorgestelde artikel 9.4 bevat bijzondere bepalingen ten aanzien van joint ventures. Onder een joint venture wordt in de regel verstaan een samenwerking door, voor het overige zelfstandig blijvende ondernemingen, bijvoorbeeld in de vorm van (een) gemeenschappelijke dochteronderneming (de joint venture). Een joint venture wordt doorgaans volgens de nettovermogenswaardemethode opgenomen in de jaarrekening van de deelnemer (aandeelhouders) die een belang hebben in die joint venture. De toepassing van de nettovermogenswaardemethode leidt niet tot een integrale
consolidatie van de joint venture. Als gevolg daarvan valt een joint venture, met haar dochtermaatschappijen, in beginsel buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel. Als echter sprake is van een joint venture als omschreven in het voorgestelde artikel 1.2, eerste lid, valt deze joint venture, inclusief de dochtermaatschappijen, wel onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel. Dit betekent niet dat de joint venture de bepalingen van dit wetsvoorstel toepast ten aanzien van de groepsentiteiten van die joint venture. Het is de multinationale groep of de binnenlandse groep die de bepalingen van dit wetsvoorstel toepast op het toerekenbare deel van deze multinationale groep of binnenlandse groep in die joint venture. Daarbij is in het voorgestelde artikel 9.4 bepaald dat de regels over de bepaling van de hoogte van de bijheffing worden toegepast als ware de joint venture een aparte groep. Echter, voor de toepassing van de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel behoort de joint venture – met haar dochtermaatschappijen – tot de groep of groepen van de moederentiteiten die een belang van ten minste 50% in de joint venture hebben.”

OESO-commentaar / OESO-modelregels

Paragraaf 89 van het OESO-commentaar (p. 188-189) bij artikel 6.4.1., paragraaf a OESO-modelregels luidt, voor zover relevant:

“89. (…) Lastly, the transitional rules in Articles 9.1 and 9.2 also apply with respect to JVs on the grounds that they complement the provisions in Chapters 4 and 5.”

Paragraaf 21 van het commentaar bij artikel 9.2.2. OESO-modelregels (p.264), voor zover relevant:

“21. (…) Tangible Assets held by a JV or its JV Subsidiaries are also not taken into account because those are not Constituent Entities for the purposes of Article 9.3 and are not required to apply the UTPR and the location of a JV and of its JV Subsidiaries is not taken into account for purposes of determining the number of jurisdictions in which the MNE Group has Constituent Entities.”

Beoordeling

Vraag 1. Is de vestigingsplaatsbepaling van artikel 1.3 WMB 2024 van toepassing voor de berekening van de bijheffing van een JV-groep?

Voor de toepassing van WMB 2024 wordt de vestigingsplaats van entiteiten en de plaats waar vaste inrichtingen zijn gelegen bepaald aan de hand van de regeling in artikel 1.3 WMB 2024.

De begrippen JV en ‘met een joint venture verbonden partij’ worden gedefinieerd in artikel 1.2, eerste lid, WMB 2024. Uit die definities volgt dat alleen een entiteit kan gelden als een JV en een met een JV verbonden partij. Aangezien de vestigingsplaats van een entiteit wordt bepaald in artikel 1.3 WMB 2024 is deze bepaling daarmee dus ook van toepassing voor het bepalen van de vestigingsplaats van een JV en de met een JV verbonden partijen. Een bevestiging dat artikel 1.3 WMB 2024 van toepassing is op een JV en de met de JV verbonden partijen kan ook worden gelezen in de tekst van artikel 8.10, eerste lid, WMB 2024, waarin wordt gesproken over de vestiging van een JV en de met een JV verbonden partijen in een staat op grond van artikel 1.3 WMB 2024.

Artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024 is van toepassing op een ‘joint venture’ en ‘de met de joint venture verbonden partijen’. Dit betekent dat, gezien het voorgaande, artikel 1.3 WMB 2024 ook geldt voor de toepassing van artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024. Daaraan doet niet af dat artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024 voor de berekening van de bijheffing van een JV-groep slechts verwijst naar de hoofdstukken 6 tot en met 10 WMB 2024 en niet naar artikel 1.3 WMB 2024.

Zonder toepassing van artikel 1.3 WMB 2024 zou de juiste werking van artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024 niet mogelijk zijn. Met de separate groep-benadering van artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024 is namelijk beoogd JV’s uit te sluiten van de zogenoemde jurisdictional blending (dat is een saldering van het kwalificerend inkomen en de betrokken belastingen van groepsentiteiten op jurisdictieniveau). Daartoe is het noodzakelijk dat artikel 1.3 WMB 2024 van toepassing is, zodat de JV-groep nader kan worden afgebakend aan de hand van de vestigingsplaats van de JV en de met de JV verbonden partijen.

Vraag 2. Is de transitiebepaling van artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 van toepassing bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep?

Art. 9.4, tweede lid, WMB 2024 bepaalt dat de berekening van de bijheffing van een JV en JV-groep geschiedt op de voet van de hoofdstukken 6 tot en met 10 WMB 2024. In het OESO-commentaar is bij het equivalent van art. 9.4 WMB 2024 (art. 6.4.1 OESO-modelregels (‘MR’)) in paragraaf 89 onder meer het volgende opgemerkt:

“Lastly, the transitional rules in Articles 9.1 and 9.2 also apply with respect to JVs on the grounds that they complement the provisions in Chapters 4 and 5.”

De transitieregels 9.1 MR (art. 14.1 WMB 2024) en 9.2 MR (opgenomen in art. 8.3 lid 2 en 3 en artikel 17.1 WMB 2024) zijn dus ook van toepassing op JV’s en JV-groepen terwijl deze bepalingen niet staan in de hoofdstukken waarnaar in art. 6.4.1 MR (artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024) wordt verwezen. Dit heeft de vraag opgeroepen of ook de transitieregel van art. 14.2, vijfde lid, WMB 2024 (art. 9.3.5, onderdeel b MR) ook geldt voor JV’s en JV-groepen en aanvullend werkt op de hoofdstukken 6 tot en met 10 WMB 2024.

Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 is een transitiebepaling bij de regeling van artikel 5.2, tweede lid, WMB 2024 en ziet op een tijdelijke nihilstelling van de onderbelastewinstbijheffing voor de multinationale groep. Belastingplichtig voor de onderbelastewinstbijheffing is een in Nederland gevestigde groepsentiteit die aan bepaalde voorwaarden voldoet (artikel 5.1, eerste lid, WMB 2024). Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis is het de multinationale groep (of de binnenlandse groep) die de bepalingen van de WMB toepast op het aan die groep toerekenbare deel in een JV. De JV zelf past de bepalingen van de WMB ten aanzien van de groepsentiteiten van die JV niet toe. Alleen voor de berekening van de hoogte van de bijheffing geldt de JV en de met de JV verbonden partijen als een aparte groep, maar de bijheffing zelf vindt dus plaats bij de groep die het belang in een JV houdt en niet bij de JV zelf. Artikel 14.2, vijfde lid, WMB 2024 is daarom niet relevant bij de berekening van de bijheffing van een JV-groep op de voet van artikel 9.4, tweede lid, WMB 2024.

Afhankelijk van de aard van andere transitieregels, kunnen deze mogelijk wel van toepassing zijn op JV’s.

Deel deze pagina