Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:059:2026:2 Te boekstelling van het lucratief belang

Aanleiding

X is in dienstbetrekking bij Y BV. X wordt in de gelegenheid gesteld om (lucratieve) aandelen Y BV (hierna: de aandelen) te verwerven. X hoeft hiervoor niets te betalen. De waarde in het economisch verkeer (hierna: WEV) op het moment van verwerving van de aandelen bedraagt € 20.000.

In dit geval kiest Y BV er voor om de verschuldigde loonbelasting over de aandelen voor zijn rekening te nemen. Dit vormt een voordeel uit dienstbetrekking voor de werknemer. Het voordeel voor de werknemer wordt in dat geval gebruteerd (het nettoloon wordt herleid naar een brutoloon) en de verschuldigde loonbelasting wordt door de werkgever afgedragen.

Er is sprake van € 20.000 aan nettoloon (WEV van de aandelen). Bij een (fictief) enkelvoudig tarief van 50% bedraagt het daarbij behorende brutoloon € 40.000. De door de werkgever af te dragen loonbelasting bedraagt in dat geval € 20.000.

X geniet dus een loonvoordeel van € 20.000 vanwege het om niet verkrijgen van de aandelen. X geniet eveneens een loonvoordeel van € 20.000 omdat de werkgever de verschuldigde loonbelasting voor zijn rekening neemt.

De aandelen vormen voor X een lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). X dient de aandelen op te nemen op de openingsbalans.

Om het resultaat uit deze werkzaamheid vast te kunnen stellen, wordt het opgeofferd bedrag bepaald op grond van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001. Hoewel artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001 de term ‘opgeofferd bedrag’ niet kent, wordt in dit standpunt gesproken over het opgeofferd bedrag (in de zin van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001).

Vraag

Verhoogt de loonbelasting die de werkgever voor zijn rekening neemt het opgeofferd bedrag in de zin van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001?

Antwoord

Nee. Het opgeofferd bedrag in de zin van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001 betreft het bedrag dat in de belastingheffing is betrokken ter verkrijging van het vermogensbestanddeel. Het opgeofferd bedrag wordt verhoogd met € 20.000 vanwege het om niet verkrijgen van de aandelen. Het loonvoordeel vanwege de omstandigheid dat de werkgever de loonbelasting voor zijn rekening neemt, wordt niet tot het opgeofferd bedrag gerekend.

Beschouwing

In de casus is sprake van een lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001. Ter bepaling van het resultaat is (naast artikel 3.94 en artikel 3.95 Wet IB 2001) artikel 3.95b Wet IB 2001 van toepassing. Artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001 regelt de te boekstelling van het lucratieve vermogensbestanddeel.

Artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001 luidt als volgt:

“Ingeval op enig tijdstip een vermogensbestanddeel tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b gaat behoren, wordt het op dat tijdstip te boek gesteld op het bedrag dat is opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel vermeerderd met het bedrag waarover ter zake van de verkrijging van het bestanddeel inkomstenbelasting is geheven.”

Het bedrag dat is opgeofferd ter verkrijging van het bestanddeel staat gelijk aan de historische kostprijs (Kamerstukken II, 2007/2008, 31 459, nr.3, p.16). Dit betreft het bedrag dat belastingplichtige heeft betaald voor het bestanddeel en bedraagt in onderhavige casus nihil.

De vraag is hoe het tweede deel van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001, moet worden uitgelegd. In dit tweede deel is bepaald dat het opgeofferd bedrag wordt vermeerderd met het bedrag waarover ter zake van de verkrijging van het bestanddeel inkomstenbelasting is geheven.

Volgens Kamerstukken II, 2007/2008, 31 459, nr.3, p.16 betreft dit een voordeel ter verkrijging van het bestanddeel indien dit voordeel is opgenomen in de heffing van inkomsten. In deze kamerstukken wordt opgemerkt dat:

“Nadat aldus de omvang van de korting is bepaald en in de loonsfeer is afgerekend, gaat het aandeel over naar het resultaatregime. Voor de bepaling van het resultaat uit een werkzaamheid staat op de openingsbalans het aandeel te boek op de historische kostprijs, vermeerderd met het bedrag waarover inkomstenbelasting ter zake van de aankoopkorting is geheven; in dit geval dus op de waarde in het economische verkeer ten tijde van het verlaten van de loonsfeer.’’

In de onderhavige casus is sprake van heffing via de loonbelasting, en via artikel 3.81 Wet IB 2001 eveneens van heffing van inkomstenbelasting. De geheven loonbelasting, met uitzondering van de als eindheffing in de zin van artikel 31 of artikel 32ab van de Wet op de Loonbelasting 1964 geheven loonbelasting, geldt hierbij als voorheffing op de inkomstenbelasting (artikel 9.2, eerste lid, letter a, Wet IB 2001).

De NOB verzoekt in het haar commentaar van 10 juni 2008 bij het Wetsvoorstel Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen het volgende:

“In het voorgestelde art. 3.95b, lid 1, Wet IB 2001 is onder meer geregeld dat ingeval een vermogensbestanddeel onder de reikwijdte van de regeling komt te vallen, de historische kostprijs mag worden verhoogd met het bedrag waarover in het verleden inkomstenbelasting is geheven. Aangezien onder omstandigheden de loonbelasting (materieel) als eindheffing functioneert (bijvoorbeeld indien er sprake is van brutering) acht de Orde het van belang dat ook de loonbelasting uitdrukkelijk in de bepaling wordt genoemd. De Orde verzoekt de staatssecretaris zulks te bewerkstelligen.”

In Kamerstukken II 2007/08 31 459, nr. 9, p. 22 reageert de Staatssecretaris hierop als volgt:

“De Orde vraagt of ook ingeval de loonbelasting weliswaar niet formeel, maar wel materieel als eindheffing functioneert, voor de teboekstelling de kostprijs wordt verhoogd met het bedrag waarover de belasting is geheven. Wij bevestigen dat dit het geval is, omdat in dat geval nog steeds sprake is van belastbaar loon, ook voor de toepassing van de inkomstenbelasting.”

Uit het voorgaande volgt dat voor het opgeofferd bedrag mag worden uitgegaan van de WEV van de aandelen, ook al betaalt de werknemer de hiermee gepaard gaande loonbelasting niet omdat de werkgever deze voor zijn rekening neemt. De geheven loonbelasting is (anders dan ‘echte’ eindheffing, zie artikel 3.84, eerste lid, Wet IB 2001) immers via artikel 9.2, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 verrekenbaar met de inkomstenbelasting.

Gelet op het bovenstaande behoort het loonvoordeel ter zake van het voor rekening van de werkgever nemen van de loonbelasting ad € 20.000 niet tot het opgeofferd bedrag in de zin van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001. Dit loonvoordeel is immers niet een bedrag dat X opoffert ter verkrijging van het vermogensbestanddeel. Het loonvoordeel ad € 20.000 vanwege het om niet verkrijgen van de aandelen behoort wel tot het opgeofferd bedrag.

Concluderend, in deze casus wordt de historische kostprijs van nihil verhoogd met het loonvoordeel ter zake van het om niet verkrijgen van de aandelen met een WEV van € 20.000. Het loonvoordeel omdat de werkgever de loonbelasting voor zijn rekening neemt, behoort niet tot het opgeofferd bedrag in de zin van artikel 3.95b, eerste lid, Wet IB 2001.

Deel deze pagina