Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:023:2026:2 Kosten ter zake van vaststelling definitieve tegenprestatie bij verwerving deelneming (art. 13, eerste lid, Wet Vpb 1969)

Aanleiding

Belastingplichtige verwerft op enig moment een aandelenbelang waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Bij de levering wordt een voorlopige tegenprestatie voldaan, omdat de definitieve tegenprestatie overeenkomstig een overeengekomen mechanisme pas nadien kan worden berekend en vastgesteld. Belastingplichtige laat zoals overeengekomen de berekening uitvoeren en maakt in dat verband externe kosten. Vervolgens wordt de definitieve tegenprestatie vastgesteld en afgerekend.

Vraag

Zijn de kosten die de belastingplichtige maakt aan te merken als kosten ter zake van de verwerving van een deelneming in de zin van artikel 13, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969)?

Antwoord

Ja. De kosten zijn aan te merken als kosten ter zake van de verwerving van een deelneming in de zin van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969. Van het vereiste rechtstreeks oorzakelijke verband tussen de kosten en de verwerving van de deelneming is naar objectieve maatstaven sprake. De onderhavige kosten zouden zonder de verwerving niet zijn gemaakt en zijn objectief bezien nuttig of nodig om tot de verwerving te komen.

Beschouwing

Wettelijk kader

Op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969 blijven bij het bepalen van de winst voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of vervreemding van die deelneming, buiten aanmerking.

Rechtspraak

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, geoordeeld dat een bepaalde kostenpost alleen onder de deelnemingsvrijstelling valt indien een verband bestaat tussen die kostenpost en de verwerving of de vervreemding van een deelneming. Bij gebrek aan nadere tekstuele of wetshistorische aanwijzingen voor de beantwoording van de vraag welk verband vereist is, hanteert de Hoge Raad hiervoor de maatstaf van een rechtstreeks oorzakelijk verband. Kosten moeten worden aangemerkt als kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming, indien zij worden opgeroepen door de verwerving of de vervreemding van de desbetreffende deelneming, in die zin dat de kosten zonder die verwerving of die vervreemding niet zouden zijn gemaakt. De aanwezigheid van een zodanig verband dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat hiervoor genoemde verband slechts kan bestaan indien die verwerving of die vervreemding doorgang vindt.

In zijn arrest van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, maakt de Hoge Raad duidelijk dat in het vereiste rechtstreekse oorzakelijke verband dat de kosten moeten worden opgeroepen door de vervreemding, de voorwaarde ligt besloten dat de kosten een zodanig oorzakelijk verband met de vervreemding houden dat zij zijn gemaakt omdat zij – objectief bezien – nuttig of nodig zijn om tot die vervreemding te komen. De Hoge Raad geeft aan dat ter verduidelijking daarvan in HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, is toegevoegd dat de kosten anders, dus zonder die (beoogde) vervreemding, niet zouden zijn gemaakt. Het bedoelde rechtstreekse oorzakelijke verband ontbreekt bij kosten die – weliswaar – niet zouden zijn gemaakt als de vervreemding niet zou hebben plaatsgevonden, maar die overigens in generlei opzicht kunnen bijdragen aan de totstandkoming van die vervreemding. Dergelijke uitgaven staan niet in een rechtstreeks oorzakelijk verband tot de vervreemding zoals bedoeld in HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264. Deze uitgaven zijn niet nuttig of nodig om tot die vervreemding te komen.

Aftrekverbod kosten berekening definitieve tegenprestatie

In deze casus verwerft de belastingplichtige een deelneming. Belastingplichtige laat, conform de met de verkoper gemaakte afspraken, de definitieve tegenprestatie na de levering berekenen volgens het vastgestelde mechanisme. In dat verband worden externe kosten gemaakt. Deze kosten vallen onder het aftrekverbod van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969. Dat kan als volgt worden toegelicht.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264 volgt dat een bepaalde kostenpost slechts dan onder het aftrekverbod valt indien naar objectieve maatstaven sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen een bepaalde kostenpost en de verwerving of vervreemding van de deelneming. Deze maatstaf is verduidelijkt in HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, waar sprake was van een vervreemding. In rechtsoverweging 4.3 van voornoemd arrest verwijst de Hoge Raad naar HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264. Gelet op onder meer deze verwijzing ligt het in de rede dat deze verduidelijking ook geldt in de situatie waarin sprake is van een verwerving. De Hoge Raad hanteert geen temporeel criterium, maar toetst of de kosten objectief bezien nuttig of nodig zijn om tot de verwerving te komen. Indien het tijdstip waarop kosten worden gemaakt beslissend zou zijn geweest, had de Hoge Raad in HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, kunnen volstaan met de vaststelling dat de kosten na de vervreemding zijn gemaakt (vergelijk r.o. 2.1–2.3; r.o. 4.4.1–4.4.2).

In de onderhavige casus is naar objectieve maatstaven sprake van het vereiste rechtstreeks oorzakelijke verband tussen de kosten en de verwerving van de deelneming. Het tijdstip waarop de kosten opkomen is niet beslissend. De onderhavige kosten voor de vaststelling van de definitieve tegenprestatie worden opgeroepen door de verwerving, in die zin dat zij zonder die verwerving niet zouden zijn gemaakt. Deze kosten zijn nuttig of nodig om de definitieve tegenprestatie, een essentieel onderdeel van de koopovereenkomst, overeenkomstig de koopafspraken vast te stellen en af te wikkelen. De kosten dragen daarmee bij aan de totstandkoming van de verwerving zoals die door partijen is vormgegeven.

Deel deze pagina