KG:063:2026:4 BOR, 5%-marge (oud) bij beleggingsvermogen en verval BOR-vrijstelling
Publicatiedatum 08-05-2026, 14:40 | Laatste update 08-05-2026, 14:40 |
Aanleiding
X bezit alle aandelen in holding A BV. Holding A BV bezit langer dan vijf jaar alle aandelen in werkmaatschappij B BV en korter dan vijf jaar alle aandelen in werkmaatschappij C BV. Beide werkmaatschappijen drijven elk al tientallen jaren een onderneming en hebben geen beleggingsvermogen. Werkmaatschappij B BV heeft een waarde in het economische verkeer (hierna: wev) van 100 en werkmaatschappij C BV van 3. Holding A BV bezit naast de aandelen in de werkmaatschappijen ook beleggingsvermogen met een waarde van 2. De aandelen in holding A BV zijn 105 waard (wev). X schenkt in 2024 al zijn aandelen in holding A BV aan Y, die een beroep doet op de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (hierna: BOR). Binnen de voortzettingsperiode wordt 70% van de aandelen in werkmaatschappij B BV verkocht tegen een koopsom van 80. Ten tijde van de schenking waren deze verkochte aandelen 70 waard.
Vragen
- Wordt bij het berekenen van de 5%-marge van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Successiewet 1956 (oud) (hierna: SW 1956) rekening gehouden met ondernemingsvermogen waarmee niet wordt voldaan aan de bezitseis?
- Behoort ondernemingsvermogen waarmee niet aan de bezitseis wordt voldaan, tot de objectieve onderneming als bedoeld in artikel 35b SW 1956 juncto artikel 7 van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting?
Geldt hetzelfde voor beleggingsvermogen dat binnen de 5%-marge valt? - Hoe wordt berekend welk deel van de verleende BOR-vrijstelling vervalt bij het niet voldoen aan het voortzettingsvereiste?
Antwoorden
- Ja, bij het berekenen van de 5%-marge wordt rekening gehouden met al het ondernemingsvermogen, dus ook met het ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis. Dit ondernemingsvermogen vormt geen beleggingsvermogen.
- Ja, ook ondernemingsvermogen dat niet voldoet aan de bezitseis, behoort tot de objectieve onderneming van artikel 35b, eerste lid, SW 1956. Om te bepalen of de waarde going concern hoger is dan (afgerond) € 1,3 miljoen (bedrag 2024), waardoor de 83%-vrijstelling (percentage 2024) over het meerdere geldt, wordt al het ondernemingsvermogen meegenomen. Dat geldt eveneens voor het beleggingsvermogen dat tot de 5%-marge behoort en voor de BOR als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt.
- Als niet langer wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste, vervalt voor zover (naar rato) de BOR-vrijstelling. Hierbij vervalt ook de BOR die is verleend over de 5%-marge naar rato.
Beschouwing
5%-marge (oud)
Tot 1 januari 2025 werd bij verkrijging van BOR-vermogensbestanddelen een gedeelte van het beleggingsvermogen van het lichaam waarvan de vermogensbestanddelen werden verkregen, aangemerkt als ondernemingsvermogen (artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 2˚, SW 1956 (oud)). Dat gedeelte betrof maximaal 5% van de ingevolge artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, SW 1956 toegerekende waarde. De vraag kwam op of deze 5%-marge ook wordt berekend over ondernemingsvermogen, waarmee niet aan de bezitseis wordt voldaan.
Tot 1 januari 2024 werd het vermogen van het lichaam waarvan de vermogensbestanddelen waren verkregen voor de BOR ingedeeld in drie categorieën*:
- Ondernemingsvermogen (wel/niet voldaan aan de bezitseis)
- Beleggingsvermogen
- Belangen in een ander lichaam (als bedoeld in artikel 35c, zesde lid, SW 1956). Deze belangen worden voor de toepassing van de BOR als beleggingsvermogen aangemerkt.
* Per 1 januari 2024 zijn daar de categorieën van artikel 35c, zevende lid, SW 1956 bijgekomen. Deze categorieën blijven in dit standpunt buiten beschouwing. Per 1 januari 2025 is dit lid uitgebreid.
- Categorie 1. Ondernemingsvermogen waarmee niet wordt voldaan aan de bezitseis, ‘transformeert’ niet naar de categorie beleggingsvermogen. Het blijft ondernemingsvermogen, alleen het is ondernemingsvermogen dat niet kwalificeert voor toepassing van de BOR. Dit ondernemingsvermogen behoort wel tot de objectieve onderneming.
- Categorie 2. In de wetsgeschiedenis staat onder andere het volgende over beleggingsvermogen: “Met de term beleggingsvermogen wordt duidelijk gemaakt dat het hier gaat om het saldo van de beleggingen en de daarvoor aangegane schulden. De term beleggingsvermogen brengt verder tot uitdrukking, dat het moet gaan om vermogen dat blijvend overtollig is.” Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 43.
N.B.: In dit standpunt wordt niet nader uitgewerkt wanneer bezittingen en schulden beleggingsvermogen zijn. - Categorie 3. Belangen in een lichaam worden op grond van artikel 35c, zesde lid, SW 1956 niet tot het vermogen van de onderneming gerekend. Dit heeft met name effect als de erflater of schenker geen indirect aanmerkelijk belang in de werkmaatschappij heeft, waardoor de bezittingen en schulden van deze werkmaatschappij niet worden toegerekend aan de holding (artikel 35c, vijfde lid, SW 1956). Voor de toepassing van de BOR worden dergelijke belangen namelijk aangemerkt als beleggingsvermogen, waardoor de BOR daarop niet van toepassing is. De waarde van deze belangen kon echter wel in de 5%-marge worden begrepen. Voor dit vermogen gold wel dat het niet binnen de bezitstermijn via een storting in het lichaam mocht zijn ingebracht (artikel 35d, eerste lid, onderdeel c, SW 1956 (oud)).
Voortzettingsvereiste
Als niet langer wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste, “vervalt in zoverre de voorwaardelijke vrijstelling” (artikel 35b, zesde lid, SW 1956). Uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat met ‘in zoverre’ wordt bedoeld ‘naar evenredigheid’:
“(..) Dit terugnemen zal naar evenredigheid plaatsvinden, welke wijze van terugnemen ook in artikel 35b, zesde lid is verankerd (..).”
Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 16, p. 14.
Voor zover de BOR-vrijstelling ziet op de 5%-marge, wordt deze eveneens naar evenredigheid teruggenomen. Bij het geheel of deels vervallen van de BOR wordt de 5%-marge niet herrekend.
Het bovenstaande laat zich het beste illustreren aan de hand van voorbeelden.
Casus (van de aanleiding)
Het vermogen van holding A BV laat zich -na toerekening- in 2 categorieën onderscheiden:
- 1) Ondernemingsvermogen met een waarde van 103, waarvan met een gedeelte met een waarde van 3 niet wordt voldaan aan de bezitseis; en
- 2) Beleggingsvermogen met een waarde van 2.
Om te beoordelen welk gedeelte van het beleggingsvermogen op grond van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, SW 1956 tot de 5%-marge behoort, moest eerst de omvang van het ondernemingsvermogen worden bepaald. Deze is 103, opgebouwd uit 100 werkmaatschappij B BV en 3 werkmaatschappij C BV. Dat betekent dat de BOR maximaal op 5% x 103 = 5,15 aan beleggingsvermogen van toepassing kan zijn. De holding heeft echter maar 2 aan beleggingsvermogen. Deze 2 wordt door de 5%-regel tot het ondernemingsvermogen gerekend. De resterende 3,15 wordt niet ‘benut’ en kan niet worden opgevuld met het ondernemingsvermogen van 3 waarmee niet wordt voldaan aan de bezitseis. Dit is immers geen beleggingsvermogen. Na toepassing van de 5%-marge is de BOR van toepassing over 100 + 2 = 102.
Stel dat de BOR-vrijstelling was berekend op 84. Wanneer binnen de voortzettingsperiode 70% van de aandelen in werkmaatschappij B BV wordt verkocht vervalt de BOR-vrijstelling naar evenredigheid, namelijk over 70% x 102 = 71,4 aan ondernemingsvermogen inclusief de 5%-marge. De verleende voorwaardelijke BOR-vrijstelling vervalt daardoor voor een bedrag van 71,4/102 x 84 = 58,8.
NB: In deze casus wordt de 5%-marge ten tijde van de schenking niet volledig benut. Deze marge wordt bij niet voldoen aan van het voortzettingsvereiste niet ‘herrekend’. Het maakt daarbij niet uit waar het beleggingsvermogen zich bevindt in de structuur. De BOR wordt immers verleend op basis van de balans na toerekening.
Latente inkomstenbelasting
Bij het berekenen van de alsnog verschuldigde schenkbelasting mag rekening worden gehouden met een aftrek van latente inkomstenbelasting (artikel 20, vijfde en zesde lid, SW 1956). Deze latentie is immers een tegemoetkoming voor de samenloop tussen inkomstenbelasting en schenk- of erfbelasting. Voor zover de BOR‑vrijstelling van toepassing is, is er geen sprake van samenloop en geldt geen aftrek voor latente inkomstenbelasting. Als niet wordt voldaan aan het voortzettingsvereiste en de BOR wordt teruggenomen, vervalt de vrijstelling (deels) en is er wel (deels) sprake van samenloop. Daarom wordt bij het vaststellen van de aanvullende aanslag als bedoeld in artikel 37, derde lid, SW 1956, rekening worden gehouden met een hogere IB-latentie.
Voorbeeld 2
Z bezit alle aandelen in holding D BV. Holding D BV (wev 110) bezit alle aandelen in werkmaatschappij E BV (wev 100), in Werkmaatschappij F BV (wev 3) en in werkmaatschappij G BV (wev 7, bestaand uit ondernemingsvermogen met een waarde van 5 en beleggingsvermogen met een waarde van 2). Elke deelneming drijft al tientallen jaren een onderneming. Holding D BV bezit alleen de aandelen in werkmaatschappij F BV korter dan vijf jaar.
Z schenkt in 2024 al zijn aandelen in holding D BV aan Q, die een beroep doet op de BOR.
Tijdens de voortzettingsperiode worden alle aandelen in werkmaatschappij G BV verkocht, de koopsom is 8. Deze aandelen waren ten tijde van de schenking 7 waard.
Uitwerking
Het vermogen van holding D BV laat zich -na toerekening- in 2 categorieën onderverdelen:
1) Ondernemingsvermogen met een waarde van 108, waarvan met een gedeelte met een waarde van 3 niet wordt voldaan aan bezitseis;
2) Beleggingsvermogen met een waarde van 2.
Om te beoordelen welk deel van het beleggingsvermogen op grond van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, SW 1956 (oud) tot de 5%-marge behoort, moet eerst de omvang van het ondernemingsvermogen worden bepaald. Deze is 108, opgebouwd uit 100 werkmaatschappij E BV, 3 werkmaatschappij F BV en 5 werkmaatschappij G BV. Dat betekent dat op maximaal 5% x 108 = 5,4 aan beleggingsvermogen de BOR van toepassing kan zijn.
De holding heeft (na toerekening) echter maar 2 aan beleggingsvermogen. Deze 2 wordt door de 5%-marge tot het ondernemingsvermogen gerekend. De resterende 3,4 wordt niet ‘benut’ en kan niet worden opgevuld met het ondernemingsvermogen van 3, waarmee niet wordt voldaan aan de bezitseis.
Omdat met het indirecte belang in F BV niet aan de bezitseis wordt voldaan, is de BOR -na toepassing van de 5%-marge- van toepassing over 105 + 2 = 107.
Stel dat de BOR-vrijstelling is berekend op 86. Holding D BV houdt door de verkoop op winst te genieten uit de onderneming van werkmaatschappij G BV, daarom vervalt de BOR-vrijstelling over 5/105 x 107 = 5,1 aan ondernemingsvermogen inclusief de 5%-marge. De verleende voorwaardelijke BOR-vrijstelling vervalt voor een bedrag van 5,1/107 x 86 = 4,1.
Ook nu wordt bij niet voldoen aan het voortzettingsvereiste de 5%-marge niet herrekend. Ondanks dat al het beleggingsvermogen verdwijnt vervalt slechts een evenredig gedeelte van deze marge.