KG:202:2026:7 Waardering vorderingen en schulden in box 3
Publicatiedatum 22-05-2026, 16:05 | Laatste update 22-05-2026, 16:05 |
Aanleiding
In het verleden heeft belastingplichtige A onder strikt zakelijke voorwaarden € 300.000 geleend van belastingplichtige B ter financiering van een tweede woning. Hierbij zijn zij overeengekomen dat de lening 20 jaar aflossingsvrij is. Belastingplichtige A heeft dus een schuld en belastingplichtige B heeft een vordering. Zij zijn een rentepercentage overeengekomen van 4,5% en dit rentepercentage staat voor 20 jaar vast. De lening mag niet eerder boetevrij worden afgelost. Voor zowel belastingplichtige A als B valt de schuld respectievelijk de vordering in box 3.
In enig jaar wijkt de marktrente van een lening met vergelijkbare voorwaarden (zoals overeenkomstige looptijd, zekerheden, debiteurenrisico, aflossingsschema, etc.) af van de contractueel overeengekomen vaste rente op de lening (hierna: contractrente). Zowel A als B dienen de waarde van hun schuld respectievelijk vordering op peildatum aan te geven in box 3.
NB: In dit standpunt wordt de contractrente van een vordering of schuld vergeleken met de marktrente die geldt voor vergelijkbare vorderingen en schulden. Daarbij gaat het telkens om vorderingen en schulden met vergelijkbare voorwaarden, zoals overeenkomstige looptijd, zekerheden, debiteurenrisico, aflossingsschema, etc.
Vragen
- Voor welke waarde moet een schuld met een vaste looptijd (zonder boetevrije vervroegde aflossingsmogelijkheid) in aanmerking worden genomen in box 3 wanneer de contractrente afwijkt van (lees: hoger of lager ligt dan) de marktrente op de peildatum?
- Voor welke waarde moet een niet direct opeisbare vordering in aanmerking worden genomen in box 3 wanneer de contractrente afwijkt van (lees: hoger of lager ligt dan) de marktrente op de peildatum?
- Heeft de niet-verhandelbaarheid van een vordering of schuld invloed op de waarde in het economische verkeer?
Antwoorden
- Een schuld dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een schuld is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de schuld. Wanneer echter (zoals in casu) een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de schuld geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de schuld.
- Een vordering dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een vordering is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de vordering. Wanneer echter (zoals in casu) een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de vordering geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de vordering.
- Nee, in beginsel wordt de waarde in het economische verkeer van vorderingen en schulden niet beïnvloed door de niet-verhandelbaarheid ervan.
NB: het berekenen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld waarbij een rentevaste periode is overeengekomen en waarvan de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente van een lening met vergelijkbare voorwaarden, is administratief bewerkelijk en doet een groot beroep op het doenvermogen van de belastingplichtigen. Daarnaast is het staande uitvoeringspraktijk dat door administratieplichtigen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, het boeksaldo van een geldlening of vordering als waarde in het economische verkeer wordt gerenseigneerd. Uit praktische overwegingen en gelet op deze uitvoeringspraktijk mag een belastingplichtige bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld (niet zijnde een effect als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht) uitgaan van de nominale waarde. Hierbij moet wel sprake zijn van een bestendige gedragslijn, zodat consistent wordt gekozen voor de nominale waarde en niet slechts om een fiscaal voordeel te behalen. Dit betekent dat de nominale waarde zowel wordt gebruikt ter berekening van het forfaitaire rendement als voor het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling box 3. Ook houdt dit in dat voor de berekening van het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling box 3 de nominale waarde wordt gebruikt aan het begin en einde van het kalenderjaar en voor eventuele stortingen en onttrekkingen als gevolg van verkrijging of vervreemding van een geldvordering of -schuld. Deze uitwerking geldt tot aan de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3, aangezien hierin specifieke regels zijn opgenomen met betrekking tot de waardering van geldvorderingen en -schulden tussen natuurlijke personen.
Beschouwing
Waarde in het economische verkeer
Bezittingen en schulden worden op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in box 3 in aanmerking genomen tegen de waarde in het economische verkeer. Daarnaast gelden voor bepaalde vermogensbestanddelen, zoals beursgenoteerde effecten of woningen, specifieke waarderingsregels.
De term ‘waarde in het economische verkeer’ werd al gehanteerd in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: Wet VB 1964). De waarde in het economische verkeer is de verkoopprijs voor zaken waarvoor een markt bestaat (HR 5 februari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AX5888). De Hoge Raad beschrijft de term in bovenstaand arrest als volgt:
“de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaan de prijs, die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.”
Dezelfde waarderingsregel moet ook worden toegepast ten aanzien van bezittingen waarvoor geen markt bestaat en ten aanzien van schulden (MvA, Kamerstukken II 1961/62, 5380, nr. 21, p. 11-12).
Waarde in het economische verkeer versus nominale waarde
De nominale waarde van een vordering of schuld is de oorspronkelijke waarde die volgens de overeenkomst door de schuldenaar aan de schuldeiser moet worden betaald, zonder rekening te houden met factoren die van invloed kunnen zijn op de waarde in het economische verkeer van de vordering of schuld. De waarde in het economische verkeer van een vordering of schuld is in beginsel, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de vordering of schuld.
Er kunnen zich echter gedurende de looptijd van een niet direct opeisbare vastrentende vordering of een vastrentende schuld met een vaste looptijd (zonder boetevrije vervroegde aflossingsmogelijkheid) ontwikkelingen voordoen die tot gevolg hebben dat de waarde in het economische verkeer van de vordering of de schuld gaat afwijken van de nominale waarde. Voor zowel vorderingen als schulden zal hierna achtereenvolgens worden ingegaan op de stand van de marktrente van een vergelijkbare vordering/schuld ten opzichte van de contractrente, de solvabiliteit van de schuldenaar en de (niet-)overdraagbaarheid van de vordering/schuld.
Vorderingen
Vorderingen bestaan in verschillende vormen. Voor vorderingen die zijn genoteerd aan de effectenbeurs (denk aan obligatieleningen) geldt de waarderingsregel van artikel 5.21 Wet IB 2001.
Voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer van vorderingen die niet onder artikel 5.21 Wet IB 2001 vallen moet zo mogelijk worden uitgegaan van de uitgangspunten die op datzelfde moment en in een vergelijkbare situatie ook tussen onafhankelijk derde partijen zouden gelden.
Stand van de marktrente
De stand van de marktrente heeft invloed op de waarde van een vordering. Voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer van een vordering, zal de contractrente van de vordering moeten worden afgezet tegen de geldende marktrente (HR 16 januari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AX4567). Indien de marktrente van een niet-opeisbare vordering hoger ligt dan de contractrente van de vordering, dan zal dit een waardedrukkend effect hebben en zal de waarde in het economische verkeer lager zijn dan de nominale waarde van deze vordering. Hierbij ervan uitgaande dat er geen andere factoren zijn die de waarde in het economische verkeer van de vordering beïnvloeden zoals de solvabiliteit van de schuldenaar. Is de marktrente lager dan de contractrente dan geldt het omgekeerde.
Als de vordering niet direct opeisbaar is, dan wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de contante waarde (HR 26 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9248). Wijkt de marktrente af van de contractrente, dan kan de waarde in het economische verkeer van de vordering worden berekend door de contractueel overeengekomen toekomstige rentebetalingen en de aflossingen op de hoofdsom van de vordering contant te maken naar de peildatum van de waardering. Bij het contant maken moet worden gerekend met een disconteringsvoet die aansluit bij de rentevergoeding die tussen onafhankelijke derde partijen voor een vordering met vergelijkbare voorwaarden overeen zou zijn gekomen (oftewel: de marktrente).
Kortom, niet direct opeisbare vorderingen waarvan de contractrente hoger is dan de marktrente zullen in beginsel moeten worden gewaardeerd op een hogere waarde dan de nominale waarde. Niet direct opeisbare vorderingen met een contractrente die beneden de marktrente ligt, zullen in beginsel moeten worden gewaardeerd op een lagere waarde dan de nominale waarde. Naarmate de vordering een kortere (resterende) looptijd kent, zal het verschil tussen de nominale waarde en de waarde in het economische verkeer kleiner zijn. Bij een direct opeisbare vordering is de waarde in het economische verkeer normaal gesproken gelijk aan de nominale waarde van de vordering.
Voorbeeld
Belastingplichtige A heeft tegen zakelijke condities een geldbedrag geleend van belastingplichtige B ter grootte van € 300.000. Voor A is dit een schuld in box 3 en voor B is dit een vordering in box 3. Het geldbedrag is uitgeleend voor 20 jaar en de rente van 4,5% is vastgezet voor de gehele looptijd van de lening. De rente wordt ieder jaar aan het einde van het jaar voldaan. B kan de vordering niet eerder opeisen dan aan het einde van de looptijd. De marktrente is aan het begin van het eerste jaar 4,5%, van het tweede jaar 4%, van het derde jaar 2,5%, van het vierde jaar 3,5%, van het vijfde jaar 6% en van het zesde jaar 4,5%. Omwille van de eenvoud wordt in dit voorbeeld voor het forfaitaire rendement in box 3 in alle jaren met 6% gerekend.
Voor het vaststellen van de waarde van de vordering voor box 3 wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. De waarde in het economische verkeer op peildatum van de vordering van B kan worden berekend met behulp van de volgende vergelijking:
H*Kh*[(1 – (1/((1 + Kvv)^t)))/Kvv] + [H/((1 + Kvv)^t)]
Waarbij:
- H = de nominale waarde van de vordering
- Kh = de contractrente
- Kvv = de marktrente van een vordering met vergelijkbare voorwaarden
- t = de resterende looptijd van de vordering op peildatum
Zo moet bijvoorbeeld worden aangenomen dat de vordering aan het begin van jaar 2 een waarde heeft van € 319.701. Deze waarde is als volgt bepaald: 300.000*4,5%*[(1 – (1/((1 + 4,0%)^19)))/4,0%] + [300.000/((1 + 4,0%)^19)] = 319.701).
Aan de hand van de waarde in het economische verkeer van de vordering kan (vervolgens) het forfaitaire en werkelijke box 3 rendement worden berekend.
Voor het berekenen van het forfaitaire rendement dient de vastgestelde waarde in het economische verkeer van de vordering per 1-1 vermenigvuldigd te worden met het forfaitaire rendementspercentage.
Bij het berekenen van het werkelijke rendement moet de mutatie in de waarde in het economische verkeer van de vordering tussen jaar x en jaar x+1 worden opgeteld bij de verschuldigde contractrente.
Het verloop van het forfaitaire en werkelijke rendement in dit specifieke voorbeeld staat weergegeven in onderstaande tabel.
| Jaren | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | |
| Nominale waarde | 300.000 | 300.000 | 300.000 | 300.000 | 300.000 | |
| Waarde in het economische verkeer per 1-1 | 300.000 | 319.701 | 386.120 | 337.954 | 254.523 | |
| Forfaitair rendement | 18.000 | 19.182 | 23.167 | 20.277 | 15.271 | |
| Vermogensaanwas | 19.701 | 66.419 | -48.166 | -83.430 | 45.477 | |
| Regulier voordeel (contractrente) | 13.500 | 13.500 | 13.500 | 13.500 | 13.500 | |
| Werkelijk rendement | 33.201 | 79.919 | -34.666 | -69.930 | 58.977 |
Solvabiliteit van de schuldenaar
Als de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen kan voldoen, waardoor de kans bestaat dat de vordering niet (geheel) zal worden geïnd, zal dit effect hebben op de waarde in het economische verkeer van een vordering. Naarmate de kans groter is dat de vordering niet kan worden geïnd, zal de waarde in het economische verkeer van een vordering lager zijn (zie o.a. HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5026).
(Niet-)overdraagbaarheid van de vordering
Een vordering is niet altijd feitelijk overdraagbaar. Ook is er niet altijd een markt voor het overdragen van een vordering. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 9, eerste lid, Wet VB 1964 blijkt dat het ontbreken van een markt, er niet toe leidt dat de waarde in het economische verkeer niet moet worden bepaald. Aan de hand van objectieve gegevens dient de waarde in het economische verkeer van de vordering te worden vastgesteld. Subjectieve (persoonlijke) elementen zijn niet van invloed op de waarde in het economische verkeer (Hof Den Haag 23 februari 1994, ECLI:NL:GHSGR:1994:AW3194). Een objectieve methode om de waarde in het economische verkeer vast te stellen is om de contractueel overeengekomen toekomstige rentebetalingen en de aflossingen op de hoofdsom van de vordering contant te maken naar de peildatum van de waardering, tegen een disconteringsvoet die aansluit bij de rentevergoeding die tussen onafhankelijke derde partijen voor een vergelijkbare vordering overeen zou zijn gekomen (de marktrente). Hier doet de niet-verhandelbaarheid van een vordering niet aan af. Een vordering die feitelijk niet kan worden overgedragen, leidt niet per definitie tot een verminderde waarde in het economische verkeer. De waarde van een vordering is niet perse afhankelijk van de verhandelbaarheid van de vordering, maar eerder van de overeengekomen voorwaarden (rente, opeisbaarheid, zekerheden, etc.) en de solvabiliteit van de schuldenaar. Wellicht zijn er situaties denkbaar waarin het niet mogen overdragen van een vordering een waardedrukkende factor vormt. Dit zal per situatie moeten worden bekeken.
Schulden
Voor schulden in de vorm van periodieke uitkeringen gelden afzonderlijke waarderingsregels (artikel 5.23 Wet IB 2001). Voor overige schulden geldt dat deze in aanmerking worden genomen tegen de waarde in het economische verkeer. Voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer moet zo mogelijk worden uitgegaan van uitgangspunten die op datzelfde moment en in een vergelijkbare situatie ook tussen onafhankelijk derde partijen zouden gelden.
Stand van de marktrente
Voor schulden geldt dat als de contractrente op de schuld hoger ligt dan de marktrente van een schuld, de waarde in het economische verkeer van de schuld hoger is dan de nominale waarde. Andersom geldt dat als de contractrente lager ligt dan de marktrente van een schuld, de waarde in het economische verkeer van de schuld lager is dan de nominale waarde. De waarde in het economische verkeer van de schuld kan worden berekend door de contractueel overeengekomen toekomstige rentebetalingen en de aflossingen op de hoofdsom van de schuld contant te maken naar de peildatum van de waardering, tegen een disconteringsvoet die aansluit bij de rentevergoeding die tussen onafhankelijke derde partijen voor een schuld met vergelijkbare voorwaarden overeen zou zijn gekomen (de marktrente). De looptijd van de schuld heeft invloed op de waarde in het economische verkeer. Naarmate de schuld een kortere (resterende) looptijd kent, zal het verschil tussen de nominale waarde en waarde in het economische verkeer kleiner zijn.
Voorbeeld
Voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer van de schuld van belastingplichtige A uit het voorbeeld kan worden uitgegaan van de vergelijking zoals deze hiervoor ook bij het berekenen van de waarde in het economische verkeer van de vordering van belastingplichtige B werd toegepast. Voor de schuld van belastingplichtige A geldt op peildatum daarom in beginsel dezelfde waarde in het economische verkeer als voor de vordering van belastingplichtige B.
Kans op (gedeeltelijke) kwijtschelding
De insolvabiliteit van de schuldenaar leidt op zichzelf staand niet tot een lagere waarde in het economische verkeer van de schuld. Bepalend is de kans op kwijtschelding van de schuld door de schuldeiser. Als op peildatum de kans bestaat dat de lening wordt kwijtgescholden, zal de waarde in het economische verkeer van de schuld lager zijn (HR 1 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2518).
(Niet-)overdraagbaarheid van de schuld
Voor schulden geldt, net als voor vorderingen, dat deze niet altijd feitelijk overdraagbaar zijn en er ook niet altijd een markt is om schulden over te dragen. Evenals bij vorderingen dient op basis van objectieve gegevens de waarde in het economische verkeer van de schuld te worden vastgesteld. Het feit dat een schuld niet overdraagbaar is, is in beginsel niet van invloed op de waarde in het economische verkeer van de schuld.
NB: In de winstsfeer is door de Hoge Raad beslist dat goedkoopmansgebruik zich verzet tegen het in aanmerking nemen van de waarde in het economische verkeer van de schuld op de balans, omdat hiermee lasten uit toekomstige jaren in de jaarwinstberekening worden meegenomen (HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0516). Het ging hierbij om een schuld van een vennootschap die op de balans hoger werd gewaardeerd dan de nominale waarde wegens een lagere rente op de schuld (stamrechtverplichting) dan de marktrente. Ook dit arrest bevestigt dat de marktrente ten opzichte van de contractrente op een schuld van invloed is op de waarde in het economische verkeer van de schuld. Op basis van goedkoopmansgebruik in de winstsfeer wordt dit echter niet in aanmerking genomen. Voor box 3 geldt geen goedkoopmansgebruik. Voor box 3 wordt daarom wel aangesloten bij de waarde in het economische verkeer.
Conclusie
In box 3 dienen vorderingen en schulden voor de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen, tenzij een specifieke waarderingsregel van toepassing is. Bij de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van een vordering of schuld moet zo mogelijk worden uitgegaan van uitgangspunten die op datzelfde moment en in een vergelijkbare situatie ook tussen onafhankelijk derde partijen zouden gelden.
De waarde in het economische verkeer van een niet direct opeisbare vordering of van een schuld met een vaste looptijd (zonder boetevrije vervroegde aflossingsmogelijkheid), kan worden berekend door de contractueel overeengekomen toekomstige rentebetalingen en de aflossingen op de hoofdsom van de vordering of de schuld contant te maken naar de peildatum van de waardering. Bij het contant maken moet een disconteringsvoet in aanmerking worden genomen die aansluit bij de rentevergoeding die tussen onafhankelijke derde partijen voor een vordering of een schuld met vergelijkbare voorwaarden (zoals overeenkomstige looptijd, zekerheden, debiteurenrisico, aflossingsschema, etc.) overeen zou zijn gekomen (de marktrente).
De waarde in het economische verkeer van vorderingen en schulden worden (in beginsel) niet beïnvloed door de niet-verhandelbaarheid ervan.