KG:202:2026:8 Uitgaven kleding- en beddengoed en de fiscale gevolgen als de uitgaven ook onder een andere categorie in aftrek kunnen worden gebracht
Publicatiedatum 03-06-2026, 9:43 | Laatste update 03-06-2026, 9:43 |
Aanleiding
Belastingplichtige lijdt aan een ziekte waardoor belastingplichtige last heeft van urineverlies. Voor dit urineverlies gebruikt belastingplichtige wasbare luiers. De ziekte brengt daarnaast nog extra uitgaven voor kleding, beddengoed en waskosten met zich mee.
Vragen
- Bestaat er een rangorde tussen de verschillende soorten uitgaven voor specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) op grond waarvan uitgaven die onder meerdere categorieën kunnen vallen in aanmerking moeten worden genomen onder één bepaalde categorie?
- Wordt bij de bepaling van de hoogte van de uitgaven voor extra kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001 jo. artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001) rekening gehouden met uitgaven die reeds in aanmerking zijn genomen onder een andere categorie van artikel 6.17 Wet IB 2001?
Antwoorden
- Nee. Er bestaat geen rangorde of volgordelijkheid binnen de categorieën van artikel 6.17, eerste lid, Wet IB 2001. Wanneer bepaalde uitgaven onder meerdere categorieën kunnen vallen, kan de belastingplichtige kiezen onder welke categorie de uitgaven worden aangegeven.
- Ja. Belastingplichtige mag bij het bepalen van de hoogte van de uitgaven voor extra kleding en beddengoed geen uitgaven betrekken die reeds in aanmerking zijn genomen onder een andere categorie van artikel 6.17 Wet IB 2001.
Beschouwing
Wettelijk kader
Op grond van artikel 6.1 Wet IB 2001 is de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Uitgaven voor specifieke zorgkosten worden op grond van artikel 6.1, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001 aangemerkt als persoonsgebonden aftrekposten.
Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel e, Wet IB 2001 worden onder voorwaarden uitgaven voor andere hulpmiddelen aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het gaat daarbij om uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan. Daarnaast betreft het hulpmiddelen die van zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.
Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel h, Wet IB 2001, worden onder voorwaarden uitgaven voor extra kleding en beddengoed aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het gaat daarbij eveneens om uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan. Ook daarmee samenhangende extra uitgaven vallen hieronder. Hiervoor gelden regels die bij ministeriële regeling zijn vastgesteld.
Op grond van artikel 38 URIB 2001 worden uitgaven voor extra kleding, beddengoed en daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001 in aanmerking genomen voor een laag of hoog forfaitair bedrag.
Uitgaven die in meerdere categorieën kwalificeren
Een belastingplichtige kan er fiscaal belang bij hebben om uitgaven in een bepaalde categorie van artikel 6.17, eerste lid, Wet IB 2001 onder te brengen. Het kan zijn dat de uitgaven voor (extra) kleding, beddengoed en waskosten reeds voldoende zijn om in aanmerking te komen voor het hoge forfaitaire bedrag aan uitgaven voor extra kleding en beddengoed. In dat geval komt belastingplichtige ook zonder dat de aanschafkosten van de wasbare luiers worden meegenomen in aanmerking voor het hoge forfaitaire bedrag dat is genoemd in artikel 38, eerste lid, URIB 2001. Het kan ook zijn dat de aanschafkosten van de wasbare luiers juist nodig zijn om voor het hoge forfaitaire bedrag van de uitgaven voor extra kleding en beddengoed in aanmerking te komen.
Uit de letterlijke tekst noch strekking van artikel 6.17 Wet IB 2001 is af te leiden dat de volgorde waarin de uitgaven worden benoemd van belang is. Ook het stelsel van de Wet IB 2001 verzet zich niet tegen een vrije keuze. De rangordebepaling van artikel 2.14, eerste lid, Wet IB 2001 is alleen van toepassing op hoofdstukken, afdelingen en paragrafen en niet op specifieke artikelen binnen de afdelingen en paragrafen zoals artikel 6.17 Wet IB 2001. A contrario kan dit ook worden afgeleid uit artikel 1.2, derde lid, Wet IB 2001 waarin specifiek is geregeld dat de in het eerste lid, eerstgenoemde categorie bepalend is voor op grond van welke noemer er sprake is van fiscaal partnerschap. Dit impliceert dat als de wetgever voor artikel 6.17 Wet IB 2001 een rangorde wenselijk had geacht, dit zou zijn opgenomen in de wettelijke bepaling van artikel 6.17 Wet IB 2001.
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen onder welke categorie van artikel 6.17 Wet IB 2001 uitgaven in aanmerking worden genomen, wanneer de uitgaven voldoen aan de voorwaarden van meerdere van de in dat artikel genoemde categorieën. Binnen de verschillende categorieën bestaat geen rangorde of volgordelijkheid.
Het is echter niet mogelijk dat de betreffende uitgaven direct of indirect meerdere keren in aanmerking worden genomen als uitgaven voor specifieke zorgkosten. De kosten drukken op grond van artikel 6.1 Wet IB 2001 immers ook maar één keer op belastingplichtige. Dit betekent dat het niet mogelijk is om enerzijds de aanschafkosten van wasbare luiers in aanmerking te nemen onder de uitgaven voor andere hulpmiddelen en deze aanschafkosten anderzijds (indirect) in aanmerking te nemen bij de berekening van de uitgaven voor extra kleding en beddengoed.
Overige voorwaarden
Ten overvloede wordt opgemerkt dat voor het in aanmerking nemen van uitgaven voor specifieke zorgkosten ook is vereist dat aan de overige voorwaarden voor aftrek is voldaan. De uitgaven moeten op grond van artikel 6.1 Wet IB 2001 op de belastingplichtige drukken en de belastingplichtige moet zich redelijkerwijs gedrongen hebben kunnen voelen tot het doen van de uitgaven. Daarnaast worden de uitgaven voor specifieke zorgkosten enkel in aanmerking genomen indien (of voor zover) geen aftrekbeperking van artikel 6.18 Wet IB 2001 van toepassing is en voor zover de uitgaven meer bedragen dan de drempel van artikel 6.20 Wet IB 2001.