KG:011:2026:4 Uittreedgelden bij coöperatie
Publicatiedatum 12-06-2026, 15:21 | Laatste update 12-06-2026, 15:22 |
Aanleiding
Belastingplichtige is een productie-/verwerkingscoöperatie. Aangesloten leden leveren de grondstoffen aan en de coöperatie verwerkt deze vervolgens tot producten. De leden bestaan zowel uit rechtspersonen als natuurlijke personen. Statutair is het volgende geregeld:
- De leden hebben een leveringsrecht en leveringsplicht tegenover de coöperatie. Dit betekent dat de leden enerzijds het recht hebben om een bepaalde hoeveelheid grondstoffen aan de coöperatie te leveren en anderzijds de verplichting hebben om dit te doen.
- Een lid kan zijn lidmaatschapsrechten overdragen aan een derde na voorafgaande goedkeuring van het bestuur.
- Het is mogelijk om de lidmaatschapsrechten aan de coöperatie over te dragen. In dat geval vervalt de aanspraak op het bij aanvang van het lidmaatschap betaalde inleggeld. Ook is dan door het lid uittreedgeld verschuldigd, in verband met het vervallen van zijn leveringsverplichting.
- Zowel het inleggeld als het uittreedgeld betreft een vast bedrag per lidmaatschapsrecht. Deze bedragen zijn in de afgelopen paar decennia niet geïndexeerd.
Vanwege de leveringsplicht en de ongunstige marktprijzen is de waarde in het economisch verkeer van de lidmaatschapsrechten negatief.
Vraag
Is het uittreedgeld dat een coöperatie ontvangt van uittredende leden voor de vennootschapsbelasting te kwalificeren als een kapitaalstorting?
Antwoord
Nee. Uittreedgelden ontvangen van vertrekkende leden kwalificeren niet als kapitaalstorting. Deze ontvangen uittreedgelden verhogen daarom de belastbare winst van de coöperatie.
Beschouwing
Wettelijk kader
De coöperatie is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Het belastbare bedrag wordt bepaald op basis van de in een jaar genoten winst.
In artikel 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) is opgenomen hoe de winst moet worden opgevat en bepaald. Het artikel verwijst onder andere naar artikel 3.8 Wet Inkomstenbelasting 2001. Dit artikel luidt als volgt:
“Artikel 3.8
Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.”
Er is geen specifieke fiscale wetgeving die ingaat op de vraag hoe de betaling van uittreedgelden moet worden geduid.
Parlementaire geschiedenis
De volgende citaten uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet Vpb 1969 geven enig zicht op hoe de wetgever de belastingheffing van coöperaties destijds wilde vormgeven:
“Naar aanleiding van deze beschouwingen over het tweeledige karakter van de coöperatie menen de ondergetekenden ervan te moeten uitgaan dat ten aanzien van de belastingheffing van de coöperaties een zoveel mogelijk neutrale houding dient te worden ingenomen. Gegeven de heffing van een zelfstandige vennootschapsbelasting van de ondernemingswinsten van lichamen houdt dit allereerst in het streven naar gelijke fiscale lasten voor coöperaties en andere lichamen.
(…)
Het hiervoren weergegeven uitgangspunt betekent, naar het oordeel van de ondergetekenden, dat de coöperaties, voor zover zij in het economische verkeer als zelfstandige ondernemingseenheden concurreren met naamloze vennootschappen en andere lichamen, op gelijke voet voor haar bedrijfsresultaten in de vennootschapsbelasting moeten worden betrokken. Aan de andere kant leidt de oorspronkelijke aard van de coöperatieve onderneming, gegroeid uit bestaande activiteiten van de persoonlijke huishoudingen van de coöperatieleden en tot op zekere hoogte ook thans nog van die ledenhuishoudingen een economisch verlengstuk uitmakend, ertoe de coöperatie, voor zover zij zich ten aanzien van de huishoudingen van haar leden niet verzelfstandigd heeft, voor de winst van het coöperatieve productieproces buiten de heffing van de vennootschapsbelasting te laten.
(…)
Zijn in het vorenstaande de aanknopingspunten gegeven voor een ten opzichte van de coöperaties zoveel mogelijk neutraal ingesteld regime van de vennootschapsbelasting, de nadere uitwerking daarvan tot een doelmatige en goed hanteerbare wettelijke regeling doet een tweetal hoofdvragen rijzen. De eerste betreft de vaststelling van de totale fiscale jaarwinst van de coöperatieve onderneming op basis van prijzen waaruit de invloed van het lidmaatschap van klant of leverancier is geëlimineerd. (…)”
Kamerstukken II 1959/60, 6000, nr. 3, p. 9-10
"Een verantwoord fiscaal beleid eist naar de mening van ondergetekenden niet alleen dat bij de belastingheffing van de coöperaties rekening wordt gehouden met de concurrerende positie van deze organisaties tegenover N.V. ‘s doch eveneens met de mate waarin het productieproces de coöperatieve en ledenhuishoudingen zijn geïntegreerd."
Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 9, p. 14 lk
Via de verlengstukwinstregeling heeft de wetgever rekening gehouden met de bijzondere positie van de coöperatie. De wetgever wil coöperaties, voor zover zij in het economische verkeer als zelfstandige ondernemingseenheden concurreren met belastingplichtige lichamen, op gelijke voet als de belastingplichtige lichamen voor haar bedrijfsresultaten in de vennootschapsbelasting betrekken. Voor zover een coöperatie een economisch verlengstuk is van de huishoudingen van haar leden en zich niet verzelfstandigd heeft, beoogt de wetgever de coöperatie buiten de heffing van vennootschapsbelasting te laten. Hiervoor is de verlengstukwinstregeling ingevoerd. Het deel van de winst dat buiten de heffing moet worden gelaten (verlengstukwinst), wordt op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel f, Wet Vpb 1969 forfaitair bepaald. Verder geldt voor een coöperatie het reguliere winstbegrip van artikel 3.8 Wet IB 2001.
Dat artikel 3.8 Wet IB 2001 ook van toepassing is op coöperaties, is nog eens benadrukt in de hieronder geciteerde parlementaire geschiedenis. Hier wordt toegelicht waarom een bijzondere prijscorrectie tot uitschakeling van de invloed van het lidmaatschap wordt teruggenomen. Die prijscorrectie was aanvankelijk in het wetsvoorstel opgenomen en daarmee week de bewijslast af van die uit de hoofdregel van artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (thans artikel 3.8 Wet IB 2001).
“De ondergetekenden geven er dan ook de voorkeur aan te blijven bij de huidige praktijk, die de mogelijkheid tot prijscorrecties doet stoelen op de — ook voor andere ondernemingsvormen dan coöperaties geldende — algemene regel, neergelegd in art. 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De uitsluitend voor coöperaties dwingend voorgeschreven correctieplicht wordt dan teruggebracht tot een algemene correctiebevoegdheid.”
Kamerstukken II 1967/68, 6000, nr. 17, p. 7-8
Rechtspraak
In zijn arrest HR 16 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY2748, BNB 1954/30 overwoog de Hoge Raad dat al wat gepresteerd moet worden om lid van de coöperatie te kunnen worden, als kapitaalstorting kwalificeert. Hieruit blijkt dat kapitaalverstrekkingen door de leden aan de coöperatie mogelijk zijn. Het maakt daarbij niet uit of bij beëindiging van het lidmaatschap terugbetaling van het gestorte bedrag plaatsvindt of niet:
"O. dat al wat degeen, die als lid tot een cooperatieve vereniging wil toetreden, uitsluitend ter verkrijging van de lidmaatschapsrechten bij de toetreding in geld of andere zaken aan de vereniging praesteren moet, als kapitaalverstrekking in aanmerking komt; (...)
dat daaraan niet kan afdoen, dat in de statuten tussen entreegeld en inleggeld onderschied wordt gemaakt en wat het eerste betreft niet, doch wat het laatste betreft wel, aan het lid na beeindiging van het lidmaatschap aanspraak op uitkering van het gestorte bedrag - na aftrek van zijn aandeel in een eventueel verliessaldo - is toegekend; "
In HR 8 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AX4072, BNB 1975/54 besloot de Hoge Raad dat een korting die door een coöperatie weliswaar alleen wordt verleend aan haar leden, deel uitmaakt van de kosten. De korting hoeft niet alsnog te worden gecorrigeerd ter bepaling van de fiscale winst, omdat zij is gegeven met het oog op het zakelijk belang van de onderneming:
“dat het Hof, uitgaande van zijn oordeel dat de korting werd toegekend met het oog op de zakelijke belangen van belanghebbendes onderneming, terecht heeft beslist dat het daarmee gemoeide bedrag niet in belanghebbendes winst had mogen worden begrepen;
dat immers dit bedrag, dat uitgegeven is met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming, deeluitmaakt van de kosten die bij de bepaling van de winst ten laste van de winst komen”
Literatuur
Fiscale literatuur
In de fiscale literatuur is slechts beperkt geschreven over de kwalificatie van de ontvangst van uittreedgelden.
In de fiscale encyclopedie De Vakstudie, onderdeel Vennootschapsbelasting, Wolters Kluwer, is de volgende aantekening (aantekening 308.6.5) opgenomen bij artikel 9 Wet Vpb 1969 (tekst 24 april 2026):
“Het uittreedgeld moet gezien worden als een door het uittredende lid aan de coöperatie te betalen schadeloosstelling. De statutaire uittredingsvoorwaarden garanderen het nakomen van de verplichtingen door de leden en beschermen de coöperatie tegen een plotselinge leegloop. Het door de coöperatie ontvangen uittreedgeld maakt deel uit van haar fiscale winst.”
In het Fiscaal Zakboek, onderdeel Vennootschapsbelasting, paragraaf 9.6.10.4, Wolters Kluwer, is een nagenoeg identieke tekst opgenomen (tekst 24 april 2026):
“Het uittreedgeld moet gezien worden als een door het uittredende lid aan de coöperatie te betalen schadeloosstelling. De statutaire uittredingsvoorwaarden garanderen het nakomen van de verplichtingen door de leden en beschermen de coöperatie tegen een plotselinge leegloop. Het door de coöperatie ontvangen uittreedgeld behoort tot haar fiscale winst.”
J.T.L. Nillesen & H.T.P.M. van den Hurk, Belastingheffing van coöperaties (Fed Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2018 gaan in paragraaf 6.4.2.4 in op de leveringsplicht van het lid, de verschuldigdheid van uittreedgeld en de fiscale gevolgen als de leden bij een algemene ledenvergadering zouden besluiten het uittreedgeld af te schaffen. Ook zij zien voor de winstbepaling de leveringsplicht (en impliciet de uittreedgelden) niet als onderdeel van de lidmaatschapsverhouding, van de kapitaalsfeer. Onderstaand zijn enige relevante passages opgenomen:
“Dikwijls wordt de leveringsplicht gekoppeld aan de heffing van een uittreedgeld, indien het lid zijn lidmaatschap opzegt. De leveringsplicht zou immers wel heel eenvoudig kunnen worden omzeild door de opzegging van het lidmaatschapsrecht. Het uittreedgeld fungeert als een vergoeding of compensatie die het lid aan de coöperatie moet betalen vanwege de onderbezettingverliezen die door zijn vertrek bij de coöperatie dreigen te ontstaan.”
(…)
“Hiervoor hebben wij de conclusie van A-G Van Soest aangehaald bij BNB 1989/114. In dit arrest betrof het een vennootschap die was opgericht om diensten te verrichten voor haar aandeelhouders. Van Soest geeft in zijn conclusie aan dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen wat de vennootschap aan haar opdrachtgevers als zodanig doet toekomen en wat de vennootschap doet toekomen aan haar aandeelhouders als zodanig. Voor dit onderscheid acht Van Soest het formele kenmerk, of de uitkeringen naar rato van de opdrachten dan wel naar rato van de aandelen worden gedaan, niet beslissend. De aandeelhouder die in staat is te bedingen dat hij voor zijn opdrachten lage prijzen betaalt, bedingt dat voordeel naar de mening van Van Soest als aandeelhouder. Bij een coöperatie ligt de problematiek niet anders.”
(…)
“Uit BNB 1955/393 en BNB 1975/54 blijkt dat de aard van de klandizie van de coöperatie geïsoleerd kan en moet worden gezien van de eraan ten grondslag liggende lidmaatschapsverhoudingen. De kwaliteit van leverancier van de coöperatie wordt niet door het lidmaatschap geabsorbeerd. Hierbij komt dat een statutaire leveringsplicht geenszins inherent is aan een lidmaatschap van een verwerkingscoöperatie. Naar onze mening kan hieruit worden geconcludeerd dat het beëindigen van de statutaire leveringsplicht als zodanig niet behoeft te leiden tot de conclusie dat er sprake is van een bevoordeling door de coöperatie van haar leden.”
Overige literatuur
Een statutaire verplichting tot de betaling van uittreedgeld is gestoeld op artikel 2:60 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Onderstaand enige relevante passages uit T&C Ondernemingsrecht, commentaar op artikel 2:60 BW, Wolters Kluwer (tekst 24 april 2026):
“Vrijheid van uittreding is een dwingendrechtelijk kenmerk van een vereniging (zie art. 2:35 lid 1 en 2:36 lid 1 BW). Deze bepalingen gelden ook voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:53a lid 1). (…) Op de vrijheid van uittreding is bij de coöperatie een uitzondering mogelijk, maar slechts in beperkte mate. (…) Het artikel stelt drie eisen voor aan de uittreding te stellen voorwaarden:
a. de vrijheid blijft behouden (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 9 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2308, waarin de uittreedvoorwaarde feitelijk een uittredingsverbod inhield);
b. de voorwaarden liggen vast in de statuten;
c. de voorwaarden zijn in overeenstemming met doel en strekking van de coöperatie
(…) Voorbeelden van in beginsel toelaatbare voorwaarden zijn de verplichting uittreedgeld te betalen (…)”
Beoordeling
Uit de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever destijds bij de invoering van de Wet Vpb 1969 het tweeledige karakter van de coöperatie onderkend heeft (verlengstuk van de leden(huishouding) tegenover het zelfstandige karakter van de coöperatie). De wetgever heeft in de basis gekozen voor een zelfstandige belastingplicht voor coöperaties die gelijk is aan andere rechtsvormen. Op grond van het totaalwinstbeginsel moet voor de winstbepaling worden onderscheiden of een prestatie van een lid haar oorsprong vindt in de kapitaalsfeer dan wel in de ondernemingssfeer, dat wil zeggen in de hoedanigheid van lid of in de hoedanigheid van leverancier c.q. afnemer. Ook uit de rechtspraak, met name BNB 1975/54, volgt dat bij rechtshandelingen tussen de coöperatie en de leden moet worden getoetst of zij plaatsvinden in de ondernemingssfeer of in de kapitaalsfeer.
Voormelde maakt dat op het moment dat een lid uittreedt, beoordeeld zal moeten worden in welke hoedanigheid het lid het uittreedgeld aan de coöperatie betaalt. Is dat in zijn hoedanigheid als lid of als leverancier c.q. afnemer?
In de (beperkte) fiscale literatuur wordt algemeen het standpunt ingenomen dat uittreedgelden betrekking hebben op de leverancier c.q. afnemer hoedanigheid van het lid.
Wat betreft de civielrechtelijke uitleg van de statuten van belastingplichtige staat vast dat de regeling van de uittreedgelden verband houdt met de verplichting van het lid als leverancier. Er is geen grond om hier voor de fiscale winstbepaling van af te wijken. Het argument dat leden bij toetreding al bekend waren met de verplichting en ermee ingestemd hebben, doet hier niet aan af. De daadwerkelijke betaling van het uittreedgeld staat in een te ver verwijderd verband van de oorspronkelijke toetreding als lid om nog in samenhang te kunnen worden bezien. Ook de opbouw van de statuten en het feit dat het bedrag nimmer geïndexeerd is, doen aan voormelde conclusie niet af. Voor de fiscale winstbepaling wordt namelijk louter gekeken naar de hoedanigheid waarin wordt betaald (optreden als lid dan wel als leverancier c.q. afnemer).
Gezien bovenstaande is de conclusie dat de betaling van de uittreedgelden een betaling is vanuit de hoedanigheid als leverancier. Dit maakt dat de ontvangen uittreedgelden bij de coöperatie geen kapitaalstorting vormen, maar onderdeel zijn van de fiscale winst.