KG:023:2026:3 Onzakelijke lening: kwalificatie van neerwaartse renteaanpassing naar vuistregelrente en artikel 8bb Wet Vpb 1969
Publicatiedatum 17-06-2026, 19:08 | Laatste update 17-06-2026, 19:08 |
Aanleiding
Een belastingplichtige verstrekt een lening van € 1.000 aan haar in het buitenland belastingplichtige 100%-deelneming. De lening kwalificeert als een onzakelijke lening als bedoeld in HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442. Voor de fiscale winstberekening gaat de belastingplichtige uit van de zogenoemde vuistregelrente van 3% (€ 30), terwijl de overeengekomen rente 5% (€ 50) bedraagt. De deelneming brengt de overeengekomen rente volledig ten laste van haar fiscale winst.
Vragen
- Is de neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente van 5% op de onzakelijke lening naar de gehanteerde vuistregelrente van 3% aan te merken als een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel?
- Is artikel 8bb van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) van toepassing op de neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente van 5% op de onzakelijke lening naar de gehanteerde vuistregelrente van 3%?
Antwoorden
- Ja. De aanpassing van de overeengekomen rente van 5% naar de gehanteerde vuistregelrente van 3% moet worden aangemerkt als een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel.
- Ja. Er is sprake van een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 8ba Wet Vpb 1969. Artikel 8bb Wet Vpb 1969 is hierop van toepassing. Bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige blijft de neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente van 5% naar de vuistregelrente van 3% (€ 20) daarom buiten aanmerking.
Beschouwing
Vraag 1
Wettelijk kader
Op grond van artikel 8 Wet Vpb 1969 wordt de winst opgevat en bepaald op de voet van onder meer artikel 3.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). In artikel 3.8 Wet IB 2001 is bepaald dat winst het bedrag is van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming.
Het at arm's length-beginsel maakt onderdeel uit van het winstbegrip van artikel 3.8 Wet IB 2001 en is voor de vennootschapsbelasting gecodificeerd in artikel 8b Wet Vpb 1969. Artikel 8b Wet Vpb 1969 bepaalt het volgende. Een lichaam kan, onmiddellijk of middellijk, deelnemen aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam. Tussen deze lichamen kunnen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. In dat geval wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
Kamervragen
In antwoorden op Kamervragen is door Staatssecretaris van Financiën opgemerkt dat ook bij onzakelijke geldleningen voor fiscale doeleinden een at arm’s length rente in aanmerking moet worden genomen en dat de rente voor onzakelijke geldleningen wordt bepaald via de borgstellingsfictie (Kamerstukken II, 2023/24, Aanhangsel, nr. 2461, p. 6-7):
“Van een onzakelijke lening is kortgezegd sprake wanneer een lening in gelieerde verhoudingen een onzakelijk debiteurenrisico heeft dat is ingegeven door die gelieerde verhoudingen. Het onzakelijke karakter van de lening leidt er niet toe dat deze lening voor fiscale doeleinden wordt geherkwalificeerd in eigen vermogen. Met andere woorden: een onzakelijke lening is vreemd vermogen voor belastingdoeleinden. De door de geldverstrekker ontvangen rente is dan belast en de door de ontvanger aan de geldverstrekker betaalde rente is in beginsel aftrekbaar. Net als voor zakelijke geldleningen geldt voor onzakelijke leningen dat voor fiscale doeleinden een at arm’s length rente in aanmerking moet worden genomen. Voor onzakelijke geldleningen wordt de rente bepaald met een zogenoemde borgstellingsfictie: de rente wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden, indien zij met een borgstelling van een concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen.8"
Voetnoten in dit citaat:
8) Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, r.o. 3.3.4
Rechtspraak
In onder meer zijn arrest van 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442 gaat de Hoge Raad in op de zogenoemde ‘onzakelijke lening’. De Hoge Raad hanteert de vuistregel dat de rente op een onzakelijke lening wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden indien zij met een borgstelling van de concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen (‘vuistregelrente’).
Aanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel
In deze casus is door de belastingplichtige aan haar deelneming een onzakelijke lening verstrekt. Voor de fiscale winstberekening is de vuistregelrente in aanmerking genomen. Deze is lager dan de overeengekomen rente. De aanpassing van de overeengekomen rente op de onzakelijke lening naar de gehanteerde vuistregelrente, moet worden aangemerkt als neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel. Dat wordt als volgt toegelicht.
Uit HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442 volgt dat voor de fiscale winstberekening, indien bij een geldlening tussen gelieerde partijen de rente niet in overeenstemming met het at arm’s length-beginsel is vastgesteld, moet worden uitgegaan van een rente die wel aan dat criterium voldoet (r.o. 3.3.2). Indien onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken zonder dat de geldlening in wezen winstdelend wordt, is sprake van een onzakelijke lening (r.o. 3.3.3). Voor de fiscale winstberekening dwingt het at arm’s length-beginsel echter tot het in aanmerking nemen van een zakelijke rente (r.o. 3.3.2). De Hoge Raad geeft een andere methode om, als gevolg van het ontbreken van een derde-vergelijking onder dezelfde voorwaarden, voor de fiscale winstberekening een rente te bepalen die aansluit bij de at arm’s length-benadering. De Hoge Raad geeft voor de in aanmerking te nemen rente op een onzakelijke lening – mede om redenen van eenvoud – een praktische vuistregel. De in aanmerking te nemen rente wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden indien zij met een borgstelling van de concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen (r.o. 3.3.4). De vuistregel wordt dan ook gehanteerd bij gebrek aan een beter bepaalbare verzakelijking onder de gegeven omstandigheden.
Indien de overeengekomen rente afwijkt van de vuistregelrente, wordt de winst bepaald alsof de vuistregelrente is overeengekomen. De aanpassing van de overeengekomen rente naar de vuistregelrente is daarmee een aanpassing van de rente als voorwaarde van de rechtsverhouding tussen gelieerde lichamen. Deze aanpassing kwalificeert als een (in dit geval) neerwaartse aanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel.
Het vorenstaande komt overeen met het hiervoor opgenomen antwoord van de Staatssecretaris van Financiën op Kamervragen van de leden Maatoug en Stultiens. Daarin is aangegeven dat voor onzakelijke leningen – net als voor zakelijke leningen – fiscaal een at arm’s length rente in aanmerking moet worden genomen.
Vraag 2
Wettelijk kader
Artikel 8bb Wet Vpb 1969 is ingevoerd met ingang van 1 januari 2022 als onderdeel van de maatregelen van de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in de vennootschapsbelasting. De tekst van artikel 8bb Wet Vpb 1969 luidt voor zover van belang als volgt:
“1. Bij het bepalen van de winst blijft buiten aanmerking een neerwaartse aanpassing van de winst ter zake van een onderlinge rechtsverhouding tussen de belastingplichtige en een aan hem gelieerd lichaam voor zover de belastingplichtige niet aannemelijk maakt dat ter zake van die rechtsverhouding bij dat gelieerde lichaam een corresponderende opwaartse aanpassing wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting.
2. Een neerwaartse aanpassing van de winst is het ingevolge het zakelijkheidsbeginsel in aanmerking nemen van hogere lasten dan wel lagere baten ter zake van een onderlinge rechtsverhouding dan de lasten, onderscheidenlijk de baten, die op basis van de overeengekomen of opgelegde voorwaarden ter zake van die rechtsverhouding in aanmerking zouden worden genomen bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige.”
Het begrip ‘zakelijkheidsbeginsel’ in de zin van artikel 8bb, tweede lid, Wet Vpb 1969 is in artikel 8ba Wet Vpb 1969 gedefinieerd als:
“het bepalen van de winst overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en art. 8b [Wet Vpb 1969].”
Parlementaire behandeling
In de wetsgeschiedenis is door de wetgever bij de totstandkoming van artikel 8ba e.v. Wet Vpb 1969 onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken 2021/22, 35933, nr. 3, p. 20 en Kamerstukken I, 2021/22, 35933, E, p. 4-5):
“Het voorgestelde artikel 8ba, onderdeel a, Wet Vpb 1969 bevat de definitie van het zakelijkheidsbeginsel voor de toepassing van de voorgestelde maatregelen, namelijk het bepalen van de winst overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 8b Wet Vpb 1969. Dat betekent dat in dit verband onder het «zakelijkheidsbeginsel» wordt verstaan: het zakelijkheidsbeginsel zoals dat is verwoord in de jurisprudentie over de vraag of een voordeel onderdeel is van de totaalwinst op grond van artikel 8, eerste lid, Wet Vpb 1969 juncto artikel 3.8 Wet IB 2001 en ook is gecodificeerd in artikel 8b Wet Vpb 1969.”
“Dit wetsvoorstel ziet primair op mismatches die betrekking hebben op een verschil in verrekenprijzen en, zonder toepassing van de voorgestelde maatregelen, tot dubbele niet-heffing leiden.”
Aanpassing overeengekomen rente naar vuistregelrente
In deze casus gaat de belastingplichtige jaarlijks uit van de zogenoemde vuistregelrente van 3% (€ 30), terwijl de overeengekomen rente 5% (€ 50) bedraagt. De in het buitenland belastingplichtige deelneming brengt de overeengekomen rente jaarlijks ten laste van haar fiscale winst; een corresponderende opwaartse aanpassing blijft daarbij achterwege. Op de neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente van 5% naar de vuistregelrente van 3% (€ 20 lagere baten) is artikel 8bb Wet Vpb 1969 van toepassing. Dat wordt als volgt toegelicht.
Zoals uit het antwoord op vraag 1 blijkt, wordt de aanpassing van de overeengekomen rente op de onzakelijke lening naar de gehanteerde vuistregelrente aangemerkt als een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 8ba Wet Vpb 1969 (artikel 3.8 Wet IB 2001 en artikel 8b Wet Vpb 1969). Uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis volgt dat daarmee artikel 8bb, eerste lid, Wet Vpb 1969 van toepassing is op deze neerwaartse aanpassing. Er wordt namelijk ter zake van de rechtsverhouding ook geen corresponderende opwaartse aanpassing bij de (gelieerde) deelneming betrokken in een naar de winst geheven belasting. Dit sluit ook aan bij de in de wetsgeschiedenis beschreven doelstelling van artikel 8bb Wet Vpb 1969 om mismatches te voorkomen die zonder toepassing van die bepaling tot dubbele niet-heffing kunnen leiden. In de onderhavige casus zou van een dergelijke mismatch zonder toepassing van artikel 8bb Wet Vpb 1969 sprake zijn.
Het voorgaande betekent dat de neerwaartse aanpassing van € 20 bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige buiten aanmerking blijft.