KG:206:2026:2 Vergoeden belastingrente op grond van artikel 30ha, derde lid, AWR
Publicatiedatum 01-07-2026, 16:43 | Laatste update 01-07-2026, 16:43 |
Aanleiding
Casus 1
Belastingplichtige is over het tijdvak vierde kwartaal 2023 uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen, uiterlijk in te dienen op 31 januari 2024. Belastingplichtige dient op 10 januari 2024 – via een aangifte tot een negatief bedrag – tijdig een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) van € 100.000 in. De inspecteur wijst het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting (gedeeltelijk) af door middel van het vaststellen van een (voor bezwaar vatbare) teruggaafbeschikking van € 20.000, met dagtekening 1 februari 2024. Belastingplichtige maakt daartegen op 8 april 2024 bezwaar. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 18 mei 2024 verklaart de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Tevens kwalificeert hij het te late bezwaar als een verzoek om ambtshalve teruggaaf op grond van paragraaf 23, zevend lid, onderdeel c, Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB) en verleent hij ambtshalve alsnog een (aanvullende) teruggaaf van omzetbelasting van € 80.000.
Casus 2
Belastingplichtige is over het tijdvak vierde kwartaal 2023 uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen, uiterlijk op 31 januari 2024. Belastingplichtige dient op 10 april 2024, buiten de wettelijke (aangifte)termijn, een aangifte in over het betreffende tijdvak. Belastingplichtige verzoekt daarbij als bedoeld in artikel 31 Wet OB 1968 om een teruggaaf van omzetbelasting van € 100.000. De inspecteur wijst het teruggaafverzoek af wegens niet-tijdigheid en stelt vervolgens met dagtekening 5 juni 2024 op grond van paragraaf 23, zevende lid, onderdeel c, BFB ambtshalve een teruggaafbeschikking vast naar een bedrag van € 20.000. Tegen deze beslissing komt belastingplichtige op 1 augustus 2024 in bezwaar. De inspecteur verklaart dit bezwaar met dagtekening 12 september 2024 niet-ontvankelijk en verleent ambtshalve alsnog een (aanvullende) teruggaaf van omzetbelasting van € 80.000.
De inspecteur vraagt zich in beide gevallen af of hij op grond van artikel 30ha, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) belastingrente moet vergoeden.
Vragen
- Is artikel 30ha, derde lid, van de AWR van toepassing indien de inspecteur, nadat hij een tijdig verzoek om teruggaaf van omzetbelasting geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen, op een later tijdstip alsnog geheel of gedeeltelijk ambtshalve teruggaaf van omzetbelasting verleent?
- Is artikel 30ha, derde lid, van de AWR van toepassing indien de inspecteur, nadat hij ambtshalve niet of slechts gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan een buiten de wettelijke termijn ingediend verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, op een later tijdstip alsnog geheel of gedeeltelijk ambtshalve teruggaaf verleent?
Antwoorden
- Nee
- Nee
Beschouwing
Wettekst en wetsgeschiedenis artikel 30ha, derde lid, AWR
Artikel 30ha, derde lid, van de AWR luidt als volgt:
“Met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen wordt ook belastingrente vergoed indien een afwijzende beschikking op een verzoek om een teruggaaf wordt vervangen door een teruggaafbeschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek om de teruggaaf, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking.”
Gelet op de wettekst dient dus sprake te zijn van een ‘afwijzende beschikking op een verzoek om teruggaaf’, die op een later moment wordt vervangen door een ‘teruggaafbeschikking’.
Tijdens de parlementaire behandeling is ten aanzien van artikel 30ha, derde lid, AWR het volgende opgemerkt (MvT, Kamerstukken II, 2011/12, 33003, nr. 3, p. 128):
“Ook als er sprake is van een afwijzende beschikking op een verzoek om een teruggaaf die later wordt vervangen door een teruggaafbeschikking, wordt belastingrente vergoed, zo bepaalt het derde lid van artikel 30ha van de AWR. De belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt acht weken na de ontvangst van het verzoek om de teruggaaf en eindigt veertien dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking.”
Deze toelichting werpt geen licht op de door de wetgever voorgestane reikwijdte van artikel 30ha, derde lid, AWR of de uitleg van de termen ‘teruggaafbeschikking’, ‘afwijzende beschikking’ en ‘verzoek om teruggaaf’ in de context van deze wetsbepaling. Uit de wetsgeschiedenis kan daarom niet worden opgemaakt welke situaties de wetgever voor ogen heeft gehad.
De wettekst van artikel 30ha, derde lid, AWR impliceert – ten opzichte van het eerste lid – een uitbreiding van het aantal gevallen waarin belastingrente wordt vergoed. Dit kan worden opgemaakt uit de term ‘ook’ in de eerste volzin van voornoemde wetsbepaling.
Verband tussen ‘verzoek’, ‘afwijzende beschikking’ en ‘teruggaafbeschikking’
De toepassing van artikel 30ha, derde lid, AWR vereist dat de teruggaafbeschikking wordt genomen ter vervanging van een afwijzende beschikking op een verzoek om teruggaaf. De term ‘vervangen’ veronderstelt dat zowel de afwijzende beschikking als de daaropvolgende teruggaafbeschikking voortvloeien uit hetzelfde (teruggaaf)verzoek. Er moet dus een verband bestaan tussen (de strekking van) de teruggaafbeschikking, de eerdere afwijzende beschikking en het verzoek om teruggaaf. Zodra het verzoek om (ambtshalve) teruggaaf heeft geleid tot een onherroepelijk vaststaande afwijzende beschikking, kan een later vastgestelde (ambtshalve) teruggaafbeschikking, bijvoorbeeld naar aanleiding van een niet-ontvankelijk bezwaar, niet meer dienen ter vervanging van de eerdere afwijzende beschikking. Deze teruggaafbeschikking vloeit in dat geval namelijk voort uit een nieuw verzoek om (ambtshalve) teruggaaf.
Het voorgaande brengt met zich dat artikel 30ha, derde lid, AWR in de praktijk van toepassing is in de situatie dat de inspecteur een afwijzende beschikking neemt naar aanleiding van een binnen de wettelijke termijn ingediend teruggaafverzoek. Belanghebbende dient vervolgens tijdig bezwaar te maken tegen de (afwijzende) teruggaafbeschikking, waarna de inspecteur geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt aan dit bezwaar door alsnog een (gedeeltelijke) teruggaaf te verlenen. In andere gevallen zal de toepassing van artikel 30ha, derde lid, AWR afstuiten op de voorwaarde dat de teruggaafbeschikking dient ter ‘vervanging’ van de afwijzende beschikking.
Conclusie
In de eerste casus is de (afwijzende) teruggaafbeschikking van de inspecteur onherroepelijk geworden door het verstrijken van de bezwaartermijn. Het buiten de bezwaartermijn ingediende bezwaar heeft weliswaar geleid tot een (aanvullende) ambtshalve teruggaafbeschikking, maar deze beschikking dient niet ter vervanging van de (afwijzende) teruggaafbeschikking met dagtekening 1 februari 2024. De ambtshalve teruggaafbeschikking vloeit immers niet voort uit het via de aangifte omzetbelasting ingediende teruggaafverzoek, maar is genomen naar aanleiding van een door de inspecteur op grond van paragraaf 23, zevende lid, onderdeel c, BFB verondersteld (nieuw) verzoek om ambtshalve teruggaaf.
In de tweede casus bestaat de afwijzende (ambtshalve) teruggaafbeschikking met dagtekening 5 juni 2024 uit de gedeeltelijke afwijzing van het door de inspecteur als verzoek om ambtshalve teruggaaf in behandeling genomen (niet tijdige) teruggaafverzoek van belanghebbende. Het ingediende bezwaar tegen deze ambtshalve teruggaafbeschikking heeft vervolgens op 12 september 2024 weliswaar geleid tot een nadere ambtshalve teruggaafbeschikking, maar die beschikking dient niet ter vervanging van de eerdere (afwijzende) ambtshalve teruggaafbeschikking met dagtekening 5 juni 2024. De beschikking van 12 september 2024 is immers genomen naar aanleiding van een door de inspecteur verondersteld (nieuw) verzoek om ambtshalve teruggaaf na de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.