KG:202:2026:10 Obligatielening en periodieke giftenaftrek
Publicatiedatum 16-06-2026, 14:51 | Laatste update 16-06-2026, 14:52 |
Aanleiding
Een sportvereniging, die kwalificeert als vereniging in de zin van artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is voornemens te starten met een obligatieplan om geld op te halen voor de realisatie van enkele sportfaciliteiten. Enerzijds leent een lid van de vereniging (hierna: de belastingplichtige) via een obligatielening gelden uit aan de vereniging die in een bepaald aantal jaren wordt afgelost en waarop door de vereniging een zakelijke rente wordt vergoed. Anderzijds komt de belastingplichtige met de vereniging een akte van schenking overeen, waarbij hij gedurende minimaal vijf jaar jaarlijks een vast bedrag aan de vereniging schenkt. De periodieke schenking wordt (deels) verrekend met het bedrag dat aan aflossing en rente door de vereniging moet worden betaald aan de belastingplichtige. De vereniging en de schenker komen overeen dat deelname aan het obligatieplan gepaard moet gaan met de periodieke schenking.
Vraag
Kan de periodieke schenking, die (deels) bestaat uit de verrekening met het bedrag dat aan aflossing en rente door de vereniging moet worden betaald aan de belastingplichtige, in aanmerking worden genomen als een periodieke gift?
Antwoord
Ja, mits sprake is van een reële geldlening, een zakelijk rentepercentage en aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek wordt voldaan.
Het is van belang dat sprake is van een reële geldlening, omdat anders geen sprake is van een periodieke gift maar van een (andere) gift ineens. Niet-periodieke giften zijn alleen aftrekbaar als deze zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) of steunstichting SBBI.
Daarnaast is een zakelijk rentepercentage van belang. Wanneer een te hoog niet-zakelijk rentepercentage wordt gehanteerd, wordt het niet-zakelijke deel van de rente gesaldeerd met de hoogte van de gift.
Tot slot moet aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek worden voldaan.
Beschouwing
Het is mogelijk om bij een combinatie van een overeenkomst van geldlening en een akte van schenking in aanmerking te komen voor aftrek van periodieke giften (Gerechtshof Amsterdam 11 november 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2323).
De volgende drie toetsen moeten worden doorlopen ter beantwoording van de vraag of de periodieke schenking in aftrek kan worden gebracht als periodieke gift:
- is sprake van een (reële) geldlening?;
- is sprake van een zakelijk rentepercentage?;
- is er aan de overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek voldaan?
Toets 1: is sprake van een (reële) geldlening?
Dit is van belang om te bepalen of sprake is van een lening waarvan de aflossing en/of rente gedeeltelijk wordt terug geschonken aan de vereniging en/of feitelijk sprake is van een schenking op het moment van het aangaan van de overeenkomst.
Een overeenkomst van geldlening is een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen (artikel 7:129, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
Er moet dus sprake zijn van een terugbetalingsverplichting. Ontbreekt deze, dan is civielrechtelijk - en dus ook fiscaal - geen sprake van een geldlening, maar van een schenking van de deelnemer aan de vereniging.
De civielrechtelijke geldlening moet ook voldoende realiteitswaarde hebben. Uit de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam 11 november 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2323, volgt dat voor de periodieke giftenaftrek in ieder geval:
- het bedrag daadwerkelijk ten tijde van het aangaan van de geldlening is overgemaakt;
- in de overeenkomst is opgenomen voor welke tijdsduur de geldlening is verstrekt; en
- de vereniging over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te kunnen voldoen.
Andere beoordelingscriteria die hierbij kunnen worden meegenomen zijn onder meer:
- Hoe wordt de vergoeding over de lening vastgesteld?
- Is er zekerheid bedongen voor het uitgeleende bedrag?
- Wat gebeurt er in geval van betalingsonmacht van de schuldenaar?
Op basis van de arresten van de Hoge Raad van 3 mei 2013 (ECLI:HR:2013:BY8105, ECLI:HR:2013:BY8117 en ECLI:HR:2013:BY8147) vindt de beoordeling of sprake is van een periodieke gift plaats op het moment van het tekenen van de akte van schenking en niet aan de hand van latere ontwikkelingen. Dit houdt in dat ook het realiteitsgehalte van de obligatielening bij het aangaan van de overeenkomst moet worden beoordeeld.
Hierbij kunnen de volgende situaties ontstaan:
- De vereniging kan op voorhand ook zonder ontvangen gift aan de jaarlijkse terugbetalingsverplichting voldoen.
- De vereniging kan op voorhand niet of alleen met de ontvangen gift aan de jaarlijkse terugbetalingsverplichting voldoen.
a. Vereniging kan op voorhand ook zonder ontvangen gift aan de terugbetalingsverplichting voldoen
Als de vereniging zonder rekening te houden met de jaarlijks te ontvangen gift aan de jaarlijkse terugbetalingsverplichting kan voldoen, is sprake van een reële geldlening.
b. Vereniging kan op voorhand niet of alleen met ontvangen gift aan jaarlijkse terugbetalingsverplichting voldoen
Als de verwachting bij het aangaan van de overeenkomst is dat de overeengekomen terugbetaling alleen kan plaatsvinden omdat vooraf vaststaat dat het bedrag (gedeeltelijk) terug wordt geschonken aan de vereniging, is sprake van met elkaar samenhangende handelingen die van elkaar afhankelijk zijn. De terugbetaling door de vereniging is dan afhankelijk van de daaraan gekoppelde schenking van de belastingplichtige. In die situatie is geen sprake van een reële geldlening.
Fiscale consequenties
Als sprake is van een reële geldlening, dan is de vervolgvraag of sprake is van een zakelijk rentepercentage (toets 2).
Als geen sprake is van een reële geldlening, kan ook geen sprake zijn van een periodieke gift. Mogelijk kwalificeert het bedrag als een andere gift, maar daarvoor moet op basis van artikel 6.35 Wet IB 2001 de gift worden gedaan aan een ANBI of steunstichting SBBI. Als de geldnemer (vereniging) niet is aangemerkt als ANBI of steunstichting SBBI, kan er geen sprake zijn van een andere gift en is helemaal geen giftenaftrek mogelijk.
Toets 2: is sprake van een zakelijk rentepercentage?
Zakelijke rente
De beoordeling of het rentepercentage zakelijk is, is voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst. Dit wordt beoordeeld op het moment van het aangaan van de lening. Het is niet mogelijk om op voorhand een vast zakelijk rentepercentage te noemen, omdat dit afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval.
Bij deze beoordeling wordt bepaald of de rente op de lening een adequate vergoeding vormt voor het aanvaarden van het met de lening samenhangende debiteurenrisico. De rente omvat mede een compensatie voor het risico dat de debiteur loopt, waardoor de hoogte van de rente vanuit het oogpunt van de debiteur (in dit geval de belastingplichtige) moet worden beoordeeld. Hierbij wordt rekening gehouden met de solvabiliteit en liquiditeit van de vereniging en de overige voorwaarden, waaronder verstrekte zekerheden en aflossingsverplichtingen.
Omdat het niet mogelijk is om aan het obligatieplan deel te nemen zonder periodieke schenking, is sprake van een samenstel van rechtshandelingen. Dit betekent dat de verplichting tot het (deels) terugschenken moet worden meegenomen in de beoordeling van de zakelijkheid van de rente.
Omdat de belastingplichtige in deze situatie - gelet op het doel van de opzet (een deel ten goede laten komen aan de vereniging) en de mogelijkheid tot verrekening van de periodieke schenking met de aflossing van de lening - doorgaans een gering risico loopt, kan als richtlijn voor een zakelijke rente bij een obligatieplan worden aangesloten bij de rente op Nederlandse staatsobligaties met vergelijkbare looptijd als die van de obligatielening met een beperkte risico-opslag. Dit is mede ingegeven omdat het in de praktijk doorgaans niet mogelijk zal zijn om een zakelijke partij te vinden die onder dezelfde voorwaarden deel zou nemen aan het obligatieplan.
Verder geldt in het algemeen dat hoe lager het percentage van de aflossing van de hoofdsom is dat wordt verrekend met de periodieke schenking, hoe hoger de risico-opslag is.
Gevolgen periodieke giftenaftrek als hoger rentepercentage wordt overeengekomen
Zoals vermeldt in onderdeel 9.2 van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juni 2010, nr. DGB 2010/921 (Stcrt. 2010, 8462), valt uit de jurisprudentie op te maken dat hetgeen ten titel van rente wordt uitgekeerd, voor de inkomstenbelasting niet per definitie volledig als een vergoeding voor de hoofdsom wordt aangemerkt. De Hoge Raad volgt namelijk een meer op de economische realiteit gestoelde benadering. Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA4799). Deze economische benadering geldt ook voor de vraag of de hoogte van de rente reëel is (Gerechtshof Arnhem 3 maart 1998, ECLI:NL:GHARN:1998:AA1157 en Gerechtshof Den Haag 6 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2213). De beslissing in de laatste procedure is door de Hoge Raad in stand gelaten (HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1111).
Uit de jurisprudentie valt verder af te leiden dat wanneer een periodieke gift (deels) zonder tegenprestatie (indirect) via de vereniging wordt terugontvangen, het bedrag dat wordt terugontvangen moet worden gesaldeerd met de gift (Hof Leeuwarden 23 april 1993, ECLI:NL:GHLEE:1993:AW2608).
Wanneer bij de obligatielening een rentepercentage wordt overeengekomen dat hoger is dan een zakelijke rente, wordt de belastingplichtige voor dat meerdere begunstigd. Het niet-zakelijke deel van de rente moet dan met de periodieke schenking worden gesaldeerd. De te hoge rentevergoeding kan gelet op de samenhang tussen de obligatielening en de akte van schenking immers niet los worden gezien van de periodieke schenking.
Voorbeeld:
Wanneer in een obligatieplan de jaarlijks verschuldigde rente onzakelijk hoog (stel € 100 boven het zakelijke bedrag) wordt vastgesteld en de jaarlijkse periodieke gift ook met € 100 wordt verhoogd, staat er een directe tegenprestatie van een gelijke hoogte tegenover de verhoging van de periodieke gift. Zonder saldering zou door deze verhoging een (aanvullende) periodieke giftenaftrek van € 100 ontstaan, zonder dat hier per saldo een verarming van de schenker of een bevoordeling van de vereniging aan ten grondslag ligt.
Door het aflossen van de obligatielening neemt de hoofdsom van de obligatielening jaarlijks af. Dit betekent dat ook de hierover verschuldigde rente jaarlijks afneemt. Als de bedragen van de periodieke schenking (vast bedrag per jaar) en die van het niet-zakelijke deel van de rente (afnemend bedrag per jaar) met elkaar worden gesaldeerd voor het berekenen van de hoogte van de periodieke gift, wordt het bedrag van de periodieke gift jaarlijks hoger. Dit betekent dat er niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 6.34 Wet IB 2001 dat bij een periodieke gift sprake moet zijn van vaste en gelijkmatige bedragen.
Als sprake is van wisselende uitkeringen betekent dit echter niet per definitie dat de periodieke schenkingen in het geheel niet meer aftrekbaar zijn als periodieke gift. Een redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad met zich mee dat slechts dat deel van de periodieke giften van aftrek mag worden uitgezonderd dat uitgaat boven het bedrag dat ten minste in elke termijn is begrepen (HR 1 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2032). Dit geldt alleen als de afwijkende uitkeringsbedragen in de akte van schenking zijn opgenomen, zodat op voorhand duidelijk is wat het vaste bedrag zal zijn. De periodieke gift dient immers bij aangaan van de overeenkomst te worden beoordeeld.
Gevolgen giftenaftrek als lager rentepercentage wordt overeengekomen
Een lager rentepercentage heeft geen gevolgen voor de periodieke giftenaftrek. Het overeenkomen van een lager rentepercentage kan worden gezien als een bevoordeling van de vereniging door de belastingplichtige en wordt dus niet als een tegenprestatie aan de belastingplichtige aangemerkt.
Toets 3: is er voldaan aan de overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek?
Ten slotte moet ook aan de overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek worden voldaan. Op grond van artikel 6.34 jo. 6.38, eerste lid, Wet IB 2001 is een periodieke gift een gift in de vorm van ten minste jaarlijkse vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen gedurende een looptijd van minimaal vijf jaar, die eindigen uiterlijk bij overlijden en berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting. Daarnaast is op grond van artikel 6.1 Wet IB 2001 een vereiste dat de gift op de belastingplichtige drukt.
Voorbeeld
Een sportvereniging heeft als doel om een bedrag van € 100.000 op te halen door middel van een obligatieplan. Er wordt geen aanvullende financiering afgesloten. De obligaties bedragen € 500 per stuk en worden in vijf jaren afgelost. Er wordt een zakelijke rente van 4% overeengekomen. Daarnaast is er een akte van schenking overeengekomen, waarbij gedurende vijf jaar jaarlijks € 90 wordt geschonken. De jaarlijkse annuïteit wordt voor een gelijkblijvend bedrag per jaar deels verrekend met een periodieke schenking. Het is niet mogelijk om aan het obligatieplan deel te nemen zonder de schenking.
Schematisch ziet dit er als volgt uit:
| Jaar | Totaal verschuldigd door vereniging aan de bel.pl. | Rente lening | Aflossing lening | Schenking bel.pl. | Beoogd belastingvoordeel giftenaftrek* |
| 1 | € 112,32 | € 20,00 | € 92,32 | € 90 | € 36 |
| 2 | € 112,32 | € 16,31 | € 96,01 | € 90 | € 36 |
| 3 | € 112,32 | € 12,47 | € 99,85 | € 90 | € 36 |
| 4 | € 112,32 | € 8,47 | € 103,85 | € 90 | € 36 |
| 5 | € 112,29 | € 4,32 | € 107,97 | € 90 | € 36 |
| Totaal | € 561,57 | € 61,57 | € 500,00 | € 450 | € 180 |
| * Belastingvoordeel gesteld op 40%. | |||||
Op 31 december 2025 heeft de vereniging een eigen vermogen van € 150.000. De activa bestaan voor ongeveer de helft uit materiële vaste activa. De liquide middelen bedragen op dat moment € 75.000. De liquide middelen waren in de voorgaande jaren ongeveer gelijk. Er is voor het jaar 2026 een resultaat gebudgetteerd van € 16.000. De resultaten in de voorgaande jaren bedroegen € 18.000 (2025), € 20.000 (2024) en € 15.000 (2023).
Toets 1: is sprake van een (reële geldlening)?
In de geschetste casus is civielrechtelijk een lening overeengekomen. Hierbij wordt ook een aflossingstermijn overeengekomen, namelijk vijf jaar. Het geld dat met de obligatielening wordt verkregen, wordt gebruikt om de aanschaf van sportfaciliteiten te realiseren en is dus niet liquide aanwezig.
Uit de obligatielening ontstaat een jaarlijkse terugbetalingsverplichting van € 22.464 (200 obligaties x € 112,32 rente en aflossing). De totale terugbetalingsverplichting over de gehele looptijd bedraagt € 112.314 (200 obligaties x € 561,57). Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat er op balansdatum 31 december 2025 € 75.000 aan liquide middelen aanwezig is.
Rekening houdend met het gebudgetteerde resultaat, de exploitatieresultaten van de afgelopen jaren en het eigen vermogen is het op voorhand aannemelijk dat de vereniging, naast de overige verplichtingen, tevens aan de gehele terugbetalingsverplichting van de obligatielening kan voldoen en sprake is van een reële geldlening.
Toets 2: is sprake van een zakelijk rentepercentage?
In de onderhavige casus is de zakelijkheid van het overeengekomen rentepercentage een gegeven. Het is dus niet nodig om een deel van de niet-zakelijke rente te salderen met de hoogte van de periodieke gift.
Toets 3: is er voldaan aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek?
In de geschetste casus wordt ervan uitgegaan dat aan deze voorwaarden is voldaan.
Resultaat
In dit voorbeeld komt de deelnemer in aanmerking voor de periodieke giftenaftrek.
Over de gehele looptijd van vijf jaar bezien, schenkt de deelnemer € 450 aan de vereniging. De vereniging is € 61 aan rente verschuldigd aan de deelnemer. Daarnaast geniet de deelnemer € 180 aan belastingvoordeel. Per saldo verarmt de deelnemer in totaal voor een bedrag van € 209 (€ 180 + € 61 -/- € 450; de verstrekking van de lening en de aflossingen vallen niet onder de kosten en opbrengsten).
De vereniging is € 61 aan rente verschuldigd en heeft daarnaast recht op € 450 aan schenkingen. Per saldo heeft de vereniging een positief resultaat van € 389 (€ 450 -/- € 61; de ontvangen lening en aflossingen vallen niet onder de kosten en opbrengsten).
Ten overvloede
Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat de waarde van de obligatie bij de belastingplichtige tot het box 3-vermogen behoort. De obligatie behoort tot de vermogenscategorie overige bezittingen. Als de belastingplichtige gebruikmaakt van de tegenbewijsregeling in box 3, zal de (zakelijke) rente in aanmerking worden genomen als regulier voordeel. Dit geldt ook wanneer de rente niet daadwerkelijk is uitbetaald, maar is verrekend met de periodieke schenking.