Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:040:2026:03 Commanditair aandeel in de winst van een Duitse GmbH & Co. KG en de toepassing van de objectvrijstelling (vanaf 2025)

Aanleiding

X BV, gevestigd in Nederland, is de enige commanditaire vennoot in een Duitse GmbH & Co. KG (hierna: Y). De beherend vennoot van Y is Z GmbH, een in Duitsland gevestigde kapitaalvennootschap.

X BV en Y behoren tot een internationaal concern dat actief is in de levensmiddelenindustrie. Y drijft in Duitsland een onderneming (een Research & Development-faciliteit) met meer dan 100 medewerkers in een vaste bedrijfsinrichting.

De tot het concern behorende Nederlandse vennootschappen verrichten operationele activiteiten op het gebied van R&D, productie, marketing en verkoop. Daarnaast worden vanuit Nederland centrale corporate functies uitgeoefend, waaronder finance, compliance, controlling en management. De activiteiten van Y liggen in lijn met de activiteiten van X BV en X BV is actief betrokken bij de onderneming van Y.

Tot 1 januari 2025 kwalificeerde Y naar Nederlandse maatstaven als een open commanditaire vennootschap en viel het resultaat op het commanditaire belang in Y bij X BV onder de deelnemingsvrijstelling. Met ingang van 1 januari 2025 kwalificeert Y naar Nederlandse maatstaven als een fiscaal transparante entiteit en is X BV rechtstreeks gerechtigd tot de winsten van Y.

Ook naar Duits fiscaal recht wordt Y als transparant aangemerkt. X BV wordt in Duitsland in de belastingheffing betrokken voor haar aandeel in het resultaat van Y.

Vraag

Valt met ingang van 1 januari 2025 het door X BV genoten winstaandeel uit hoofde van haar commanditaire belang in Y bij BV X onder de objectvrijstelling, rekening houdend met het Verdrag Nederland – Duitsland 2012 (hierna: het Verdrag)?

Antwoord

Ja.

Beschouwing

Verdrag

Artikel 7, eerste lid, Verdrag luidt als volgt:

‘De voordelen van een onderneming van een verdragsluitende staat zijn slechts in die staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere verdragsluitende staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen die in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid aan de vaste inrichting kunnen worden toegerekend in die andere staat worden belast.’

Voor de toepassing van het Verdrag is dus van belang of X BV haar bedrijf uitoefent door middel van een in Duitsland gevestigde vaste inrichting. Als dat het geval is moet aansluitend worden bepaald of het uit hoofde van het commanditaire belang in Y genoten winstaandeel aan die vaste inrichting kan worden toegerekend.

Als ook dat het geval is verleent Nederland een vermindering van zijn belasting. Artikel 22, tweede lid, onderdeel b, Verdrag luidt als volgt:

‘Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting.’ 

Nationaal recht: objectvrijstelling

Artikel 15e Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) e.v. behelst het regime van de objectvrijstelling. Het regime houdt in dat, als een Nederlands Vpb-plichtig lichaam winst geniet uit een andere staat, de wereldwinst van dat lichaam wordt verminderd met de positieve en negatieve bedragen van de uit die andere staat afkomstige winst.

De eerste categorie voordelen die ingevolge artikel 15e, tweede lid, sub a, onder 1°, Wet Vpb 1969 onder de objectvrijstelling wordt vrijgesteld, betreft de winst die is toe te rekenen aan een buitenlandse onderneming in die andere staat. Van een buitenlandse onderneming is sprake indien een onderneming wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting binnen het gebied van die andere staat.

Op grond van artikel 3, vierde lid, sub a, Wet Vpb 1969 wordt voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 en de daarop berustende bepalingen onder vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger verstaan:

“voor zover in de relatie tot de andere staat een verdrag van toepassing is dat, (…) , voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst: het begrip vaste inrichting zoals dat geldt voor de toepassing van die regeling;”

Er moet dus worden vastgesteld of in de onderhavige situatie volgens het Verdrag sprake is van vaste inrichting.

Verdrag: vaste inrichting

Artikel 5, eerste en tweede lid, Verdrag definieert het begrip vaste inrichting als volgt:

“1) Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2) De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

a) een plaats waar leiding wordt gegeven;

b) een filiaal;

c) een kantoor;

d) een fabriek;

e) een werkplaats, en

f) een mijn, een olie- of gasbron, een (steen)groeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.”

Y drijft een onderneming bestaande uit een Research & Development-faciliteit in Duitsland met meer dan 100 medewerkers in een vaste bedrijfsinrichting (‘fixed place of business').

Daarmee staat echter nog niet vast dat X BV (een deel van) haar onderneming door middel van een vaste inrichting in Duitsland uitoefent.

In het Verdrag worden de begrippen “onderneming”, “bedrijfsuitoefening” en “onderneming van een verdragsluitende Staat” als volgt omschreven (artikel 3, eerste lid, sub f, g en h Verdrag):

“f. heeft de uitdrukking ‘onderneming’ betrekking op het uitoefenen van een bedrijf;

g. omvat de uitdrukking ‘bedrijfsuitoefening’ mede de uitoefening van een vrij beroep en van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;h. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende staat;”

h. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een verdragsluitende staat” en „onderneming van de andere verdragsluitende staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een verdragsluitende staat en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere verdragsluitende staat;”

In de toelichting bij het Verdrag is het volgende opgemerkt:

“In de toelichting hierna wordt in het bijzonder toegelicht op welke punten de met Duitsland overeengekomen tekst inhoudelijk afwijkt van het OESO-modelverdrag van 2008 (Nederland is immers een actieve lidstaat binnen de OESO) en/of afwijkt van het Nederlandse fiscale verdragsbeleid. Voor zover de tekst van het Verdrag echter op niet meer dan ondergeschikte punten van het OESO-modelverdrag afwijkt, wordt in de memorie van toelichting op dergelijke «geringe» afwijkingen in beginsel niet ingegaan. (…)

De definities in artikel 3, eerste lid, onderdelen d tot en met i, van het Verdrag stemmen overeen met de definities zoals die worden gebruikt in het OESO-modelverdrag, respectievelijk in de onderdelen a, b, c, h, d en e.”

Uit het voorgaande volgt dat het ondernemingsbegrip in het Verdrag dient te worden uitgelegd in overeenstemming met het ondernemingsbegrip in het OESO‑commentaar 2008. In het OESO-commentaar 2008 wordt het volgende opgemerkt over de begrippen “enterprise” en “business”:

“The question whether an activity is performed within an enterprise or is deemed to constitute in itself an enterprise has always been interpreted according to the provisions of the domestic laws of the Contracting States. No exhaustive definition of the term “enterprise” has therefore been attempted in this Article. However, it is provided that the term “enterprise” applies to the carrying on of any business. Since the term “business” is expressly defined to include the performance of professional services and of other activities of an independent character, this clarifies that the performance of professional services or other activities of an independent character must be considered to constitute an enterprise, regardless of the meaning of that term under domestic law. States which consider that such clarification is unnecessary are free to omit the definition of the term “enterprise” from their bilateral conventions.”

Het begrip “business” (‘bedrijf’) wordt slechts beperkt toegelicht in het OESO-commentaar 2008:

“The Convention does not contain an exhaustive definition of the term “business”, which, under paragraph 2, should generally have the meaning which it has under the domestic law of the State that applies the Convention.”

Op grond van artikel 3, tweede lid, Verdrag wordt, voor de toepassing van het Verdrag door een verdragsluitende staat op enig moment, elke daarin niet gedefinieerde uitdrukking - tenzij de context anders vereist - uitgelegd overeenkomstig de betekenis die daaraan op dat moment wordt toegekend volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag van toepassing is.

Het voorgaande leidt ertoe dat voor de uitleg van het begrip “business” (‘bedrijf’) dient te worden aangesloten bij het nationale recht van de staat die het Verdrag toepast, in dit geval Nederland.

Mede relevant in dit kader is het Zweedse commandiet-arrest (HR 10 maart 1993, BNB 1993/227). Daarin heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of het commanditaire belang van een in Zweden gevestigde vennootschap in een Nederlandse (transparante) commanditaire vennootschap (hierna: CV) kan worden aangemerkt als een vaste inrichting in de zin van het verdrag Nederland-Zweden.

Volgens de Hoge Raad is sprake van een zodanige vaste inrichting. De relevante overwegingen in het arrest luiden als volgt:

‘3.5. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van de CV, op zichzelf bezien, met behulp van een vaste bedrijfsinrichting wordt uitgeoefend. Dit brengt mee, dat belanghebbende moet worden geacht haar bedrijf met behulp van een vaste inrichting hier te lande uit te oefenen, indien de bedrijfsuitoefening van de CV aan haar kan worden toegerekend.

3.6. Gelet op de omstandigheden dat het belang in de CV deel uitmaakt van de uitoefening van belanghebbendes onderneming en dat belanghebbende rechtstreeks tot de winsten van de CV is gerechtigd, dient voor de toepassing van het Verdrag de bedrijfsuitoefening van de CV als bedrijfsuitoefening van belanghebbende te worden aangemerkt, en behoort het aandeel van belanghebbende in de winst van de CV tot de voordelen, bedoeld in artikel 7, lid 1, van het Verdrag.

3.7. Zulks is niet in strijd met de bewoordingen, en in overeenstemming met de strekking van de desbetreffende verdragsbepalingen, die, naar moet worden aangenomen, erop zijn gericht de winsten van een onderneming te doen belasten in de staat, in welke zij zijn opgekomen. De omstandigheid dat, naar het Hof heeft geoordeeld, belanghebbende bij eventuele liquidatie van de CV niet is gerechtigd tot de stille reserves, vormt, gelet op de overigens bestaande betrokkenheid van belanghebbende bij de CV, als hiervoor onder 3.6 omschreven, onvoldoende grond voor een ander oordeel.’

De Hoge Raad acht van belang:

  • dat zowel de CV als belanghebbende een bedrijf uitoefenen;
  • het bedrijf van de CV wordt uitgeoefend met behulp van een vaste bedrijfsinrichting;
  • het commanditaire belang deel uitmaakt van de uitoefening van belanghebbendes onderneming en
  • belanghebbende rechtstreeks is gerechtigd tot de winsten van de CV.

Daaruit leidt de Hoge Raad af dat het commanditaire aandeel in de winst van de CV bij belanghebbende kwalificeert als voordelen uit een in Nederland met behulp van een vaste inrichting uitgeoefend bedrijf. Het strookt volgens de Hoge Raad met de strekking van het verdrag Nederland-Zweden dat Nederland in die situatie het winstaandeel in de heffing mag betrekken.

Het arrest ziet op een commanditair belang van een buitenlandse participant in een Nederlandse transparante CV. In casu is sprake van de omgekeerde situatie: de in Nederland gevestigde vennootschap X BV heeft een commanditair aandeel in een Duits transparant samenwerkingsverband.

Mede gezien de bij verdragstoepassing in aanmerking te nemen wederkerigheid ligt het in de rede om de door de Hoge Raad gehanteerde criteria mutatis mutandis toe te passen op de omgekeerde situatie en op het onderhavige verdrag.

In casu geldt dat:

  • zowel Y als X BV een bedrijf uitoefenen;
  • het bedrijf van Y wordt uitgeoefend met behulp van een vaste bedrijfsinrichting;
  • het commanditaire belang behoort tot (de uitoefening van) de onderneming van X BV (X BV is actief betrokken bij de onderneming van Y) en
  • X BV rechtstreeks is gerechtigd tot de winsten van Y.

Het strookt met het Zweedse commandiet-arrest om in ieder geval in een dergelijke situatie de voordelen genoten uit het commanditaire aandeel in de winst van Y bij X BV aan te merken als voordelen uit een in Duitsland met behulp van een vaste inrichting uitgeoefend bedrijf.

Dit betekent dat het door X BV genoten winstaandeel uit hoofde van haar commanditaire belang in Y op grond van artikel 15e, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, Wet Vpb 1969 bij X BV onder de objectvrijstelling valt.

Deel deze pagina