KG:040:2026:4 Digital Services Tax die conform richtlijnvoorstel is vormgegeven is aftrekbaar
Publicatiedatum 07-07-2026, 10:14 | Laatste update 07-07-2026, 10:14 |
Aanleiding
Een belastingplichtige heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting een in het buitenland betaalde digitaledienstenbelasting (‘Digital Services Tax', hierna: DST) ten laste van haar winst gebracht. De betaalde DST is in het land dat de DST heeft geheven niet verrekenbaar met een naar de winst respectievelijk het inkomen geheven belasting. De door de belastingplichtige ten laste van haar winst gebrachte DST is vormgegeven volgens het richtlijnvoorstel van de Europese Commissie betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten van 21 maart 2018, COM (2018) 148 definitief, 2018/0073 (hierna: EU DST).
Vraag
Komt een in het buitenland geheven DST in aftrek bij het bepalen van de winst als de DST is vormgegeven volgens de EU DST? Meer specifiek is de vraag of de DST kwalificeert als een naar winst geheven belasting ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969).
Antwoord
Ja, een in het buitenland geheven DST die is vormgegeven volgens de EU DST komt in aftrek bij het bepalen van de winst. Deze DST kwalificeert niet als een naar winst geheven belasting ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969.
Beschouwing
Wet Vpb 1969
Op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969 komen kortgezegd bij het bepalen van de winst niet in aftrek de vennootschapsbelasting, alsmede belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de buitenlandse winst of bestanddelen van de buitenlandse winst worden geheven, indien voor de belastingplichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is of indien de bestanddelen van de winst waarop de buiten Nederland geheven belasting betrekking heeft niet worden begrepen in de belastbare winst.
EU DST
De EU DST heeft tot doel inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten te onderwerpen aan een digitaledienstenbelasting. De EU DST richt zich op grond van artikel 3, eerste lid, van het richtlijnvoorstel op de inkomsten uit de volgende digitale activiteiten:
- Het plaatsen van advertenties op een digitale interface, gericht op de gebruikers van die interface.
- Het ter beschikking stellen van een veelzijdige digitale interface (bijvoorbeeld een platform) die gebruikers in staat stelt andere gebruikers te vinden en in interactie met hen te treden en die ook de verrichting van onderlinge leveringen van goederen of diensten rechtstreeks tussen gebruikers kan faciliteren.
- Het doorgeven van over gebruikers verzamelde data die zijn gegenereerd uit de activiteiten van gebruikers op digitale interfaces.
De heffingsgrondslag bestaat uit de bruto-inkomsten uit deze activiteiten (artikel 3, tweede lid van het richtlijnvoorstel). Een entiteit of groep is belastingplichtig als in het relevante boekjaar aan twee voorwaarden is voldaan (artikel 4, eerste lid, van het richtlijnvoorstel):
- De wereldwijde omzet is hoger dan € 750 miljoen en
- het totale bedrag aan belastbare inkomsten in de EU is hoger dan € 50 miljoen.
Het tarief van de EU DST bedraagt 3% (artikel 8 van het richtlijnvoorstel).
OESO-modelverdrag
Volgens een interim-rapport van de OESO (Tax Challenges Arising from Digitalisation – Interim Report 2018: Inclusive Framework on BEPS, OECD Publishing, Parijs, hoofdstuk 6, par. 415 e.v.) over de digitale economie zijn bij de beoordeling of een DST kwalificeert als een belasting naar het inkomen de volgende elementen van belang (de wijze van heffing is daarbij niet relevant):
- Het doel van de DST: is deze gericht op de ontvanger (consument) van het inkomen?
- Specifieke kenmerken: houdt de DST rekening met specifieke kenmerken van de aanbieder van de dienst (zoals de winstgevendheid)?
- Verdere vormgeving van de DST: houdt deze rekening met de winstgevendheid, vindt heffing plaats naar een vast tarief en is de belasting verrekenbaar met een naar het inkomen geheven belasting over dezelfde betaling?
Analyse
Belastingverdragen gebaseerd op het OESO-modelverdrag gelden voor belastingen naar het inkomen en belastingen naar het vermogen (artikel 2, eerste lid, OESO-modelverdrag). Dat geldt in ieder geval voor belastingen die in dat artikel bij naam worden genoemd dan wel die in een wet zijn opgenomen die in dat artikel wordt genoemd. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden daarnaast beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of vermogen dan wel naar bestanddelen daarvan, waaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering (artikel 2, tweede lid, OESO-modelverdrag).
Een in een verdragsland geheven DST kwalificeert als een belasting onder belastingverdragen, indien deze kan worden aangemerkt als een ”belasting naar het inkomen” (zoals de winst). Als op een DST een regeling ter voorkoming van dubbele belasting, zoals een belastingverdrag, van toepassing is, dan is aftrek van de geheven DST niet mogelijk op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969.
Als een DST niet kwalificeert als een belasting naar het inkomen, dan valt deze buiten het toepassingsbereik van belastingverdragen. Een in de verdragsstaat geheven DST is dan in Nederland een aftrekbare kostenpost bij het vaststellen van de winst voor de vennootschapsbelasting.
Ten aanzien van DST’s is nog geen sprake van een uitgekristalliseerd rechtskader. Er bestaat geen jurisprudentie over de kwalificatie van een EU DST als een belasting naar het inkomen. Ook zijn in de Nederlandse belastingverdragen geen expliciete afspraken gemaakt over DST’s. In de praktijk wordt verschillend gedacht over de vraag of een DST kwalificeert als een belasting naar het inkomen. Er zijn zowel argumenten voor als tegen.
In de considerans van de EU DST is de verwachting uitgesproken dat wanneer dezelfde inkomsten zowel aan de vennootschapsbelasting als aan de DST onderworpen zijn, lidstaten bedrijven zullen toestaan de EU DST als kosten af te trekken van de belastbare winst om mogelijke gevallen van dubbele belasting te verzachten (punt 27 van de considerans van het richtlijnvoorstel).
Volgens een brief van de Staatssecretaris van 18 oktober 2018 aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I, 2018/19, nr. 34941, A, p. 3) kan Nederland de Europese Commissie in eerste instantie volgen in haar opvatting dat de EU DST niet onder de reikwijdte van belastingverdragen valt. De reden hiervoor is dat de EU DST wordt geheven over enkele specifiek gedefinieerde digitale diensten en geen rekening houdt met het inkomen van de onderneming. Evenmin is verliesverrekening mogelijk.
Conclusie
In het besef dat het recht nog volop in beweging is, neemt de kennisgroep na weging van alle relevante factoren in de voorgelegde casus het standpunt in dat de geheven EU DST niet in aftrek wordt beperkt door artikel 10, eerste lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969.
Andere dan EU DST’s
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat DST’s in verschillende landen op uiteenlopende wijze zijn vormgegeven. Voor DST’s die niet zijn vormgegeven volgens de EU DST zal een analyse gemaakt moeten worden aan de hand van de specifieke kenmerken van de betreffende DST. Voor DST’s die bijvoorbeeld rekening houden met verliesposities dan wel in het land van heffing verrekenbaar zijn, kan de conclusie anders luiden dan in het onderhavige standpunt.
Of op een DST een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, hangt niet alleen af van de tekst van die regeling, maar ook van de wijze waarop de DST is vormgegeven in het land dat deze belasting heft en van de tekst van het van toepassing zijnde belastingverdrag.