Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:213:2026:4 afschrijvingsbeperking monomestvergister

Aanleiding

Belastingplichtige is veehouder. Op zijn terrein bevindt zich een melkveestal en een monomestvergister. In de monomestvergister wordt dagverse mest vergist. Door het vergistingsproces ontstaat biogas dat kan worden benut als energie voor het bedrijf en de boerderij. De monomestvergister beschikt over een mangat dat toegang geeft tot de vergister voor bijvoorbeeld onderhoud, inspectie of reiniging. Er zijn monomestvergisters die een deur naar een opslag hebben onder de vergister.

Vraag

Is het bouwwerk van een monomestvergister (niet de installatie) een gebouw in de zin van artikel 3.30a Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) nu die niet eenvoudig kan worden betreden?

Antwoord

Ja, de monomestvergister is een gebouw in de zin van artikel 3.30a Wet IB 2001.

Beschouwing

In art. 3.30a Wet IB 2001 wordt een gebouw niet gedefinieerd. Uit de parlementaire behandeling van de Wet Werken aan Winst (MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 36 en Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 54 en 106) bij de in art. 3.30a Wet IB 2001 opgenomen afschrijvingsbeperking volgt dat het begrip gebouw volgens het spraakgebruik moet worden uitgelegd. Ook is voor de invulling van het begrip gebouw verwezen naar de jurisprudentie voor de investeringsaftrek en de tot 1988 geldende Wet Investeringsrekening (hierna: WIR).

In de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie is geen definitie gegeven voor de invulling van het begrip gebouw. Wel zijn er een aantal terugkerende voorwaarden voor de duiding van een gebouw waaraan moet zijn voldaan (zie Brief van 6 september 2006, Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 10, p.3). Een gebouw:

  • is duurzaam verbonden met de grond; duurzame constructie;
  • is niet eenvoudig verplaatsbaar/demonteerbaar; en
  • heeft wanden en dak; biedt bescherming tegen wind en neerslag.

Hieruit volgt dat de functie en/of bestemming van het gebouw niet van belang is voor de uitleg van het begrip.

Aan het begrip ‘bouwwerk’, zoals opgenomen in artikel 11, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 komt overigens geen betekenis toe voor de uitleg van het begrip gebouw zoals opgenomen in artikel 3.30a Wet IB 2001. Het begrip bouwwerk heeft een ruimere betekenis dan het begrip gebouw uit de jurisprudentie die is gewezen voor de investeringsaftrek en de WIR. Voor de omzetbelasting vallen naast huizen, kantoren, schuren en dergelijke ook bruggen, tunnels, viaducten, straten, wegen, pleinen en sluizen onder de term bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 36).

Voorts is het de vraag of de betreedbaarheid van belang is voor de invulling van het begrip gebouw. In de hieronder vermelde wetgeschiedenis wordt betreedbaarheid een aantal keer genoemd:

“Het begrip gebouw moet volgens het spraakgebruik worden uitgelegd. De jurisprudentie voor de WIR over het begrip gebouw is hierbij ook van toepassing. Uit de jurisprudentie volgt dat aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan:

- duurzaam verbonden met de grond; duurzame constructie;

- niet eenvoudig verplaatsbaar/demonteerbaar;

- wanden en dak; bescherming tegen wind en neerslag.

Voorbeelden van gebouwen:

(…)

  • transformatorgebouw dat betreedbaar is;

(…)

In de volgende voorbeelden is geen sprake van een gebouw:

    (…)

    - Een niet betreedbaar massief sprookjeshuisje in een pretpark

- Modern transformatorhuisje (niet betreedbaar)

(…)

Een installatie in de open lucht, zoals een achtbaan of een gesloten opslagtank voor olie, is geen gebouw.

Aanvullende voorbeelden uit de jurisprudentie.

Het zal doorgaans duidelijk zijn of sprake is van een gebouw. Hierna zal een aantal aanvullende voorbeelden uit de WIR- jurisprudentie worden genoemd. Deze jurisprudentie is zeer uitgebreid, in aantekening 300 van de Vakstudie bij artikel 61a van de Wet inkomstenbelasting 1964 staan circa 100 zaken. Deze jurisprudentie ziet op een beperkte groep grensgevallen, en geeft dus geen representatief beeld van de gevolgen voor de uitvoering.

Wel een gebouw:

(…)

Geen gebouw:

- Een in het open veld gelegen mestkelder BNB 1986/195;

(…)

- Een silo op een betonnen fundering waarin geen bewerking van goederen kan plaatsvinden en die bij gebruik overeenkomstig zijn bestemming niet kan worden betreden BNB 1981/282 ;

(…)”

Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 10, p. 3–4. (Brief Minister van Financiën 6 september 2006),

en

(…)

In dat verband kan worden opgemerkt dat niet alle onroerende zaken in attractieparken e.d. gebouwen zijn. Zo zijn een achtbaan in de open lucht en een niet betreedbaar massief sprookjeshuis in een pretpark geen gebouw. Een theater of een vakantiehuisje zijn bijvoorbeeld wel een gebouw. (…)”

Kamerstukken I 2006/07, 30 572, nr. H, p. 9 (brief Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2007).

Zoals hiervoor aangegeven, behoort de betreedbaarheid van het gebouw echter niet tot de terugkerende doorslaggevende voorwaarden die aan een gebouw worden gesteld. Zie ook Hoge Raad 16 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9806:

“dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in de voor het onderhavige boekjaar geldende tekst het begrip gebouw dient te worden opgevat overeenkomstig het spraakgebruik;

dat derhalve de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat voor die toepassing de functie van een bouwsel en de toegankelijkheid daarvan doorslaggevend is niet kan worden aanvaard;

dat, getoetst aan hetgeen het Hof omtrent de onderhavige silo's als vaststaande heeft aangenomen, het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat die silo's naar het spraakgebruik geen gebouwen zijn;”

Hof Arnhem 27 december 1984, ECLI:NL:GHARN:1984:AW7266 heeft na bezichtiging van een biogaspot geoordeeld dat deze een gebouw is. Gezien de omschrijving van de biogaspot in die uitspraak, is in ieder geval het bouwwerk en het bedrijfsproces vergelijkbaar met de onderhavige monomestvergister (de biogaspot werd in dat geval door partijen ook gaspot, pot, biogassilo, silo en biogasinstallatie genoemd).

Het hof concludeert op twee – ieder zelfstandig dragende - gronden tot een gebouw:

  1. De biogaspot is op zichzelf een gebouw.
  2. In dat geval stond de biogaspot zo dicht voor de bestaande ligboxenstal en was daarmee door middel van het hok waarin de regelapparatuur was ondergebracht ook fysiek verbonden, dat de biogaspot en het hok naar het spraakgebruik beoordeeld een horizontale uitbreiding van de ligboxenstal vormden.

Het hof overwoog:

“De cylindervormige biogaspot met puntdak kan volgens het spraakgebruik op zichzelf beschouwd als een gebouw worden aangemerkt. Het hof baseert dit oordeel vooral op het buitenaanzicht van dit object dat aan de niet-insider nauwelijks iets van zijn bijzondere functie verraadt. De functie van de gaspot die onder de feiten is beschreven doet aan dit oordeel niet af evenmin als de omstandigheid dat de gaspot normaal gesproken niet wordt betreden. Het hof acht wel van belang dat de gaspot, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, niet zonder onherstelbare beschadiging kan worden gedemonteerd.”

Ook in de op belastingdienst.nl opgenomen brochure Beperkt afschrijven op agrarische bedrijfsgebouwen wordt het bouwwerk van de monomestvergister aangemerkt als een gebouw. De installatie daarentegen wordt niet aangemerkt als een gebouw.

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het bouwwerk van de monomestvergister kwalificeert als een gebouw. Het bouwwerk van de monomestvergister:

  • Is duurzaam verbonden met de grond;
  • Is niet of niet eenvoudig te verplaatsen en er is ook niet de intentie om dit te doen;
  • Heeft wanden en een dak waarmee het productieproces dat plaatsvindt in de monomestvergister beschermt tegen weersinvloeden.

Bijkomend biedt het bouwwerk bescherming naar de omgeving door geur- en emissiebeperking.

Deel deze pagina