Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:041:2026:6 Verdrag NL – BEL, voorkomingsartikel, onroerende goederen en (hypotheek)schulden

Aanleiding

Belastingplichtige is woonachtig in Nederland en eigenaar van een in België gelegen onroerende zaak. De onroerende zaak behoort tot de rendementsgrondslag box 3. Ter financiering van de aankoop van deze onroerende zaak is belastingplichtige een geldlening aangegaan. De geldlening behoort ook tot de rendementsgrondslag box 3. Er is echter geen hypotheek gevestigd op de onroerende zaak. Als zekerheid voor de lening dient een effectenportefeuille.

Vraag

Moet sprake zijn van een hypotheekrecht om bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bij onroerende zaken gelegen in België rekening te kunnen houden met schulden?

Antwoord

Nee, er hoeft geen sprake te zijn van hypothecaire schulden. Bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt rekening gehouden met de met die onroerende zaak verband houdende schulden.

Beschouwing

Artikel 6 van het belastingverdrag Nederland - België 2001 (hierna: Verdrag) wijst de staat waarin de onroerende zaken zijn gelegen aan als de staat die belasting mag heffen over de inkomsten uit deze onroerende zaken. Ook de voordelen die worden verkregen uit de vervreemding van onroerende zaken, zoals bedoeld in artikel 6 Verdrag, mogen in de staat waarin de onroerende zaken zijn gelegen worden belast (artikel 13, eerste paragraaf, Verdrag). Daarnaast mag vermogen, bestaande uit onroerende zaken, belast worden in de staat waarin deze onroerende zaken zijn gelegen (artikel 22, eerste paragraaf, Verdrag).

De onroerende zaak is gelegen in België. Het verdrag wijst het heffingsrecht toe aan België. Nederland heeft geen heffingsrecht over de onroerende zaak en dient aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen.

Artikel 23 Verdrag bepaalt de wijze waarop Nederland dubbele belasting vermijdt. Op grond van artikel 23, tweede paragraaf, subparagraaf b, Verdrag verleent Nederland een vermindering van belasting. De vermindering wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: Bvdb 2001).

In punt 25 van Protocol I bij het Verdrag is nader bepaald:

Het is wel te verstaan dat voor de berekening van de vermindering vermeld in artikel 23, paragraaf 2, subparagraaf b, de waarde van de in artikel 22, paragraaf 1, genoemde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde van de schulden verzekerd door hypotheek op dat vermogen en de waarde van de in artikel 22, paragraaf 2, bedoelde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde van de tot de vaste inrichting of de vaste basis behorende schulden.

In de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting is over punt 25 van Protocol I vermeld (Kamerstukken II 2001-2002, 28 259 nr. 3 (MvT) p. 55):

In punt 25 van Protocol I is in dit verband voor de heffing van vermogensbelasting bepaald dat voor de toepassing van de vrijstellingsmethode de waarde van de in artikel 22, paragraaf 1, bedoelde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde van de schulden die zijn verzekerd door hypotheek op die vermogensbestanddelen alsmede dat de waarde van de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 22, paragraaf 2, wordt verminderd met de waarde van de tot de vaste inrichting of vaste basis behorende schulden. Deze bepaling, die is geïntroduceerd naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 20 april 1983, BNB 1983/203 t/m 205, strekt ertoe zeker te stellen dat voor de vermogensbelasting een «netto-vrijstelling» wordt verleend. 

In de genoemde jurisprudentie (BNB 1983/203 t/m 205) ging het over de voorkoming van dubbele (vermogens)belasting bij belastingplichtigen woonachtig in Nederland met in het buitenland gelegen onroerend goed. In alle genoemde zaken ging het om de vraag of Nederland, ter voorkoming van dubbele vermogensbelasting, de waarde van de onroerende zaak in aanmerking dient te nemen (bruto-methode) of de waarde van de onroerende zaak verminderd met de schulden, verzekerd door hypotheek op die zaak (netto-methode). De Hoge Raad oordeelde in alle zaken dat in beginsel de bruto-methode van toepassing was. Dit betekent dat bij de vermogensbelasting in beginsel geen rekening wordt gehouden met schulden, tenzij een uitdrukkelijke wets- of verdragsbepaling dit voorschrijft. In het Verdrag is derhalve punt 25 van Protocol I opgenomen, zodat ook voor de vermogensbelasting een netto vrijstelling wordt verleend.

Sinds 2001, met de invoering van de Wet IB 2001, kent Nederland geen vermogensbelasting meer. Ook België kent geen vermogensbelasting. In de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting (Kamerstukken II 2001-2002, 28 259 nr. 3 (MvT) p. 16 en p. 53) is toegelicht dat artikel 22 Verdrag geen praktisch belang heeft. Deze bepaling is enkel in het verdrag opgenomen voor het geval één van beide staten (opnieuw) een vermogensbelasting invoert. Verder is expliciet toegelicht dat de forfaitaire rendementsheffing over het inkomen uit sparen en beleggen, ook voor het Verdrag, geen vermogensbelasting maar een belasting naar inkomen is.

Uit de hiervoor aangehaalde toelichting bij punt 25 van Protocol I volgt dat deze bepaling enkel ziet op de vermogensbelasting. Deze bepaling kent daarom, evenals artikel 22 Verdrag geen praktisch belang zolang beide staten geen vermogensbelasting kennen.

Volgens artikel 23, tweede paragraaf, subparagraaf b, Verdrag wordt de voorkoming van dubbele belasting bepaald overeenkomstig de bepalingen in het Bvdb 2001. In afdeling 4 BvdB 2001 zijn de artikelen opgenomen die zien op het inkomen uit sparen en beleggen. Een binnenlands belastingplichtige is vrijgesteld van de inkomstenbelasting die ziet op buitenlands voordeel uit sparen en beleggen. Deze vrijstelling wordt toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.

In artikel 23 BvdB 2001 is de definitie opgenomen van het buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen:

  1. Het buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als bestanddeel van het voordeel uit sparen en beleggen geniet als voordeel uit de rendementsgrondslag in het buitenland.
  2. De rendementsgrondslag in het buitenland bestaat enerzijds uit de waarde aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de bezittingen in het buitenland en anderzijds uit de waarde op de peildatum van de met die bezittingen verband houdende schulden. (...)

Het BvdB 2001 bevat geen nadere omschrijving van het begrip ‘met die bezittingen verband houdende schulden’. Bij de uitleg van dit begrip wordt daarom aangesloten bij doel en strekking van artikel 23 BvdB 2001, te weten het verlenen van voorkoming van dubbele belasting voor het netto buitenlandse voordeel uit sparen en beleggen. In dat kader ligt het voor de hand om schulden die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering of financiering van de betreffende buitenlandse bezitting als verband houdend aan te merken. Het verband wordt daarom bepaald door het bestedingsdoel en de economische samenhang tussen de schuld en het vermogensbestanddeel, en niet door de civielrechtelijke zekerheidsstructuur.

Nederland houdt bij de berekening voor de voorkoming dubbele belasting rekening met de waarde van de in België gelegen onroerende zaak, verminderd met de met die onroerende zaak verband houdende schulden, ook in het geval er geen hypotheekrecht is verstrekt ter zake van die schulden.

Deel deze pagina