Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:211:2026:29 Spaans FCR

Aanleiding

De kwalificatie vindt plaats in verband met de belastingheffing ten aanzien van een naar het recht van Spanje aangegaan Fondo de Capital Riesgo (hierna: FCR).

Vraag

Met welke Nederlandse rechtsvorm is een Spaans FCR vergelijkbaar voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969), de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) en de Wet bronbelasting 2021 (hierna: Wet BB 2021)?

Antwoord

Een Spaans FCR is voor de toepassing van de Wet Vpb 1969, de Wet IB 2001, de Wet DB 1965 en de Wet BB 2021 niet vergelijkbaar met een Nederlandse rechtsvorm als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De vraag of een Spaans FCR vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, Wet Vpb of een transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB is afhankelijk van de relevante feiten en omstandigheden van het geval. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de inspecteur.

Beschouwing

Bij deze kwalificatie kon worden beschikt over:

Algemeen

Via de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is per 1 januari 2025 de rechtsvormvergelijkingsmethode gecodificeerd als wettelijke methode voor de fiscale kwalificatie van buitenlandse rechtsvormen, waardoor buitenlandse rechtsvormen worden vergeleken met Nederlandse rechtsvormen. Het Besluit VBR geeft uitvoering aan de in artikelen 1.11 en 2.14bis van de Wet IB 2001, artikel 1a van de Wet Vpb 1969, artikel 1 van de Wet DB 1965 en artikel 1.2 van de Wet BB 2021 opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode.

In het Besluit VBR worden regels gesteld aan de hand waarvan wordt bepaald of een naar buitenlands recht opgericht of aangegaan lichaam een met een Nederlandse rechtsvorm vergelijkbare rechtsvorm heeft en, als dat het geval is, met welke Nederlandse rechtsvorm het buitenlandse lichaam dan vergelijkbaar is. De groep van Nederlandse rechtsvormen bestaat enerzijds uit de – in de meeste gevallen in Boek 2 van het BW benoemde – rechtsvormen die voor Nederlandse fiscale doeleinden als zelfstandig belastingplichtig worden aangemerkt (hierna ook: de BW-rechtsvormen) en anderzijds uit de Nederlandse personenvennootschappen (de vennootschap onder firma, de maatschap en de commanditaire vennootschap), die voor Nederlandse fiscale doeleinden in de regel als transparant worden aangemerkt (zodat de achterliggende participanten in de heffing worden betrokken).

De BW-rechtsvormen hebben gemeen dat zij op basis van het BW rechtspersoon zijn. Daarnaast geldt dat de BW-rechtsvormen, op de bijzondere rechtsvormen van het kerkgenootschap, de informele vereniging en de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon na, worden opgericht bij notariële akte. Hoewel de BW-rechtsvormen een aantal kenmerken delen, kennen zij ook veel verschillen.

Voor een personenvennootschap geldt dat in het algemeen sprake is van een overeenkomst tot samenwerking ter uitoefening van een beroep of bedrijf met inbreng door ieder van de participanten met het oogmerk voordeel te behalen en dit met elkaar te delen. Personenvennootschappen hebben civielrechtelijk geen in aandelen verdeeld kapitaal en de (niet-commanditaire) vennoten zijn aansprakelijk voor verplichtingen van de vennootschap tegenover derden.

Het antwoord op de vraag of een buitenlandse rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm wordt in beginsel bepaald aan de hand van de toets of de buitenlandse rechtsvorm naar aard en inrichting vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm.

Om de aard van een buitenlandse rechtsvorm vast te stellen dient aan de hand van het buitenlandse recht geanalyseerd te worden welke plaats de betreffende rechtsvorm in het buitenlandse recht inneemt en welke bedoeling de buitenlandse wet- of regelgever heeft gehad met die rechtsvorm. Bij deze analyse komt onder andere belang toe aan de keuze van de buitenlandse wet- of regelgever om de betreffende rechtsvorm als contractueel samenwerkingsverband (zoals de Nederlandse personenvennootschap) vorm te geven, of bijvoorbeeld als een kapitaalvennootschap (zoals de Nederlandse nv en Nederlandse bv).

De inrichting van een buitenlandse rechtsvorm heeft betrekking op de meer concrete regels die zijn gegeven voor die rechtsvorm in het buitenlandse recht. De inrichting van de Nederlandse rechtsvormen bestaat voor een belangrijk deel uit de wezenlijke kenmerken van verschillende rechtsvormen die per Nederlandse rechtsvorm zijn benoemd in afdeling 2 van hoofdstuk II van het Besluit VBR.

Toepassing van het toetsingskader op een Spaans FCR

De aard van een Spaans FCR

In Spanje is in de Código Civil, de Código de Comercio en de Ley de Sociedades de Capital een groot aantal rechtsvormen geregeld. Dit betreft onder andere de Sociedad Civil, de Sociedad Colectiva, de Sociedad Comanditaria Simple, de Sociedad Anónima, de Sociedad de Responsabilidad Limitada en de Sociedad Comanditaria por Acciones. Deze samenwerkingsverbanden zijn deels al opgenomen in de rechtsvormenlijst bij het Besluit VBR. Op de laatstgenoemde na zijn de beoordeelde rechtsvormen vergelijkbaar geacht met een van de rechtsvormen die worden genoemd in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e , Besluit VBR. De genoemde Spaanse wetten vormen in Spanje tezamen een combinatie van civiel recht die we in Nederland zien in het Wetboek van Koophandel samen met het BW. De Nederlandse rechtsvormen die worden genoemd in bovengenoemd artikel van het Besluit VBR hebben hun juridische basis in die twee Nederlandse wetten.

De regels over het FCR zijn opgenomen in de Ley 22/2014. Deze Spaanse wet bevat wetten en regels voor een bepaald gedeelte van de financiële sector en reguleert onder meer het toezicht op dit gedeelte van die sector. Uit de preambule van de Ley 22/2014 volgt dat deze wet voornamelijk is gevormd door de implementatie van Richtlijn 2011/61/EU van 8 juni 2011 (ABI-richtlijn) en Verordening Nr. 345/2013 van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen. Richtlijn 2009/65/EG van 13 juli 2009 (ICBE-richtlijn) is in Spanje geïmplementeerd in een aparte wet: de Ley 35/2003 van 4 november 2003. Anders dan in Spanje zijn beide Europese richtlijnen in Nederland geïmplementeerd in één wet: de Wet op het financieel toezicht (Wft). Duidelijk is evenwel dat de Ley 22/2014 veel overeenkomsten heeft met de Wft en in eenzelfde doel voorziet: het faciliteren en reguleren van de beleggingsmarkt.

In de Ley 22/2014 zijn regels opgenomen met betrekking tot entidades de capital-riesgo (hierna: ECR) en gesloten beleggingsinstellingen (EICC) en hun beheerders (SGEIC). Een ECR kan de juridische vorm hebben van een sociedad de capital riesgo (SCR) of een FCR. Een FCR is naar Spaans recht geen rechtspersoon, maar een afgescheiden vermogen zonder rechtspersoonlijkheid dat toebehoort aan een groot aantal deelgerechtigden (pluridad de inversores). Het beheer en de vertegenwoordiging van een FCR berusten bij een daartoe aangewezen beheerder (artikel 30 Ley 22/2014).

Het doel en de kernactiviteit van een FCR bestaat uit het behalen van een rendement voor investeerders die via het FCR investeren in een onderneming met de intentie om het verworven belang op termijn weer te verkopen (artikel 9, eerste lid, Ley 22/2014).

Uit artikel 31, vierde lid, Ley 22/2014 volgt dat deelname in een FCR geschiedt door middel van rechten van deelneming zonder nominale waarde. Deze participaties belichamen de economische rechten van de deelnemers op het fondsvermogen en de daaruit voortvloeiende opbrengsten, naar rato van hun inbreng. De aansprakelijkheid van de deelnemers is beperkt tot het door hen toegezegde of gestorte bedrag.

Een Spaans FCR is een contractuele overeenkomst tussen de participant, de beheersmaatschappij en de bewaarder. Een FCR heeft geen rechtspersoonlijkheid, wel zijn de participanten gezamenlijk economisch eigenaar van de bezittingen. Zoals hiervoor opgemerkt wordt dat mogelijk gemaakt door de rechten van deelneming. Volgens artikel 50 Ley 22/2014 dient een bewaarder aangesteld te worden, als de FCR de drempelwaarden van artikel 72 Ley 22/2014 overschrijdt. De beheerder stelt de bewaarder aan, die valt onder het juridische en aansprakelijkheidsregime van de Ley 35/2003.

Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel f en tweede lid, Ley 22/2014 is deze wet ook van toepassing op een Fondo de Capital Riesgo Europeo (hierna: FCRE). Op grond van artikel 39 en 73 Ley 22/2014 mogen fondsen die voldoen aan de EuVECA-verordening én in het register van de Comisión Nacional del Mercado de Valores zijn ingeschreven in Spanje de benaming FCRE gebruiken. Op deze fondsen is de EuVECA-verordening rechtstreeks van toepassing. De aanduiding FCRE is dus geen aparte rechtsvorm, maar een aanduiding waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een FCR die voldoet aan de voorwaarden uit de EuVECA-verordening.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de aard van een FCR afwijkt van de aard van de Spaanse rechtsvormen die zijn geregeld in de Ley de Sociedades de Capital, de Código de Comercio en de Código Civil. In deze civiele wetten worden rechtsvormen geregeld die zijn bedoeld als samenwerkingsverband. Het FCR is een gereguleerde, contractuele organisatievorm voor beleggingen, die onderdeel is van de Spaanse financiële toezichtwetgeving. Op basis daarvan kan worden gesteld dat de aard van een FCR niet overeenkomt met die van een Nederlandse rechtsvorm als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit VBR. Deze Nederlandse rechtsvormen zijn immers opgenomen in de Nederlandse civiele wet- en regelgeving. De Spaanse rechtsvormen die vergelijkbaar zijn met deze Nederlandse rechtsvormen worden geregeld in de in de Ley de Sociedades de Capital, de Código de Comercio en de Código Civil.

De inrichting van een Spaans FCR

Zoals hiervoor aangegeven onder Algemeen, bestaat de inrichting van de Nederlandse rechtsvormen voor een belangrijk deel uit de wezenlijke kenmerken zoals opgenomen in afdeling 2 van hoofdstuk II van het Besluit VBR. We concluderen hierboven dat de contractuele rechtsvorm FCR een andere aard heeft dan de in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit VBR opgenomen Nederlandse rechtsvormen. Omdat het gaat om vergelijkbaarheid naar aard én inrichting hoeft, in dit geval, geen vergelijking meer te worden gemaakt met genoemde wezenlijke kenmerken. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, Besluit VBR is dan sprake van een niet-vergelijkbare rechtsvorm.

Op grond van artikel 2, vierde lid, Besluit VBR kan een FCR desondanks toch vergelijkbaar worden geacht met een Nederlandse rechtsvorm als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, onder 10e of 11e, Besluit VBR. Daarvoor is vereist dat het FCR voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, vierde lid, Wet Vpb 1969 (fonds voor gemene rekening) of van artikel 2.14bis, zevende lid, Wet IB 2001 (transparant fonds). Een dergelijke beoordeling is afhankelijk van de relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval en derhalve voorbehouden aan de inspecteur.

Conclusie

Een naar Spaans recht aangegaan FCR is naar aard en inrichting niet vergelijkbaar met een van de Nederlandse rechtsvormen als genoemd in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, onder 1e tot en met 9e, Besluit VBR. Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, Besluit VBR is een Spaans FCR daarom een niet-vergelijkbare rechtsvorm. Op grond van artikel 2, vierde lid Besluit VBR kan een FCR desondanks vergelijkbaar zijn met een fonds voor gemene rekening of een transparant fonds, mits wordt voldaan aan de daarvoor in de Wet Vpb 1969, respectievelijk de Wet IB 2001 gestelde voorwaarden.

Deel deze pagina