KG:059:2026:3 Bijgeschreven vergoeding cumulatief preferente aandelen en financieringstoets lucratief belang
Publicatiedatum 03-08-2026, 14:42 | Laatste update 03-08-2026, 14:42 |
Aanleiding
Het geplaatste kapitaal van X Holding BV bestaat uit gewone aandelen en cumulatief preferente aandelen.
Het management van Target BV participeert via STAK X in X Holding BV, de houdstermaatschappij boven Target BV. De participatie van het management wijkt af van die van de overige aandeelhouders doordat STAK X relatief meer gewone aandelen (achtergesteld en risicodragend) houdt en relatief minder cumulatief preferente aandelen ten opzichte van de investeerder A Investment BV.
De vennootschappelijke structuur (voor zover relevant voor het standpunt) ziet er als volgt uit:

De voordelen die door het management worden behaald met de via Stak X gehouden aandelen zijn mede beoogd als beloning als bedoeld in artikel 3.92b, eerste lid, onderdeel a, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
Ten aanzien van de financieringstoets van artikel 3.92b Wet IB 2001 is het volgende relevant. Bij aanvang vertegenwoordigen de gewone aandelen net meer dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal, zodat op dat moment niet wordt voldaan aan de in artikel 3.92b, tweede lid, Wet IB 2001 bedoelde 10/90-verhouding.
De cumulatief preferente aandelen geven recht op een jaarlijkse vergoeding van 12%. Deze vergoeding wordt niet uitgekeerd, maar jaarlijks bijgeschreven bij het cumulatief preferente aandelenkapitaal en gaat vervolgens meedelen in toekomstige vergoedingen. Een zakelijke vergoeding op de cumulatief preferente aandelen zou hoger zijn.
Na jaar 1 en bijschrijving van het dividend op de cumulatief preferente aandelen van 12% wordt het geplaatst kapitaal van de gewone aandelen minder dan 10% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal.
Vragen
- Telt de bijgeschreven vergoeding op de cumulatief preferente aandelen mee voor de financieringstoets van artikel 3.92b, vierde lid, Wet IB 2001?
- Indien het antwoord op vraag 1 ja is, moet dan voor het bepalen van de verhouding tussen de gewone aandelen en de cumulatief preferente aandelen ook de waardeontwikkeling van de gewone aandelen worden meegenomen?
- Als de vergoeding op de cumulatief preferente aandelen onzakelijk is, moet dan voor de bepaling van de verhouding worden uitgegaan van de economische waarde van de cumulatief preferente aandelen, herberekend op basis van een zakelijke vergoeding?
Antwoorden
- Ja. De bijgeschreven vergoeding op de cumulatief preferente aandelen telt mee voor het bepalen van de jaarlijkse omvang van de vergoeding en fungeert daarmee feitelijk als gestort kapitaal. Onder deze omstandigheden telt de bijgeschreven vergoeding mee voor het bepalen van de verhouding tussen de gewone aandelen en de cumulatief preferente aandelen.
- Nee. De waardeontwikkeling van de gewone aandelen speelt geen rol in het bepalen van de verhouding.
- Nee. Er is weliswaar sprake van een waardeverschuiving tussen de verschillende soorten aandelen, maar dat beïnvloedt niet de omvang van het gestorte kapitaal per soort.
Beschouwing
Vraag 1
Voor de toepassing van artikel 3.92b, vierde lid, Wet IB 2001, heeft bijschrijving van het cumulatief preferente dividend invloed op de financieringstoets, als de bijgeschreven vergoeding gaat meedelen in de vergoeding op de cumulatief preferente aandelen.
De financieringstoets gaat uit van een hefboom, waarbij vermogen dat is gestort of wordt toegerekend aan een preferente soort aandelen rendement genereert dat ten goede komt aan een achtergestelde soort. In dat licht dient voor de hefboomtoets van het vierde lid in ieder geval al het vermogen dat aan die voorwaarde voldoet, te worden meegenomen bij de bepaling of sprake is van een lucratief belang.
In artikel 3.92b, tweede lid, Wet IB 2001 wordt bepaald dat (geparafraseerd) als met betrekking tot de daar genoemde hefboom de aandelen van de achtergestelde soort minder dan 10% bedragen van de totale aandeelhoudersfinanciering, er wordt voldaan aan de financieringstoets. Dat wordt aangeduid als de 10-90 verhouding. De gewone aandelen vormen doorgaans de ‘aandelen van de achtergestelde soort’ en de overige aandeelhoudersfinanciering (de preferente soort) wordt doorgaans gevormd door cumulatief preferente aandelen. In plaats van (of naast) cumulatief preferente aandelen kan dat ook een aandeelhouderslening betreffen.
De voordelen die in onderhavige casus door het management worden behaald met de via Stak X gehouden aandelen zijn mede beoogd als beloning als bedoeld in artikel 3.92b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. Als de achtergestelde soort kleiner is dan 1/10e deel van het totale aandelenkapitaal is er sprake van een lucratief belang. Hoe wordt in deze hefboom de omvang van de gewone aandelen (de achtergestelde soort) bepaald en hoe de omvang van de cumulatief preferente aandelen (de preferente soort)?
In art. 3.92b, tweede lid, Wet IB 2001 is het begrip “geplaatst aandelenkapitaal“ opgenomen, dit is het nominaal op de aandelen gestorte kapitaal. Artikel 3.92b, vierde lid, Wet IB 2001 heeft het over “[..] vermogensrechten die [..] economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met aandelen als bedoeld in het tweede lid [..]”.
Omdat het tweede lid spreekt over geplaatst aandelenkapitaal, dat is te verstaan als het geplaatste en gestorte kapitaal, is het logisch om daar die andere vorm van op aandelen gestort kapitaal (agio) en informeel kapitaal als zijnde economisch vergelijkbaar bij te betrekken. Maar dan op basis van lid 4 en niet reeds op basis van lid 2. Dit is door de Hoge Raad bevestigd in HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:557:
“6.2.1 Voor de beoordeling of bij de door belanghebbende gehouden certificaten een hefboomeffect optreedt van meer dan 1 op 10, kan niet rechtstreeks worden aangesloten bij de maatstaf van het geplaatste kapitaal, die wordt gebruikt in artikel 3.92b, lid 2, letter a, Wet IB 2001. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.92b, lid 4, Wet IB 2001 valt af te leiden dat hiertoe bij de overeenkomstige toepassing van het 10%-criterium naast het gestorte kapitaal ook rekening moet worden gehouden met het gestorte agio en met informeel kapitaal.7 Ook leningen aan de vennootschap waarin de belastingplichtige een belang houdt, kunnen in dit verband relevant zijn. In deze totstandkomingsgeschiedenis is gesproken over een achtergestelde lening die in materiële zin fungeert als eigen vermogen en daarmee eenzelfde functie vervult als soortaandelen die niet in de overwinst delen.8 In het licht hiervan moet bij de overeenkomstige toepassing van het 10%-criterium alleen rekening worden gehouden met leningen indien en voor zover deze voor de toepassing van de belastingwetgeving als informeel kapitaal zijn aan te merken.
7 Kamerstukken I 2008/09, 31 459, nr. C, blz. 11-12.
8 Handelingen II 3 september 2008, blz. TK 107-7871, en Kamerstukken I 2008/09, 31 459, nr. E, blz.8. “
De grondslag voor de hefboom van de financieringstoets wordt daarom gevormd door de omvang van het gestorte kapitaal, te verstaan als nominaal plus agio plus informeel kapitaal. Door een tussentijdse verhoging van het gestorte kapitaal, in welke vorm dan ook, kan dus de hefboom wijzigen zodat een lucratiefbelangpositie ontstaat of juist eindigt.
Als bijgeschreven rente of bijgeschreven dividend op de cumulatief preferente aandelen onderdeel gaat uitmaken van de hoofdsom of het cumulatief preferente aandelenkapitaal en daarmee recht gaat geven op een vergoeding, is er feitelijk sprake van gestort kapitaal. Dat kan door middel van een ‘fictief kasrondje’ inzichtelijk worden gemaakt. Immers, in feite wijzigt de hoofdsom door de bijschrijving. Het kasrondje laat zien dat de uitkomst van de bijschrijving materieel vergelijkbaar is met een uitkering van het preferente dividend, gevolgd door (informele) storting op de preferente aandelen.
Als de bijgeschreven rente of het bijgeschreven dividend onderdeel gaat uitmaken van een gewone vordering (‘nog uit te keren rente’) of een dividendreserve (waarover geen dividend-% wordt berekend), dan telt die bijgeschreven rente niet mee in de vereiste 10-90 hefboom. Voor zover de winst over enig jaar onvoldoende is om het volledige dividend op de cumulatief preferente aandelen te kunnen uitkeren (lees: bij te schrijven) en dit (deels) dus ook niet gaat meedelen in het toekomstige dividend op de cumulatief preferente aandelen, gaat het niet-bijgeschreven deel niet meetellen voor de financieringstoets. Dit extra-comptabel bij te houden en in de toekomst in te lopen deel van de vergoeding telt pas mee voor de toepassing van de financieringstoets op het moment dat het gaat meedelen in de winst.
Vraag 2
Voor algemene winstreserves en andere reserves die geen extra (economische) rechten meebrengen, geldt dat deze niet meetellen voor de financieringstoets. Ook de waarde van de verschillende soorten aandelen is niet relevant voor de financieringstoets, zo volgt ook uit het eerder vermelde arrest HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:557. Immers, in die zaak was de waarde van de gewone aandelen gedaald tot € 1, maar leidde dat niet tot het oordeel dat daarmee (alsnog) sprake was van een lucratief belang. Dat houdt in dat de waardeontwikkeling als zodanig van de verschillende soorten aandelen niet relevant is voor de financieringstoets.
Het effect van deze uitwerking is dat bij aanvang geen sprake van een lucratief belang. Na jaar 1 en bijschrijving van het dividend op de cumulatief preferente aandelen van 12% wijzigt voor de berekening van het hefboom de noemer en dan wordt het geplaatst kapitaal van de gewone aandelen minder dan 10% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal.
Dat bij de financieringstoets wordt gekeken naar wat er gestort is op de aandelen en niet naar de waarde van de aandelen, is ook bevestigd in de verwijzingszaak bij voormeld arrest, zie r.o. 5.8.5 van de uitspraak van Gerechtshof Den Haag, 27 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:534:
“Voor zover belanghebbende ter adstructie van zijn standpunt nog heeft betoogd dat de boekhoudkundige cijfers in het onderhavige geval niet kunnen dienen als basis voor de in het kader van het 10%-criterium te maken berekening omdat bij [B B.V.] geen ‘impairment’ zou hebben plaatsgevonden en de boekhouding aldus geen getrouw beeld geeft van de werkelijke waarde van de onderneming van [B B.V.] dan wel de Groep, verwerpt het Hof dat betoog. Uit het verwijzingsarrest volgt dat de waarde van de onderneming geen rol speelt bij de beoordeling of een hefboomeffect optreedt van meer dan 1 op 10. De door belanghebbende becijferde ‘economische waarde’ van het eigen vermogen van [B B.V.] ad € 7,5 miljoen is derhalve niet van belang voor de beslechting van het onderhavige geschil.”
Vraag 3
Vanwege de onzakelijk lage vergoeding op de cumulatief preferente aandelen is de waarde in het economisch verkeer van deze aandelen bij aanvang lager dan het daarop gestorte kapitaal. Omdat de totale waarde van de onderneming gelijk blijft, komt deze waarde toe aan de gewone aandelen. Dat houdt echter niet in dat daadwerkelijk minder op de cumulatief preferente aandelen en meer op de gewone aandelen is gestort dan waartoe de aandeelhouders zich hebben verplicht. Voor de financieringstoets moet daarom worden uitgegaan van de daadwerkelijk gestorte bedragen.
In geval van een onzakelijke rente of een onzakelijk preferent dividendpercentage kan wel een waardeverschuiving plaatsvinden tussen de verschillende soorten aandelen. In dit kennisgroepstandpunt wordt niet ingegaan op de gevolgen daarvan op – bijvoorbeeld – de loonheffing.