KG:211:2026:32 Mogelijkheid van vrijwillige aanvullende inleg van deelnemer (werknemer) in buitenlandse pensioenregeling vormt voor buitenlands pensioenlichaam geen verhindering voor toepassing pensioenvrijstelling (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969)
Publicatiedatum 06-08-2026, 10:13 | Laatste update 06-08-2026, 10:13 |
Aanleiding
X is een naar het recht van land Y opgericht en feitelijk aldaar gevestigd pensioenlichaam. De werkzaamheden van X bestaan uit het uitvoeren van een pensioenregeling voor werknemers en gewezen werknemers, hun partners en hun kinderen. De pensioenregeling voorziet in de mogelijkheid dat de werknemer vrijwillig een aanvullende inleg doet aan X. Hierbij stelt de pensioenregeling een begrenzing aan de omvang van de inleg. De omvang gaat niet uit boven hetgeen volgens fiscale regels in land Y maximaal toelaatbaar is.
De inleg kan hierbij afkomstig zijn uit andere inkomstenbronnen dan loon uit arbeid bij zijn werkgever. De inleg krijgt de bestemming van pensioen. Een werknemer die een aanvullende inleg aan X doet, verliest dan ook de beschikkingsmacht over de inleg. De werknemer kan met andere woorden de inleg en het rendement daarop niet vrijelijk opnemen of onttrekken aan de pensioenregeling.
In het kader van de uitvoering van de pensioenregeling belegt X in Nederlandse aandelen, waarbij op uitgekeerd dividend dividendbelasting is ingehouden. X verzoekt om een teruggaaf van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting (artikel 10, tweede of derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965). Om in aanmerking te komen voor deze teruggaafregeling, is onder meer vereist dat belanghebbende, als zij in Nederland zou zijn gevestigd, subjectief zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 juncto artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971, hierna: de pensioenvrijstelling). Het beleid hierover is opgenomen in de onderdelen 3.3 en 3.4 van het beleidsbesluit van 25 november 2019, nr. 2019-187751 (hierna: het besluit). In het kader van de beoordeling of aan dit beleid is voldaan, is de volgende vraag opgekomen.
Vraag
Staat de mogelijkheid van een vrijwillige aanvullende inleg door een deelnemer (werknemer) in zijn pensioenregeling voor het buitenlandse pensioenlichaam (X) in de weg aan de toepassing van de pensioenvrijstelling?
Antwoord
Nee, deze mogelijkheid van de vrijwillige aanvullende inleg door een werknemer in zijn pensioenregeling staat voor het buitenlandse pensioenlichaam (X) niet in de weg aan de toepassing van de pensioenvrijstelling. Er is namelijk sprake van een fiscaal in omvang begrensde inleg die onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling in land Y, die de bestemming heeft van pensioen en waarover de werknemer niet vrijelijk kan beschikken. Om voor de pensioenvrijstelling in aanmerking te komen is uiteraard wel vereist dat aan alle voorwaarden van onderdeel 3.3 van voormeld besluit wordt voldaan. De beoordeling hiervan is voorbehouden aan de bevoegde inspecteur.
Beschouwing
In onderdeel 3.3.1 van het besluit zijn de cumulatieve voorwaarden opgenomen waaraan een in het buitenland gevestigd pensioenlichaam en de buitenlandse pensioenregeling moeten voldoen om een beroep te kunnen doen op de pensioenvrijstelling. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan de vraag waaraan een buitenlandse regeling moet voldoen om naar aard en strekking overeen te komen met een regeling als bedoeld in artikel 1 Pensioenwet respectievelijk de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting (zie artikel 5, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969).
Eén van de voorwaarden in onderdeel 3.3.1 is voorwaarde H. Voor zover relevant voor de casus is hierin opgenomen dat het geheel een arbeid- en loongerelateerde inkomensvoorziening moet zijn en moet kunnen blijven. Dit houdt in dat:
- de pensioenopbouw gekoppeld is aan de duur van het arbeidscontract (diensttijd) en aan de vergoeding voor het verrichten van de arbeid; en
- de pensioenuitkeringen steeds ten doel hebben de levenslange verzorging van de oude dag of bij overlijden de levenslange verzorging van nabestaanden, dan wel inkomensvervanging bij arbeidsongeschiktheid.
In sommige Nederlandse pensioenregelingen en binnen bepaalde (fiscale) begrenzingen kan een werknemer vrijwillig een aanvullende inleg doen als die mogelijkheid onderdeel is van de pensioenregeling. Dit is bijvoorbeeld mogelijk in pensioenregelingen waarin de pensioenopbouw gemaximeerd is tot een bepaald bedrag van het loon (salaris). Over het salaris dat uitstijgt boven dat bedrag kan een werknemer dan een aanvullende inleg doen. De aanvullende inleg krijgt daarmee een bestemming van pensioen. Over de ingelegde gelden kan de werknemer niet vrijelijk beschikken.
Voor de toetsing aan voorwaarde H is in dit verband essentieel dat de aanvullende inleg:
- onderdeel is van de pensioenregeling;
- de bestemming van pensioen behoudt; en
- na de inleg niet ter vrije beschikking staat aan de werknemer.
Het blijft daarmee een arbeid- en loongerelateerde regeling. De aard en strekking van de buitenlandse pensioenregeling is hiermee niet in die mate anders dat deze niet meer vergelijkbaar is met een Nederlandse pensioenregeling.
De mogelijkheid dat een deelnemer (werknemer) door middel van een vrijwillige aanvullende inleg bij X zijn pensioenopbouw kan aanvullen, staat voor X niet in de weg aan de toepassing van de pensioenvrijstelling. Er is namelijk sprake van een fiscaal in omvang begrensde inleg die onderdeel is van de pensioenregeling, die de bestemming heeft van pensioen en waarover de deelnemer (werknemer) vervolgens niet meer vrijelijk kan beschikken.