Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:202:2026:11 Box 3 en terugstorting betaalde lijfrentepremies en/of -inleg na opzegging of ontbinding lijfrenteverzekeringen

Aanleiding

Naar aanleiding van de invoering van de herstelwetgeving (Wet rechtsherstel box 3) en de overbruggingswetgeving met betrekking tot hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen diverse vragen op over de kwalificatie van vermogensbestanddelen, zoals het recht op terugbetaling van de betaalde lijfrentepremies en/of -inleg (hierna: premies) na opzegging van het lijfrenteproduct op grond van de (wettelijke) bedenktijd.

Vraag

Op welke wijze wordt het bedrag van premie(s) die vóór de peildatum in box 3 zijn betaald, maar door opzegging of ontbinding van een lijfrenteproduct na de peildatum in box 3 worden terug ontvangen, op de peildatum in aanmerking genomen onder de Wet rechtsherstel box 3 en de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023?

Antwoord

In geval van een terugbetaling van premie(s) wegens opzegging of ontbinding van een lijfrenteproduct, wordt - als voorwaarde van goedkeurend beleid - de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden. Wanneer de premiestorting heeft plaatsgevonden vóór de peildatum in box 3 en het bedrag na de peildatum in box 3 wordt teruggestort, wordt alsdan het teruggestorte bedrag als overige bezitting opgenomen in de rendementsgrondslag van box 3 van het betreffende kalenderjaar. Dit geldt zowel onder de Wet rechtsherstel box 3 als onder de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023.

Beschouwing

In artikel 5.3, eerste lid, Wet IB 2001 staat dat de rendementsgrondslag de waarde is van de bezittingen minus de waarde van de schulden van een belastingplichtige.

Naar aanleiding van het zogenoemde kerstarrest (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) wordt in de Wet rechtsherstel box 3 ter bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen een onderscheid gemaakt tussen drie vermogenscategorieën:

  • 1. Banktegoeden.
  • 2. Overige bezittingen.
  • 3. Schulden.

Dit onderscheid is voortgezet in de Overbruggingswet box 3 die met ingang van 1 januari 2023 de box 3-wetgeving in de Wet IB 2001 heeft gewijzigd. De overbruggingswet heeft als doel om de box 3-heffing voor de jaren tot aan de invoering van een nieuw box 3-stelsel in lijn te brengen met het kerstarrest.

Banktegoeden worden in artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtsherstel box 3 en met ingang van 1 januari 2023 in artikel 5.2, derde lid, Wet IB 2001 gedefinieerd. Het gaat hierbij met name om deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s.

De bezittingen die niet als banktegoed kwalificeren, worden als overige bezittingen in box 3 aangemerkt.

Terugstorting lijfrentepremies

Op grond van artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 zijn betaalde lijfrentepremies binnen bepaalde grenzen aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. In artikel 3.126 Wet IB 2001 is bepaald dat premies voor lijfrenten in aanmerking worden genomen indien zij zijn verschuldigd aan bepaalde nader in dat artikel omschreven verzekeraars (hierna: lijfrenteverzekering). In artikel 3.126a Wet IB 2001 is opgenomen dat de geblokkeerde rekening ook kan worden ondergebracht bij een bank of bij een beleggingsonderneming. Daarnaast is het mogelijk de gelden over te maken naar een beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve beleggingen in effecten, ter verkrijging van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling. Dit wordt ook wel een lijfrentebeleggingsrecht genoemd.

Wanneer een belastingplichtige een lijfrenteproduct afsluit, heeft hij een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Binnen de bedenktijd kan hij het lijfrenteproduct opzeggen of ontbinden. Afhankelijk van de voorwaarden van de lijfrente zal de financiële instelling het reeds betaalde bedrag aan premie(s) – en in voorkomende gevallen het behaalde positieve of negatieve rendement – terugbetalen. Opzegging of ontbinding van het lijfrenteproduct leidt fiscaal tot afkoop van het lijfrenteproduct. In onderdeel 2.2 van het Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen (Stcrt. 2026, 14092) heeft de Staatssecretaris van Financiën op grond van de hardheidsclausule goedgekeurd dat een mogelijkheid tot opzegging of ontbinding niet in strijd is met het afkoopverbod én dat geen revisierente wordt berekend als van deze clausule gebruik wordt gemaakt

Om voor het goedkeurend beleid in aanmerking te komen moet aan de voorwaarde worden voldaan dat de mogelijkheid tot opzegging of ontbinding in de lijfrenteovereenkomst is opgenomen en maximaal tot 30 dagen vanaf het moment dat de overeenkomst wordt afgesloten kan worden ingeroepen. Verder is vereist dat de mogelijkheid tot opzegging of ontbinding geldt voor de gehele overeenkomst en dat de betreffende lijfrenteovereenkomst geen voortzetting is van een eerdere lijfrenteovereenkomst.

Behandeling in box 3

Ten aanzien van box 3 is in onderdeel 2.2 van het Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen de voorwaarde opgenomen dat de premiestorting geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden, wat van belang kan zijn voor de rendementsgrondslag van box 3 van de belastingplichtige.

Ingeval de lijfrentepremies geruisloos worden teruggestort, hebben deze premies ten onrechte een verlaging van de rendementsgrondslag van box 3 tot gevolg gehad. Dat wordt nader verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld:

Belastingplichtige sluit op 30 december 2025 een lijfrente ter compensatie van een pensioentekort af bij een verzekeraar en stort € 10.000 aan premies. Begin januari 2026 besluit belastingplichtige het lijfrenteproduct op te zeggen omdat dit niet het product was dat hij voor ogen had. Volgens de bijbehorende voorwaarden in de overeenkomst is opzegging zonder opgaaf van redenen mogelijk binnen 30 dagen. Conform de voorwaarden stort de verzekeraar het betaalde bedrag aan premie(s) terug.

In het hiervoor genoemde voorbeeld heeft de premiebetaling in 2025 tot gevolg gehad dat de rendementsgrondslag van belastingplichtige op de peildatum voor box 3 in 2026 lager uitviel. Als belastingplichtige in 2025 geen premie(s) had betaald, was de rendementsgrondslag op 1 januari 2026 immers hoger geweest.

Daarom wordt, in geval van opzegging of ontbinding van het lijfrenteproduct, het terug te storten bedrag bij wijze van fictie in de rendementsgrondslag van box 3 voor het relevante jaar opgenomen. Dit houdt in dat het teruggestorte bedrag moet worden opgenomen in de rendementsgrondslag van box 3.

Welke vermogenscategorie?

Het bij wijze van fictie aan te geven teruggestorte bedrag kan niet als een banktegoed in box 3 worden aangemerkt.

Onder zowel de Wet rechtsherstel box 3 als de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023 wordt het begrip banktegoeden eng gedefinieerd. Het - bij fictie alsnog op te nemen - teruggestorte bedrag in box 3 in het relevante kalenderjaar voldoet niet aan de definitie van een banktegoed.

Daarbij is mede van belang dat het teruggestorte bedrag ook het behaalde rendement op de betaalde premie(s) kan omvatten. Het bedrag dat de belastingplichtige moet aangeven in box 3 kan dus hoger of lager zijn dan enkel het bedrag aan betaalde premie(s).

Het feit dat bij een lijfrenterekening bij een bank de cliënt zelf en op eigen naam een (geblokkeerde) lijfrenterekening opent bij een bankinstelling en als depositohouder kwalificeert, is niet relevant. De lijfrente valt immers op grond van 3.126a Wet IB 2001 in box 1 en wordt ingevolge de rangorderegeling niet in box 3 in aanmerking genomen.

Aangezien het teruggestorte bedrag niet kwalificeert als banktegoed, valt dit bedrag in de vermogenscategorie ‘overige bezittingen’. Dit geldt zowel onder de Wet rechtsherstel box 3 als onder de box 3-wetgeving met ingang van 1 januari 2023.

Conclusie

In geval van een terugbetaling van premie(s) wegens opzegging of ontbinding van een lijfrenteproduct, wordt de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden. Wanneer de premiestorting heeft plaatsgevonden vóór de peildatum in box 3 en het bedrag na de peildatum in box 3 wordt teruggestort, wordt het teruggestorte bedrag als overige bezittingen opgenomen in de rendementsgrondslag van box 3 van het betreffende kalenderjaar.

NB: met ingang van 31 maart 2026 zijn onderdeel 2.4 (herstel van een (foutieve) overboeking naar een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht) en onderdeel 2.5 (geruisloze terugstorting van te veel betaalde premie of te hoge inleg) van het Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen komen te vervallen. In het ingetrokken KG:202:2024:8 werd op basis van die onderdelen van het Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen dezelfde redenering gehanteerd ten aanzien van terugstortingen in de zin van die onderdelen.

Deel deze pagina