KG:040:2026:6 Het Unierecht verzet zich niet tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965 (geen inhoudingsvrijstelling dividendbelasting bij vergelijkbare functie)
Publicatiedatum 14-09-2026, 15:58 | Laatste update 14-09-2026, 15:58 |
Aanleiding
Dit standpunt is een vervolg op standpunt KG:024:2025:7 van de kennisgroep dividendbelasting en bronbelasting (hierna: KG DB).
Een in een andere lidstaat van de Europese Unie (hierna: EU) gevestigd lichaam X belegt indirect, via een in Nederland gevestigd lichaam, in Nederlands vastgoed. Daarnaast belegt X ook direct in Nederlands vastgoed.
Het Nederlandse lichaam is voornemens een opbrengst aan X ter beschikking te stellen en op basis van artikel 4, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) op deze opbrengst de inhouding van dividendbelasting achterwege te laten.
Ingevolge artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965 is de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing als X een vergelijkbare functie vervult als een fiscale beleggingsinstelling (hierna: fbi) als bedoeld in artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) of een vrijgestelde beleggingsinstelling (hierna: vbi).
Met ingang van 1 januari 2025 mag een fbi niet langer rechtsreeks beleggen in Nederlands vastgoed.
De KG DB concludeert in standpunt KG:024:2025:7 dat X geen recht heeft op de inhoudingsvrijstelling omdat X een vergelijkbare functie vervult als een fbi.
X beheert namelijk als intermediair vermogen van beleggers ter collectieve belegging. Daarnaast is X in het land van vestiging onderworpen aan een belastingregime dat als doel heeft om collectief beleggen van vermogen fiscaal neutraal te laten plaatsvinden.
Aansluitend neemt de KG DB het standpunt in dat het feit dat X zowel direct als indirect belegt in Nederlands vastgoed niet verhindert dat X een vergelijkbare functie vervult als een fbi.
X is van mening dat het Unierecht (de vrijheid van kapitaalverkeer) zich in haar geval verzet tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965. X stelt dat zij objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd, regulier Vpb-plichtig lichaam. In dat verband wijst zij op het feit dat een fbi niet rechtstreeks mag beleggen in Nederlands vastgoed.
Naast de in standpunt KG:024:2025:7 vermelde feiten is nog het volgende van belang. X is een contractueel beleggingsfonds waarin een groot aantal (particuliere) participanten deelneemt.
De rechtsvorm van X wordt niet genoemd in bijlage I, deel A, van de Moeder-dochterrichtlijn, Richtlijn 2011/96/EU, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015/121 (hierna: MDR).
Vragen
- Verzet de vrijheid van kapitaalverkeer zich in de situatie van X tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965?
- Maakt het voor het antwoord verschil dat een fbi niet rechtstreeks mag beleggen in Nederlands vastgoed?
Antwoorden
- Nee, de vrijheid van kapitaalverkeer verzet zich in de situatie waarin X verkeert niet tegen de toepassing van artikel 4, derde lid, onderdeel b, Wet DB 1965.
X is niet objectief vergelijkbaar met een in Nederland gevestigd, regulier Vpb-plichtig lichaam, maar met een fbi. Zij is in het land van vestiging namelijk onderworpen aan een belastingregime dat, evenals het fbi-regime, als doel heeft om collectief beleggen van vermogen fiscaal neutraal te laten plaatsvinden. - Aan deze conclusie doet niet af dat een in Nederland gevestigde fbi niet rechtstreeks mag beleggen in Nederlands vastgoed.
Beschouwing
1. Toelichting nationaal kader
De inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 beoogt economisch dubbele belastingheffing binnen een concern te voorkomen. Zie de volgende uitlating in de parlementaire geschiedenis:
“(…) Het niet heffen van dividendbelasting in deelnemingsverhoudingen is erop gericht om economisch dubbele belasting over dezelfde winsten binnen een concern te voorkomen. Het uitgangspunt dat deze economisch dubbele belasting voorkomen of beperkt dient te worden, is internationaal nog steeds breedgedragen. (…).”
Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, 34 788, nr. 6, p. 8.
Deze doelstelling is in lijn met (het doel van) de MDR waarvan artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 de implementatie vormt.
Zie ten eerste artikel 2, onderdeel a(iii), MDR. Op grond van die bepaling is de MDR alleen van toepassing op vennootschappen die zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen zijn aan een kwalificerende winstbelasting.
Zie verder Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) 8 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:180 (de zaak Wereldhave), punt 36 en HvJ 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:599 (de zaak Banca Mediolanum), punt 40. Eerstgenoemd punt luidt:
“36. Die richtlijn [MDR; toevoeging Kennisgroep] heeft immers tot doel de dubbele belasting van door dochterondernemingen aan hun moedermaatschappijen uitgekeerde winst te voorkomen (zie met name arresten van 3 april 2008, Banque Fédérative du Crédit Mutuel, C-27/07, EU:C:2008:195, punt 27; 22 december 2008, Les Vergers du Vieux Tauves, C-48/07, EU:C:2008:758, punt 37, en 1 oktober 2009, Gaz de France – Berliner Investissement, C-247/08, EU:C:2009:600, punt 57) door middel van de mechanismen waarin artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van richtlijn 90/435 voorzien.”
Uit de rechtspraak volgt verder dat de voorkomingsmechanismen waarin de MDR voorziet slechts zijn bedoeld voor situaties waarin, zonder de toepassing van die mechanismen, de uitoefening door de lidstaten van hun heffingsbevoegdheid tot economisch dubbele belastingheffing zou kunnen leiden. Zie punt 39 van het arrest Wereldhave.
Tot 1 januari 2010 bevatte artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 een vergelijkbaar onderworpenheidscriterium. Naar aanleiding van het arrest Aberdeen (ECLI:EU:C:2009:377) heeft de wetgever besloten om dit criterium te laten vervallen. De wetgever was namelijk bevreesd dat dit criterium zou kunnen leiden tot een schending van de fundamentele vrijheden. Tegelijkertijd is de uitzondering ingevoerd voor buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een vbi dan wel fbi. In de wetsgeschiedenis wordt dit als volgt toegelicht (zie Kamerstukken II, vergaderjaar 2009/2010, 32129, nr. 3, p. 70-71):
“Uit het arrest van het HvJ EG [Aberdeen; toevoeging kennisgroep] kan worden afgeleid dat het niet relevant is of het buitenlandse lichaam een rechtsvorm heeft die in Nederland niet bekend is of die niet is opgenomen in de bijlage bij de moeder-dochterrichtlijn. Daarnaast kan op basis van het arrest de vraag worden gesteld of de onderworpenheid van andere inkomsten nog van belang is voor de vergelijking van binnenlandse en grensoverschrijdende dividenden. In verband hiermee wordt voorgesteld om de huidige rechtsvormeis en onderworpenheidseis te laten vervallen (huidige artikel 4, tweede lid, onder 1° en onder 3°). Daar staat evenwel tegenover dat in binnenlandse verhoudingen geen inhoudingsvrijstelling of teruggaaf van dividendbelasting wordt verleend bij uitkeringen aan een vrijgestelde beleggingsinstelling (artikel 6a van de Wet Vpb 1969) of een fiscale beleggingsinstelling met uitdelingsverplichting (artikel 28 van de Wet Vpb 1969). In de voorgestelde wettekst (derde lid, onderdeel b) is daarom tevens voorzien in een uitzondering op de inhoudingsvrijstelling voor dividenduitkeringen aan een buitenlands lichaam dat een vergelijkbare functie vervult als een vrijgestelde beleggingsinstelling of een fiscale beleggingsinstelling.”
De vergelijkbare-functie-uitzondering is dus een verfijning van de oorspronkelijke onderworpenheidseis. De uitzondering brengt mee dat een buitenlandse collectieve beleggingsinstelling die in haar land van vestiging is onderworpen aan een regime dat vergelijkbaar is met het fbi-regime of het vbi-regime, gelijk wordt behandeld als een fbi of een vbi. Daarmee zorgt de uitzondering voor een gelijk speelveld tussen binnenlandse en buitenlandse collectieve beleggingsinstellingen die (materieel) zijn vrijgesteld van belastingheffing.
Volgens het HvJ maakt het daarbij geen verschil of een beleggingsinstelling is vrijgesteld van belastingheffing dan wel is onderworpen aan een tarief van 0%. Zie punt 34 van het al vermelde arrest Wereldhave.
2. MDR
De MDR verzet zich niet tegen het weigeren van de inhoudingsvrijstelling. Om te beginnen wordt de rechtsvorm van X niet genoemd in bijlage I, deel A van de MDR.
Zie verder HvJ 1 oktober 2009, ECLI:EU:C:2009:600 (de zaak Gaz de France - Berliner Investissement) en de punten 26 t/m 28 van het al gememoreerde arrest Aberdeen.
3. Vrijheid van kapitaalverkeer
Ook de vrijheid van kapitaalverkeer verzet zich niet tegen de toepassing van de vergelijkbare-functie-uitzondering.
3.1 Unierechtelijke belang van het buitenlandse belastingregime
Bij de beoordeling of de vergelijkbare-functie-uitzondering een in beginsel verboden beperking behelst is van belang of de onderhavige, grensoverschrijdende situatie nadeliger wordt behandeld dan de daarmee objectief vergelijkbare interne situatie.
In dit geval is van belang of X objectief vergelijkbaar is met een fbi of met een regulier Vpb-plichtig lichaam.
Volgens vaste rechtspraak moet de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie worden onderzocht op basis van het doel dat wordt nagestreefd met de in het geding zijnde nationale bepaling, het voorwerp en de inhoud van die bepaling. Daar komt bij dat alleen de in die bepaling gehanteerde relevante onderscheidingscriteria in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling een weerspiegeling vormt van objectief verschillende situaties. Zie HvJ 27 april 2023, ECLI:EU:C:2023:339 (de zaak L Fund), punt 54 en daarin aangehaalde rechtspraak.
3.2 Beoordeling objectief vergelijkbare situatie
Ter beoordeling van de vraag of X zich in een objectief vergelijkbare situatie bevindt als een fbi zijn de volgende punten van belang.
- De inhoudingsvrijstelling beoogt economisch dubbele belastingheffing te voorkomen. De toepassing van die vrijstelling zou in het onderhavige geval haar doel voorbijschieten. Het aan X uitgekeerde dividend wordt bij haar vanwege het aldaar van toepassing zijnde regime immers niet (materieel) belast.
- De inhoudingsvrijstelling mist eveneens toepassing op dividend uitgekeerd aan een fbi of een vbi. Zoals toegelicht in onderdeel 1 bestaat Unierechtelijk geen verschil tussen beide situaties.
- De vergelijkbare-functie-uitzondering beoogt een (ongerechtvaardigde) bevoordeling van een bepaalde categorie in het buitenland gevestigde opbrengstgerechtigden te voorkomen. De context van de onderhavige regeling is derhalve niet vergelijkbaar met de regelgeving die aan de orde is in de zaak Aberdeen (reeds vermeld) en HvJ 10 mei 2012, ECLI:EU:C:2012:286 (de zaak Santander). De fundamentele vrijheden strekken er immers toe om gelijke gevallen gelijk te behandelen, maar niet om grensoverschrijdende situaties gunstiger te behandelen dan interne situaties.
- Het fbi-regime beoogt de belastingdruk op via een fbi behaalde beleggingsopbrengsten zo veel mogelijk gelijk te doen zijn aan de belastingdruk bij rechtstreeks beleggen door particulieren (zie Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2020:1674, punt 5.2.3). Een particuliere belegger heeft geen recht op toepassing van de inhoudingsvrijstelling. Tot de participanten van X behoren in overwegende mate particuliere beleggers.
- Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat een bronstaat buitenlandse beleggingsinstellingen bij de toekenning van een belastingvoordeel niet aan exact dezelfde voorwaarden mag onderwerpen als binnenlandse beleggingsinstellingen. Zie bijvoorbeeld UBS Real Estate (ECLI:EU:C:2021:1015), A SCPI (ECLI:EU:C:2022:276) en F SA (ECLI:EU:C:2025:119). Zie in het bijzonder de punten 73 en 74 in Köln-Aktienfonds Deka (ECLI:EU:C:2020:51) waarin het HvJ oordeelt:
“73. Wanneer de mogelijkheid om teruggaaf van bronbelasting te verkrijgen afhankelijk wordt gesteld van de strikte naleving van de in de nationale wettelijke regeling gestelde voorwaarden, ongeacht de wettelijke voorwaarden die voor niet-ingezeten beleggingsfondsen gelden in hun vestigingsstaat, zou dat evenwel erop neerkomen dat de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van de gunstige behandeling van dividenden uitsluitend aan ingezeten beleggingsfondsen wordt voorbehouden. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter zullen ingezeten beleggingsfondsen immers over het algemeen voldoen aan alle in de wettelijke regeling van hun vestigingsstaat gestelde voorwaarden, terwijl niet-ingezeten beleggingsfondsen over het algemeen alleen zullen voldoen aan de door hun vestigingslidstaat gestelde voorwaarden.
74. In die omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat een niet-ingezeten beleggingsfonds dat wegens het in zijn vestigingsstaat van kracht zijnde regelgevingskader niet voldoet aan alle voorwaarden van de lidstaat die het betrokken belastingvoordeel toekent, zich niettemin in een situatie bevindt die in essentie vergelijkbaar is met die van een ingezeten beleggingsfonds dat aan dergelijke voorwaarden voldoet.” - Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat bij de vergelijkbaarheid van een binnenlandse en buitenlandse collectieve beleggingsinstelling groot belang kan toekomen aan het belastingregime dat van toepassing is op de desbetreffende buitenlandse beleggingsinstelling.
Zie in het bijzonder HvJ 30 april 2025, ECLI:EU:C:2025:290 (de zaak Franklin), punten 60 tot en met 63. Daarin sanctioneert het HvJ een Oostenrijkse regeling (inzake dividendbelasting) die niet-transparante buitenlandse beleggingsinstellingen gelijk behandelt aan transparante Oostenrijkse beleggingsfondsen op voorwaarde dat het buitenlandse belastingregime erin voorziet dat niet de beleggingsinstelling wordt onderworpen aan belastingheffing (ter zake van het Oostenrijkse dividend) maar de participanten. - Een fbi mag niet beleggen in Nederlands vastgoed maar wel in buitenlands vastgoed. Voor X vormt de belegging in Nederlands vastgoed buitenlands vastgoed. In zoverre gelden voor X in haar land van vestiging dus dezelfde regels als voor een fbi.
Uit deze punten volgt dat X ter zake van het Nederlandse dividend wordt onderworpen aan een belastingregime dat (in essentie) een vergelijkbare functie vervult als het fbi-regime.
X is daarom niet vergelijkbaar met een regulier Vpb-plichtig lichaam. De vrijheid van kapitaalverkeer verzet zich er bijgevolg niet tegen dat X de inhoudingsvrijstelling wordt geweigerd. Rekening houdend met de doelstelling die ten grondslag ligt aan de inhoudingsvrijstelling verkeert X namelijk in een objectief met een fbi vergelijkbare situatie.
Daaraan doet niet af dat X belegt in Nederlands vastgoed.
3.3 Rechtvaardiging: evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden
Mocht de vergelijkbare-functie-uitzondering, anders dan hiervoor is betoogd, wel een door de vrijheid van kapitaalverkeer in beginsel verboden onderscheid behelzen, dan wordt deze belemmering gerechtvaardigd door de noodzaak de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen.
Deze rechtvaardigingsgrond kan met name worden aanvaard wanneer de regeling in kwestie ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn fiscale bevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die plaatsvinden op zijn grondgebied. Zie de al genoemde zaak L Fund, punt 76.
Dat is het geval bij de vergelijkbare-functie-uitzondering. Daarmee onderwerpt Nederland binnenlandse en buitenlandse collectieve beleggingsinstellingen met activiteiten op Nederlands grondgebied immers op dezelfde wijze aan belasting.
Dat ligt anders in de zaken Aberdeen (reeds genoemd), HvJ 21 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:480 (de zaak Fidelity Funds) en L Fund (reeds genoemd).
De vergelijkbare functie-uitzondering is daarnaast een geschikte en proportionele maatregel. Gelet op de doelstelling van de inhoudingsvrijstelling (de voorkoming van economisch dubbele belasting) is het logisch dat die vrijstelling achterwege blijft als dubbele heffing zich niet voordoet. Een geschikter alternatief dan het onthouden van de inhoudingsvrijstelling is niet voorhanden.