KG:206:2026:3 Artikel 43 AWR van toepassing op curator failliete rechtspersoon
Publicatiedatum 30-09-2026, 14:51 | Laatste update 30-09-2026, 14:51 |
Aanleiding
Op grond van artikel 43 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kunnen de verplichtingen van ”iemand die in staat van faillissement is verklaard” worden nagekomen door de curator en is de curator desgevorderd gehouden tot nakoming van deze verplichtingen. De inspecteur vraagt zich af of een failliete rechtspersoon onder het begrip ”iemand die in staat van faillissement is verklaard” valt.
Vraag
Is artikel 43 AWR van toepassing op de curator van een failliete rechtspersoon?
Antwoord
Ja. Een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, valt onder het begrip “iemand die in staat van faillissement is verklaard” als bedoeld in artikel 43 AWR. Artikel 43 AWR is daarom van toepassing op de curator van een failliete rechtspersoon.
Beschouwing
Wettelijk kader
Artikel 43 AWR luidt:
“De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator en bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden.”
Artikel 2:5 van het Burgerlijk Wetboek luidt:
“Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.”
Artikel 1, eerste lid, van de Faillissementswet (hierna ook: Fw) luidt als volgt:
“De schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer zijner schuldeisers, bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.”
Wetsgeschiedenis
In de memorie van toelichting bij de AWR (Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 21 en p. 22) staat onder meer het volgende vermeld over artikel 43 AWR (destijds artikel 41 AWR):
“Het in het civiele recht bekende instituut van verplichte vertegenwoordiging door wettelijke vertegenwoordigers, curators en bewindvoerders is eveneens slechts ten dele voor het belastingrecht bruikbaar. Ook hier zal, in het belang van een juiste belastingheffing, aan het element persoonlijk optreden een ruime plaats moeten worden ingeruimd. Deze gedachte – de bevoegdheid in belastingzaken van minderjarigen, curandi en personen, die in staat van faillissement zijn verklaard of wier vermogen onder bewind staat - ligt ten grondslag aan de regeling van artikel 41 [thans artikel 43 AWR].
(…)
Ter voorkoming van schade (…) is aan de wettelijke vertegenwoordigers, de faillissementscurator en de bewindvoerder de bevoegdheid gegeven en kan hun in bepaalde de gevallen de verplichting worden opgelegd, om namens de door hen vertegenwoordigden te handelen.
(…)
Het begrip vertegenwoordigen zal, zowel in het administratieve als in het burgerlijke recht, moeten worden opgevat als het toerekenen van een handeling aan een ander dan de handelende persoon. Dit betekent onder meer dat geen overdracht van de kwaliteit van de vertegenwoordigde op de vertegenwoordiger plaats vindt; het belastingsubject blijft, reclamant, appellant, enz.
(…)
In deze afdeling vinden de volgende categorieën een regeling; de vertegenwoordiging krachtens volmacht en door middel van zaakwaarneming (artikel 39) [thans artikel 41 AWR], die bij lichamen (artikel 40) [thans artikel 42 AWR], alsmede die door wettelijke vertegenwoordigers, curators, en door wettelijke bewindvoerders met generale beheersbevoegdheid (artikel 41) [thans artikel 43 AWR].
(…)
Artikel 41 [thans artikel 43 AWR] Het voorschrift kent aan de wettelijke vertegenwoordiger, de curator en de bewindvoerder de bevoegdheid toe om de onder hen gestelden in het belastingrecht te vertegenwoordigen. Deze bevoegdheid geldt behoudens het bepaalde in artikel 43 onvoorwaardelijk tegenover de met belastingheffing belaste autoriteit.
(…)
Om de nakoming van de verplichtingen ook administratiefrechtelijk te verzekeren bepaalt de tweede volzin van het artikel, dat wettelijke vertegenwoordigers, curators en bewindvoerders desgevorderd tot die nakoming gehouden zijn.”
Jurisprudentie
In het arrest HR 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9503, betreffende een failliet verklaarde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, overwoog de Hoge Raad:
“3.4 Bij de behandeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat na faillietverklaring naast de curator ook B als bestuurder van belanghebbende bevoegd bleef namens belanghebbende bezwaar te maken tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslagen.”
In de daaraan voorafgaande uitspraak van 3 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5679 oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden als volgt:
“5.2 (…) De curator is immers belast met het beheer van de boedel (artikel 68, eerste lid, van de Faillissementswet) en kan voor zover het de heffing van belastingen betreft ingevolge artikel 43 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheden van de failliet zelfstandig uitoefenen (…).
(…)
5.4. De curator was ingevolge gemeld artikel 43 zelfstandig bevoegd bezwaar te maken tegen aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen en - indien hij daartoe termen aanwezig achtte - gemaakt bezwaar weer in te trekken. Voor de rechtsgeldigheid van een bezwaar of van de intrekking daarvan was instemming van [belanghebbendes directeur] niet vereist.”
Literatuur
Vetter heeft het volgende opgemerkt over de informatieverplichting in faillissement (zie J.J. Vetter, Groene Serie Faillissementswet II.1.3.5):
“Op grond van art. 47 AWR is eenieder gehouden desgevraagd gegevens en inlichtingen aan de inspecteur te verschaffen, die voor de eigen belastingheffing van belang kunnen zijn. In dat artikel is ook geregeld dat eenieder desgevraagd aan de inspecteur boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (de administratie) ter inzage moet verstrekken. In faillissementssituaties gaan deze verplichtingen, indien de inspecteur zich op de voet van art. 43 AWR tot de curator wendt, mede de curator aan.
In de regel ontvangt een curator kort na zijn benoeming door de rechtbank een vragenbrief van de inspecteur. De curator is gelet op art. 47 jo. art. 43 AWR gehouden om die vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Niemand is echter gehouden tot het onmogelijke; indien gegevens niet of nog niet bekend zijn, dan kan de curator ermee volstaan om aan te geven dat de gevraagde gegevens in dit stadium van de behandeling van het faillissement nog niet bekend zijn. Niet of onjuist beantwoorden van deze brief kan leiden tot sancties als omkering van de bewijslast en oplegging van een fiscale boete.”
Van Eijsden schreef over de aangifteplicht voor de vennootschapsbelasting bij faillissement en de daarbij geldende praktische werkwijze voor curatoren het volgende (zie A. van Eijsden, Aangifteplicht voor curatoren, Tijdschrift voor insolventierecht, TvI 2007, 5):
“De Minister van Financiën is tegemoet gekomen aan de wensen van curatoren om op een zeer laagdrempelige manier te voldoen aan de uitnodiging tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) voor gefailleerde belastingplichtigen.
(…)
De bepaling waarop de aangifteplicht is gebaseerd is art. 6 in verbinding met art. 8 Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Degene die door de inspecteur wordt uitgenodigd om aangifte te doen, is ook gehouden om die aangifteplicht te vervullen en derhalve aangifte te doen. Art. 6 AWR duidt degene die aangifte moet doen, aan als de belastingplichtige of inhoudingsplichtige terwijl in art. 8 lid 1 eerste volzin wordt bepaald dat ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, ook gehouden is aangifte te doen.
De in art. 6 bedoelde belastingplichtige is - althans in het kader van deze beschouwing - de failliet, te weten de natuurlijke- of rechtspersoon die is gefailleerd. Wettelijk uitgangspunt is derhalve dat zonder nadere actie van de zijde van de inspecteur de failliet aangifteplichtig is. Voor de aangifteplichtigheid van de curator is derhalve een nadere aanwijzing vereist. Daarin voorziet art. 43 AWR, welke bepaling in de eerste volzin kenbaar maakt dat de failliet aangifteplichtig is en blijft, doch dat die plicht door de curator kan worden nakomen. De tweede volzin van art. 43 bepaalt vervolgens dat desgevorderd de curator gehouden is aangifte te doen.”
Beoordeling
Op grond van de Faillissementswet kunnen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen in staat van faillissement worden verklaard. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 43 AWR kan worden opgemaakt dat de wetgever met deze wettelijke bepaling aansluiting heeft gezocht bij het civiele recht. Dit standpunt wordt ondersteund door de hiervoor genoemde rechtspraak en vakliteratuur. Artikel 43 AWR is dan ook van toepassing op (de curator van) een failliete rechtspersoon.