Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:051:2026:3 Terugkomen op keuze lening die als bestaande eigenwoningschuld in box 1 is aangegeven

Aanleiding

De vraag is voorgelegd of een belastingplichtige kan terugkomen op een gemaakte keuze over de lening die hij als bestaande eigenwoningschuld (hierna: BEWS) in box 1 heeft aangegeven. Daartoe is ter illustratie het volgende voorbeeld gegeven.

Een belastingplichtige koopt een nieuwe woning, waarvoor de maximale eigenwoningschuld € 800.000 bedraagt. Hij financiert deze aankoop met twee aflossingsvrije leningen van € 400.000. Voor een bedrag van € 400.000 heeft de belastingplichtige recht op het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden. In de aangifte van het belastingjaar van aankoop geeft hij aflossingsvrije lening 1 van € 400.000 als BEWS in box 1 aan en aflossingsvrije lening 2 van € 400.000 in box 3. Na de aankoop hebben zich geen gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de woning voorgedaan.

Vraag

Kan de belastingplichtige in de aangifte van een belastingjaar volgend op het jaar van aankoop aflossingsvrije lening 1 die hij aanvankelijk als BEWS in box 1 heeft aangegeven als box 3-schuld aangeven en omgekeerd aflossingsvrije lening 2 die aanvankelijk in box 3 viel als BEWS in box 1 aangeven?

Antwoord

Nee, tenzij de aanslag van het belastingjaar van aankoop nog niet onherroepelijk vaststaat.

Beschouwing

Oogmerkvereiste

In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat als het causale verband tussen de schuld en de bron is komen vast te staan, bij ongewijzigde omstandigheden later niet meer op dit historisch bepaalde karakter van de schuld wordt teruggekomen (Kamerstukken II 1995/96, 24761, nr. 3, p. 29). Zie in dit verband ook de zogenoemde oogmerkarresten van onder andere HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AH9156. Beide aflossingsvrije leningen van € 400.000 voldoen aan het vereiste historisch-causaal verband (oogmerkvereiste) en kunnen dus in beginsel kwalificeren als eigenwoningschuld.

Maximale eigenwoningschuld en overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden

Hoewel beide aflossingsvrije leningen van de belastingplichtige van in totaal € 800.000 voldoen aan het oogmerkvereiste, kwalificeert op basis van artikel 10bis.1, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) slechts maximaal een bedrag van € 400.000 als BEWS in de zin van artikel 10bis.1, eerste lid, Wet IB 2001. Voor het meerdere van € 400.000 wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.119a, eerste lid, Wet IB 2001 om te kwalificeren als eigenwoningschuld.

Toerekening leningen als eigenwoningschuld

Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de bijleenregeling blijkt dat de wetgever zich heeft gebogen over de toerekening als de som van de leningen die voldoen aan het oogmerkvereiste groter is dan de op de voet van artikel 3.119a, eerste lid juncto derde lid, Wet IB 2001 berekende maximale eigenwoningschuld van een nieuwe woning. In dat geval geldt als hoofdregel dat fiscaal theoretisch elk van de leningen zou moeten worden gesplitst in een box 1-deel (eigenwoningschuld) en een box 3-deel. Echter, daarbij is ook de kanttekening geplaatst dat daar in de praktijk soepel mee zal worden omgegaan en bij de splitsing kan worden uitgegaan van het totaal aan leningen (Kamerstukken I 2003/04, 29210, C, p. 8). Hieruit volgt dat een belastingplichtige de keuze heeft om van voornoemde pro-rata hoofdregel af te wijken, waarbij bijvoorbeeld één lening integraal als eigenwoningschuld wordt aangemerkt.

In onderdeel 3.1.2 van het besluit van de Minister van Financiën van 10 juni 2010 (Stcrt. 2010, 8462) doet zich een vergelijkbare situatie voor bij de vermindering van de eigenwoningschuld bij overgang van een deel van de eigen woning naar box 3. Hoofdregel is dan dat de eigenwoningschuld pro rata wordt verminderd met het deel dat naar box 3 gaat. Goedgekeurd is echter dat mag worden aangesloten bij het oogmerk van de belastingplichtige. Onderdeel van de goedkeuring is dat de belastingplichtige de keuze voor toerekening moet maken in de aangifte inkomstenbelasting van het desbetreffende belastingjaar.     

Een gelijksoortig keuzemoment doet zich ook voor in de voorgelegde vraag waarbij slechts een deel van de leningen voldoet aan de voorwaarden voor kwalificatie van eigenwoningschuld. Ook dan geldt als hoofdregel de pro-rata-toerekening in een box 1-deel (eigenwoningschuld) en een box 3-deel, maar mag de belastingplichtige net als in de voorgaande situaties van deze hoofdregel afwijken. Als hij ervoor kiest om af te wijken van de pro-rata hoofdregel door in de aangifte inkomstenbelasting van het jaar van aankoop een lening geheel in box 1 aan te geven, heeft deze lening een historisch bepaald karakter als eigenwoningschuld in box 1. Dit naast het historisch bepaalde karakter als een schuld die aan het oogmerkvereiste voldoet. De belastingplichtige kan op deze keuze in de aangifte inkomstenbelasting terugkomen tot het moment waarop de aanslag van het jaar van aankoop onherroepelijk vaststaat. Deze herziene keuze geldt dan ook voor alle volgende belastingjaren en tot het moment dat er zich opnieuw gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de woning voordoen.

Er is bijvoorbeeld sprake van gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de woning als er een verwerving of een (fictieve) vervreemding van de woning plaatsvindt (HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1780, rechtsoverweging 3.2.6) of de maximale eigenwoningschuld wordt herrekend op grond van artikel 3.119f, vierde lid, Wet IB 2001.

Deel deze pagina