KG:011:2026:7 Artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 en loonbelasting
Publicatiedatum 06-10-2026, 7:18 | Laatste update 06-10-2026, 7:18 |
Aanleiding
X BV verstrekt aan haar werknemers om niet aandelen X BV ter waarde van € 1.000. De kosten met betrekking tot de uitreiking van deze aandelen komen op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) bij het bepalen van de winst van X BV niet in aftrek.
De aandelen vormen belast loon in natura voor de werknemers. Het te belasten loon is de waarde in het economische verkeer van deze aandelen. De werknemer is over deze waarde loonbelasting verschuldigd. Bij een enkelvoudig tarief van stel 49,5% bedraagt de verschuldigde loonbelasting € 495.
X BV heeft besloten de verschuldigde loonbelasting voor eigen rekening te nemen. Dit voordeel behoort op zichzelf ook weer tot het loon van de werknemer. Om de verschuldigde loonbelasting over het totale voordeel te berekenen moet daarom brutering plaatsvinden. Bruteren is het vaststellen hoeveel loon gemoeid is met het voordeel dat de werknemer geniet als de werkgever de loonheffingen voor zijn rekening neemt. Stel er geldt een gebruteerd tabeltarief van 98%. De totale kosten voor de werkgever van het voor zijn rekening nemen van de loonbelasting over de aandelen bedragen dan € 980,10 (€ 495 + (98%*€ 495)). X BV wijst de aandelen niet aan als eindheffingsbestanddeel in de zin van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).
Vraag
Is artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 ook van toepassing op het bedrag aan loonbelasting dat X BV voor eigen rekening neemt?
Antwoord
Nee. Het bedrag aan loonbelasting dat X BV voor eigen rekening neemt, valt niet onder de aftrekbeperking van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969. Uit de wettekst volgt niet dat dergelijke kosten die samenhangen met de uitreiking of toekenning van in artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 genoemde aandelen en rechten eveneens aan de aftrekbeperking zijn onderworpen. Ook bevat de parlementaire geschiedenis bij dit artikel hiervoor onvoldoende steun.
Beschouwing
Wettelijk kader
De wettekst van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 (wettekst 2026) luidt als volgt:
“uitreiking of toekenning van aandelen in het kapitaal van de belastingplichtige of in dat van een met de belastingplichtige verbonden lichaam, van winstbewijzen in de belastingplichtige of in een met de belastingplichtige verbonden lichaam, alsmede van rechten om aandelen in het kapitaal van of winstbewijzen in de belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden lichaam te verwerven of van daarmee gelijk te stellen rechten, daaronder begrepen aan werknemers van wie het loon op jaarbasis meer bedraagt dan € 728.000 toegekende rechten waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van die aandelen of winstbewijzen.”
Beoordeling
De werknemer is belastingplichtig voor de Wet LB 1964. De werkgever is verplicht de door de werknemer verschuldigde loonbelasting in te houden op zijn loon en af te dragen aan de Belastingdienst. Met deze afdracht voldoet de werkgever een persoonlijke schuld van de werknemer.
X BV besluit om de loonbelasting ter zake van de aandelenbeloning voor eigen rekening te nemen. Dit betekent dat X BV toezegt de persoonlijke schuld van de werknemer te voldoen. Dit voordeel behoort op zichzelf ook weer tot het loon van de werknemer. Het totale voordeel voor de werknemer is als werknemersbeloning in beginsel aftrekbaar van de winst op grond van artikel 3.8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 juncto artikel 8 Wet Vpb 1969.
Het voor eigen rekening nemen van de loonbelasting leidt tot additionele kosten die samenhangen met de uitvoering van de uitreiking of toekenning van aandelen en rechten zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969. Maar deze additionele kosten worden niet door artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 in aftrek beperkt. Uit de wettekst volgt niet dat dergelijke kosten die samenhangen met de uitreiking of toekenning van aandelen en rechten zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 eveneens aan de aftrekbeperking zijn onderworpen. Ook bevat de parlementaire geschiedenis bij dit artikel hiervoor onvoldoende steun.
Artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb is ingegeven door de gedachte dat de vennootschap niet armer wordt door de toekenning van optierechten en de uitreiking van eigen aandelen. Dit volgt onder meer uit Kamerstukken II 2005/06, 30572, nr. 3, p. 28–29. Als de vennootschap de loonbelastingschuld van de werknemer voor eigen rekening neemt, is wel degelijk sprake van een verarming van de vennootschap en is er dus geen reden voor aftrekbeperking op voet van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969.