Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:211:2026:35 Enkele vragen omtrent fiscale behandeling trusts

Aanleiding

Ter beoordeling is een situatie voorgelegd over een naar het recht van de Verenigde Staten (hierna: VS) ingestelde revocable discretionary trust. De trust is ingesteld door ouder 1 (settlor). Ouder 1 is een inwoner van de VS en is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met ouder 2. Begunstigde van de trust is een kind van ouder 1 en 2. Dit kind heeft de Amerikaanse nationaliteit maar woont in Nederland. Tot voor kort was ouder 2 de trustee (bestuurder van de trust).

Na het overlijden van ouder 2 heeft het kind binnen de trust ook de rollen van (enige) trustee  en (enige) trust protector (toezichthouder) verkregen. Hierdoor bevindt de feitelijke leiding van de trust zich vanaf dat moment in Nederland en is de trust dus gevestigd in Nederland. De trust is niet vergelijkbaar met een Nederlandse rechtsvorm en door de vestigingsplaats in Nederland in beginsel belastingplichtig op basis van artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969).

Als (enige) trustee, (enige) trust protector én begunstigde van de trust kan het kind feitelijk beschikken over het vermogen van de trust als ware het diens eigen vermogen. De vraag is dan ook of, ondanks het feit dat de trust fiscaal als niet-transparant kwalificeert, toch sprake kan zijn van fiscale transparantie van de trust in de zin van HR 30 oktober 1985 ECLI:NL:HR:1985:AC9086 (transparantieleer).

In casu bevat de trustakte ook zogenoemde ‘ascertainable standard safe harbor’ bepalingen, die gelden in het geval de trustee en de begunstigde in één persoon zijn verenigd. In dat geval is de beschikkingsmacht van de trustee beperkt tot het verrichten van uitkeringen in het kader van ‘health, education, maintenance & support’. Voor de Amerikaanse belastingwet geldt dat op basis van deze safe harbor bepalingen géén sprake is van een vereenzelviging van het trustvermogen met het privévermogen van de begunstigde (IRS Code Sec. 2041(b)).

In dit geval is daarnaast sprake van een revocable trust. De insteller kan de voorwaarden derhalve op elk moment aanpassen of de trust opheffen. De vraag is of een dergelijke trust, evenals een irrevocable trust, een afgezonderd particulier vermogen (hierna: APV) kan zijn.

Vragen

  1. Geldt de transparantieleer ook na de inwerkingtreding van de Wet Fiscaal Kwalificatiebeleid Rechtsvormen (hierna: WFKR) per 1 januari 2025 nog steeds voor de toepassing van de Wet Vpb 1969, de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) en de Wet bronbelasting 2021 (hierna: Wet BB 2021)?
  2. Kan de transparantieleer worden toegepast als een naar het recht van de VS ingestelde trust in de VS fiscaal als niet-transparant wordt aangemerkt vanwege de in de trustakte opgenomen ‘ascertainable standard safe harbor’ bepalingen?
  3. Kan een revocable trust een APV zijn zoals bedoeld in artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

Antwoorden

  1. Ja. De transparantieleer kan ook na de inwerkingtreding van de WFKR per 1 januari 2025 nog steeds worden toegepast, als de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.
  2. Ja. De transparantieleer kan worden toegepast als de trust in de VS fiscaal als niet-transparant wordt aangemerkt. Voor de toepassing van de transparantieleer is niet relevant hoe de Belastingdienst van de VS de betreffende trust fiscaal behandelt. Uiteraard wordt voor de beoordeling of de transparantieleer van toepassing is wel rekening gehouden met de safe harbor bepalingen in de trustakte.
  3. Ja. Ook een revocable trust kan een APV zijn. In de wetsgeschiedenis van artikel 2.14a Wet IB 2001 is bewust geen onderscheid gemaakt tussen soorten trusts. Iedere soort trust kan daarom kwalificeren als APV.

Beschouwing

Beschouwing vraag 1

In de bijlage bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen (hierna: Besluit VBR) is de VS trust opgenomen als niet-vergelijkbare rechtsvorm. Dat betekent in beginsel voor de fiscale kwalificatie dat bij vestiging in het buitenland de symmetrische methode geldt (waarbij de fiscale kwalificatie van het land van vestiging wordt gevolgd), en bij vestiging in Nederland de vaste methode (fiscaal niet-transparant). Op grond van de geldende regelgeving is het dus mogelijk dat een trust voor de Wet Vpb 1969, Wet IB 2001, Wet DB 1965 en de Wet BB 2021 kwalificeert als niet-transparante rechtsvorm.

In HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in de stichting aanwezige vermogen voor de heffing van de inkomsten- en vermogensbelasting wordt behandeld als ware het vermogen van de belastingplichtige zelf, als die belastingplichtige over het in een stichting aanwezige vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dit wordt in de praktijk ook wel de transparantieleer genoemd. Op grond van deze transparantieleer wordt het vermogen in bijvoorbeeld een stichting of een trust toegerekend aan de achterliggers. Daardoor wordt dus feitelijk de niet-transparantie van deze rechtsvormen fiscaal genegeerd. De transparantieleer is uiteraard niet aan de orde als de rechtsvorm waarbinnen het vermogen wordt aangehouden zelf al als transparant kwalificeert. Het aanwezige vermogen wordt dan al aan de belanghebbenden toegerekend. In HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:212 is de transparantieleer nogmaals bevestigd.

In Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4440 heeft het hof artikel 2.14a Wet IB 2001 getoetst in het licht van de transparantieleer. Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis (waarin wordt verwezen naar HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086 en A-G Wattel 26 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:704) niet af dat met de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 (het APV-regime) de transparantierechtspraak is achterhaald (ro. 4.1 t/m 4.3, 4.6 en 4.7).

In HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:241 oordeelde de Hoge Raad dat de transparantieleer ondanks de invoering van art. 2.14a Wet IB nog steeds van toepassing is.

Uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie blijkt dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WFKR de kwalificatie van een rechtsvorm niet relevant was op het moment dat de belastingplichtige over het in de rechtsvorm aanwezige vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen (zie ECLI:NL:HR:1985:AC9086 en ECLI:NL:HR:2021:212).

Dit wijzigt niet doordat de rechtsvormkwalificatie vanaf 1 januari 2025 plaatsvindt volgens de WFKR. De wetgeschiedenis van de WFKR geeft ook geen aanleiding voor een andere conclusie. Ook na de inwerkingtreding van de WFKR per 1 januari 2025 is de transparantieleer zodoende nog steeds geldig.

Beschouwing vraag 2

Volgens de bij het Besluit VBR behorende rechtsvormenlijst is de Amerikaanse trust niet vergelijkbaar met een Nederlandse rechtsvorm. Als de trust is gevestigd in Nederland, wordt deze na de inwerkingtreding van de WFKR volgens de vaste methode gekwalificeerd als niet-transparante rechtsvorm. De Amerikaanse fiscale kwalificatie van de trust is hierbij niet relevant.

Zoals uit het antwoord op vraag 1 blijkt, blijft de transparantieleer ook na implementatie van de WFKR van kracht. Dat houdt voor de voorgelegde situatie in dat, ondanks de kwalificatie van de trust als niet-transparante rechtsvorm, op basis van de feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of de transparantieleer van toepassing is. Daarbij wordt in de voorgelegde situatie rekening gehouden met de mate waarin de beschikkingsmacht van het kind wordt beperkt door de safe harbor bepalingen in de trustakte. Het enkele feit dat safe harbor bepalingen zijn opgenomen in de trustakte, sluit op zich toepassing van de transparantieleer niet uit. 

Beschouwing vraag 3

Een revocable trust is een herroepbare trust, ofwel een trust die ook weer opgeheven kan worden. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 2.14a Wet IB 2001 blijkt dat bewust geen onderscheid is gemaakt tussen soorten trusts. Kamerstukken II, 2008/09, 31930, nr. 3, p. 51:

“Van de «trust», maar ook van andere rechtsfiguren, is bekend dat deze vele verschijningsvormen kent. Een onderscheid in naam als «irrevocable» of «revocable», «discretionary» of «fixed» of een ander onderscheid is voor de toepassing van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van belang. Van belang zijn steeds de feiten en omstandigheden.”

Iedere soort trust kan daarom een APV zijn als deze aan de vereisten van artikel 2.14a Wet IB 2001 voldoet. Als op basis van de trustakte met de trust een meer dan bijkomstig particulier belang wordt beoogd, kan ook een revocable trust als een APV kwalificeren. Ook bij een revocable trust voert een trustee het beheer over het in de trust afgezonderde vermogen, daarbij rekening houdende met eventuele instructies of richtlijnen van de settlor via een letter of wishes. Het verschil met de irrevocable trust is dat de settlor van een revocable trust het door hem ingestelde trustverband weer kan opheffen, waardoor de ingebrachte vermogensbestanddelen weer aan de settlor worden overgedragen. Zolang de trust echter niet is herroepen, moet met zijn bestaan rekening worden gehouden en kan de trust kwalificeren als APV.  

Deel deze pagina