KG:070:2022:3 Ingegane oudedagsverplichting en omzetting in lijfrenterekening: minimale uitkeringsduur
Publicatiedatum 27-03-2023, 16:04 | Laatste update 20-02-2026, 13:01 |
Aanleiding
De directeur-grootaandeelhouder (hierna: de DGA) heeft een oudedagsverplichting (hierna: ODV) bij zijn eigen bv, waarvan de uitkeringen zijn ingegaan. De DGA wil de ODV omzetten in een lijfrenterekening. De DGA is op dat moment zestien jaar ouder dan zijn AOW-leeftijd.
Vragen
- Wat is in deze situatie de minimale uitkeringsduur van de lijfrenterekening, indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3o, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?
- Wat is in deze situatie de minimale uitkeringsduur van de lijfrenterekening, indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3o, Wet IB 2001?
Antwoorden
- De minimale uitkeringsduur is vier jaar.
- De minimale uitkeringsduur is vijf jaar.
Beschouwing
Aanwending van de ODV ter verkrijging van een lijfrente, nadat de uitkeringen ingevolge de ODV zijn ingegaan, is op grond van artikel 38p, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, onder nader te stellen voorwaarden mogelijk. Deze voorwaarden zijn uitgewerkt in onderdeel 2.3 van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 27 juni 2023 (Stcrt. 2023, 18570) (hierna: Verzamelbesluit pensioenen).
Op grond van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 moet de eerste lijfrentetermijn worden uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
Deze leeftijdsgrens is ook van toepassing op een lijfrente die wordt verkregen door het aanwenden van een ODV. Op grond van artikel 10a.18, vijfde lid, Wet IB 2001 mag de genoemde leeftijdsgrens echter onder nader te stellen voorwaarden buiten toepassing worden gelaten.
Deze voorwaarden zijn uitgewerkt in onderdeel 2.4 van het Verzamelbesluit pensioenen.
In artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3o, Wet IB 2001 worden de uitkeringsduren beschreven als de lijfrente op de uiterste ingangsdatum gaat uitkeren. Deze uitkeringsduren blijven ook van toepassing als een ODV geruisloos wordt aangewend ter verkrijging van een lijfrente na deze uiterste ingangsdatum. De minimale uitkeringsduur is ten minste vijf jaar als het gezamenlijke bedrag aan termijnen niet hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3o, Wet IB 2001 (tijdelijke oudedagslijfrenterekening).
Is het gezamenlijke bedrag aan termijnen hoger dan het bedrag genoemd in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, onder 3o, Wet IB 2001, dan is de minimale uitkeringsduur ten minste twintig jaar (levenslange oudedagslijfrenterekening). De minimale uitkeringsduur van twintig jaar wordt verminderd met de periode die verstreken is tussen het moment waarop de gerechtigde de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en het moment waarop de eerste termijn van de lijfrente wordt uitgekeerd.
Er is zestien jaar verstreken sinds de DGA de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, dus de DGA is elf jaar ouder dan de leeftijd die vijf jaar hoger is dan zijn AOW-leeftijd. Dus de minimale uitkeringsduur van twintig jaar wordt verminderd met zestien, dat is vier jaar.
Toelichting op update van 20 februari 2026
Het standpunt is aangepast in verband met de wetswijzigingen van 1 januari 2023 en 1 juli 2023.