Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:003:2022:17 Step up bij einde 30%- regeling?

Aanleiding

  • In 1999 emigreert belastingplichtige naar de Verenigde Staten.
  • In 2002 richt belastingplichtige Y-Corporation op, een vennootschap naar het recht van een van de Staten van de VS, en verkrijgt een aanmerkelijk belang in deze vennootschap.
  • In 2003 remigreert belastingplichtige naar Nederland. Y-Corporation blijft gevestigd in de Verenigde Staten.
  • Belastingplichtige kwalificeert voor de 30%-regeling als bedoeld in artikel 31a, achtste lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 en kiest op grond van artikel 2.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) voor toepassing van partieel buitenlandse belastingplicht.
  • De looptijd van de 30%-regeling eindigt voor belastingplichtige in 2012.

Vraag

Moet bij het einde van de looptijd van de 30%-regeling de verkrijgingsprijs voor belastingplichtige van de aandelen in Y-Corporation op basis van artikel 4.25 Wet IB 2001 juncto artikel 16 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer?

Antwoord

Ja, de verkrijgingsprijs wordt bij einde van de looptijd van de 30%-regeling gesteld op de waarde in het economische verkeer.

Beschouwing

Bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht, wordt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang gesteld op de waarde in het economisch verkeer op dat moment (artikel 4.25 Wet IB 2001 juncto artikel 16 UBIB 2001). Binnenlandse belastingplicht ontstaat doorgaans doordat iemand in Nederland gaat wonen. Daar sluit de tekst van artikel 4.25 Wet IB 2001 ook bij aan. De partiële buitenlandse belastingplicht sluit tekstueel niet goed aan op deze tekst. Op het moment dat iemand feitelijk in Nederland gaat wonen en kiest voor partieel buitenlandse belastingplicht wordt hij gedeeltelijk binnenlands belastingplichtig; hij wordt immers geacht voor de toepassing van box 2 en box 3 niet in Nederland te wonen.

Zou de verkrijgingsprijs bij het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht wel worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip waarop de belastingplichtige feitelijk in Nederland is gaan wonen, dan zou Nederland uiteindelijk wel heffen over de waardemutatie van het aanmerkelijk belang tussen het moment dat hij feitelijk in Nederland is gaan wonen en het moment dat de partiële buitenlandse belastingplicht eindigt. Gezien doel en strekking van de partiële buitenlandse belastingplicht is dit niet beoogd. Gelet hierop wordt artikel 2.6 Wet IB 2001 in combinatie met artikel 4.25 Wet IB 2001 aldus uitgelegd dat de belastingplichtige op het moment dat de partiële buitenlandse belastingplicht eindigt, geacht wordt in Nederland te gaan wonen.

Dit heeft in casu tot gevolg dat de verkrijgingsprijs wordt gesteld op de waarde in het economisch verkeer op dat tijdstip.

Deel deze pagina

Op deze pagina