Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:003:2022:3 Stemrechtcriterium bij opeenvolgende aandelenfusies

Aanleiding

X bezit 90% van de aandelen in BV X. Y bezit alle aandelen in Holding Y. Holding Y bezit de overige 10% van de aandelen in BV X. Daarnaast bezit Holding Y alle aandelen in BV Z. Holding Y is bestuurder van BV Z.

X schenkt de aandelen in BV X aan Y. Y houdt dan direct 90% en indirect de overige 10% van de aandelen in BV X. Y wil vervolgens een structuur creƫren, waarbij Holding Y alle aandelen in BV Z bezit en BV Z alle aandelen in BV X bezit.

Y wil dit realiseren door middel van een tweetal aandelenfusies.
Bij de eerste aandelenfusie stort Y zijn direct gehouden aandelen in BV X op nieuw uit te reiken aandelen door Holding Y. Holding Y houdt dan alle aandelen in BV X. Bij de tweede aandelenfusie stort Holding Y haar aandelen in BV X op nieuw uit te reiken aandelen in BV Z.

Vraag

Wordt, gezien het samenstel van rechtshandelingen, ten aanzien van de eerste aandelenfusie voldaan aan het stemrechtvereiste van artikel 3.55, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

Antwoord

Ja. Na de eerste aandelenfusie bezit Holding Y alle stemrechten in BV X. De tweede aandelenfusie doet hier niet aan af.

Beschouwing

Bij de eerste aandelenfusie verwerft Holding Y tegen uitreiking van eigen aandelen een zodanig bezit aan aandelen in BV X dat zij meer dan de helft van de stemrechten in BV X kan uitoefenen. Aan het stemrechtvereiste van artikel 3.55, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001 wordt dus voldaan.

De tweede aandelenfusie doet hier niet aan af, omdat ook na deze aandelenfusie Holding Y meer dan de helft van de stemrechten in BV X kan blijven uitoefenen. Holding Y is namelijk enig, indirect, aandeelhouder en ook bestuurder in BV X.

Deel deze pagina

Op deze pagina