Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:011:2026:5 Operational lease en de houdsterverliesregeling


Aanleiding

X BV beschikt over verrekenbare verliezen uit de boekjaren 2014 tot en met 2018. Deze verliezen kwalificeren als houdster- en financieringsverliezen in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) zoals dat artikel luidde op 31 december 2018. Sinds 2021 verricht X BV uitsluitend operational leaseactiviteiten voor verbonden vennootschappen.

Vraag

Kwalificeren operational leaseactiviteiten als financieren in de zin van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud)?

Antwoord

Nee. Taalkundig ziet financieren op het verschaffen of verkrijgen van geldmiddelen, terwijl operational lease het in gebruik geven van een actief betreft. Systematiek, wetshistorie en doel en strekking van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) bieden geen grond om van deze beperkte uitleg van het begrip financieren af te wijken voor de toepassing van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud).

Beschouwing

Wat is operational lease?

Bij operational lease verleent de lessor aan de lessee het recht om gedurende een bepaalde periode gebruik te maken van een bepaald actief (gebruiksrecht) in ruil voor een vergoeding van de lessee. Het economische en juridische eigendom van het actief blijft bij de lessor. Het gebruik van het actief staat centraal. Dat is anders bij financial lease. Het economische risico van het leaseobject berust in dat geval bij de lessee. Bij financial lease staat de financiering van het object centraal.

Uit rechtspraak volgt dat als in het kader van operational lease een object in gebruik (lease) wordt gegeven tegen betaling (leasetermijn), voldaan is aan de definitie van huur in artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek (Gerechtshof Den Haag 22 januari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BY9447).

Wettelijk kader

Artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) luidt als volgt:

“Indien de feitelijke werkzaamheid van een belastingplichtige gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen, is in afwijking van het tweede lid het verlies van dat jaar slechts verrekenbaar met de belastbare winsten, onderscheidenlijk de Nederlandse inkomens, van jaren waarin:

a. de feitelijke werkzaamheid van de belastingplichtige eveneens gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met hem verbonden lichamen, en

b. de boekwaarde van de vorderingen op met de belastingplichtig verbonden lichamen verminderd met de boekwaarde van de schulden aan zodanige lichamen gedurende het gehele of nagenoeg het gehele jaar niet uitgaat boven de boekwaarde van soortgelijke vorderingen verminderd met de boekwaarde van soortgelijke schulden aan het einde van het jaar waarin het verlies is geleden.”

Artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) beperkt de verrekening van verliezen als de werkzaamheden bestaan uit het houden van deelnemingen of het financieren van verbonden lichamen. De bepaling is per 1 januari 2019 vervallen, maar blijft via overgangsrecht (artikel 34i Wet Vpb 1969) van toepassing op de verrekening van verliezen die afkomstig zijn van vóór 2019.

De term ‘financiering’ is opgenomen in zowel de aanhef als in onderdeel b van de bepaling. Zodra een belastingplichtige als houdster- of financieringsmaatschappij op grond van de aanhef wordt aangemerkt, is verliesverrekening enkel mogelijk indien voldaan wordt aan de voorwaarden van onderdeel a en onderdeel b.

Parlementaire geschiedenis

De houdsterverliesregeling is als budgettaire maatregel ingevoerd ter reparatie van de (budgettaire) gevolgen van het Bosal arrest (HvJ EU 18 september 2003, zaak C-168-01). De regeling beperkt de verrekening van verliezen die zijn geleden door een houdster- en financieringsvennootschap. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) schrijft de wetgever:

“De voorgestelde aanpassing van artikel 20 strekt ertoe dat verliezen die voortvloeien uit het houden van deelnemingen niet onbeperkt in mindering komen op winsten uit andersoortige werkzaamheden. Daarmee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de belastingheffing over productiewerkzaamheden wordt afgeroomd door verliezen uit deelnemingen”

Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 8, p. 12.

Artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) gaat verder dan enkel reparatie van de gevolgen van het Bosal arrest. De wetgever merkt op:

“De verliesmaatregel is ook van toepassing op financieringsvennootschappen die geen deelnemingen houden. Daaraan doet niet af dat zij geen direct voordeel hebben van het Bosalarrest. Zoals hiervoor is aangegeven wordt deze maatregel weliswaar voorgesteld naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Bosal, maar is deze niet uitsluitend bedoeld voor die belastingplichtigen die baat hebben bij deze uitspraak."

Kamerstukken I, 2003/04, 29210, C, p. 22

Om het houdsterverlies te kunnen verrekenen, dient de belastingplichtige in het winstjaar aan twee voorwaarden te voldoen, de zogenoemde ‘werkzaamhedeneis’ opgenomen in 20, vierde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 (oud) en de ‘vorderingentoets’ opgenomen in 20, vierde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 (oud). Over de vorderingentoets schrijft de wetgever:

“Voor het kunnen verrekenen van een houdsterverlies geldt als extra voorwaarde dat in het jaar waarin het verlies wordt verrekend het saldo van de boekwaarde van de gelieerde vorderingen en schulden niet groter is dan in het jaar waarin het verlies is ontstaan. Hierdoor wordt voorkomen dat de werking van de maatregel kan worden ontkracht door binnen de houdsteractiviteiten een verschuiving aan te brengen van het houden van deelnemingen naar concernfinanciering. Men zou elders binnen het concern in Nederland uitstaande leningen kunnen onderbrengen in de houdstermaatschappij die verliezen op de lat heeft staan. De rente-inkomsten van deze leningen zouden dan kunnen worden verrekend met deze verliezen. Ook in dat geval is sprake van een ongewenste vorm van grondslaguitholling.”

Kamerstukken II 2003/04, 29210, nr. 8, p. 13.

Beoordeling

Bij de beoordeling of operational lease kan worden aangemerkt als financieren is van belang dat de wetgever voor de toepassing van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) geen definitie geeft van financieren. Een toelichting ontbreekt ook in de wetsgeschiedenis bij deze bepaling.

Uit gangbare taalkundige betekenis van het begrip financieren (zoals in Van Dale) volgt dat het verschaffen of verkrijgen van geldmiddelen centraal staat. Dit vormt een aanwijzingen dat operational lease niet onder dit begrip valt. Bij operational lease gaat het immers niet om het verschaffen van geldmiddelen, maar om het in gebruik geven van een actief.

In het huidige artikel 15b Wet Vpb 1969 (generieke renteaftrekbeperking) komt de term financieren niet voor. Wel bevestigt de wetgever in de toelichting bij deze bepaling dat operational lease vergelijkbaar is met een overeenkomst van huur en daarom niet kan worden aangemerkt als een geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst (in tegenstelling tot financial lease) (Kamerstukken II 2018/19, 35030, nr. 7, p. 41).

Ook op andere plekken in de Wet Vpb 1969 gebruikt de wetgever het begrip financieren, zoals in het inmiddels vervallen concernfinancieringsregime dat was opgenomen in artikel 15b Wet Vpb 1969 (oud). Ook gebruikt de wetgever financieren in artikel 15g Wet Vpb 1969 en in artikel 13, tiende lid, Wet Vpb 1969. Deze laatste bepaling luidt als volgt:

“Een deelneming wordt in ieder geval geacht een beleggingsdeelneming te zijn indien:

(…)

b. de functie van het lichaam waarin de belastingplichtige de deelneming heeft tezamen met de lichamen waarin dit lichaam een belang van ten minste 5% heeft, grotendeels bestaat uit het direct of indirect financieren van de belastingplichtige of van met de belastingplichtige verbonden lichamen, dan wel van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige of door met de belastingplichtige verbonden lichamen worden gebruikt, daaronder begrepen het ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen.”

In deze bepalingen heeft de wetgever het begrip financieren expliciet uitgebreid. Op grond hiervan wordt ook het ‘ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen binnen het concern’ aangemerkt als financieringsactiviteit. Deze uitbreiding ontbreekt in artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud). Dit verschil in formulering kan erop wijzen dat de wetgever het ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen zonder expliciete uitbreiding niet aanmerkt als financieren. Dit standpunt wordt ook in de literatuur ingenomen (zie S.R. Pancham en G.W.J.M. Kampschoer, Beperking verliesverrekening: de “echte” Bosal-raparatie, WFR 2003/1929 en D.R. Post, onderdeel Vpb 4.0.0.B.c2.V. Financieren, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen & A.C. Rijkers (red.), Cursus Belastingrecht Vpb, Deventer: Wolters Kluwer).

Artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud) is ingevoerd om grondslaguitholling te voorkomen die zou kunnen ontstaan naar aanleiding van het Bosal-arrest. De houdsterverliesregeling beperkt de verliesverrekening voor houdster- en financieringsmaatschappijen. Als de term financieren uit de aanhef zodanig ruim zou worden uitgelegd dat ook operational leaseactiviteiten daaronder vallen, zou dat neerkomen op een uitbreiding van de reikwijdte van de bepaling. Het had dan voor de hand gelegen dat de wetgever dit expliciet had toegelicht of had verduidelijkt, zoals bijvoorbeeld is gebeurd in artikel 13, tiende lid, Wet Vpb 1969 voor het ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen. Tegen deze achtergrond past een beperkte uitleg van het begrip financieren zoals dat wordt gebruikt in artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud).

Conclusie

Operational leaseactiviteiten kunnen niet worden aangemerkt als financieren in de zin van artikel 20, vierde lid, Wet Vpb 1969 (oud). Dit betekent dat de winst die X BV na 2021 behaalt (uitsluitend uit operational leaseactiviteiten) niet kwalificeert als houdster- en financieringswinst in de zin van dit artikel 20, vierde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 (oud). Verrekening met de houdster- en financieringsverliezen van voor 2019 is daarom uitgesloten.

Deel deze pagina