Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:011:2026:6 Toepassing artikel 2, tweede lid, van de Regeling functionele valuta bij ontvoeging uit fiscale eenheid

Aanleiding

Met ingang van 15 januari 2025 wordt dochtermaatschappij Y BV ontvoegd uit de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting X BV. Y BV is vanaf het ontvoegingstijdstip zelfstandig belastingplichtig. Op 16 maart 2025 verzoekt Y BV om het belastbare bedrag met ingangsdatum 15 januari 2025 (dus direct vanaf de ontvoeging) te berekenen in een andere geldeenheid dan de euro (Regeling functionele valuta). Het verzoek is gedaan na het ontvoegingstijdstip en daarmee na de gewenste ingangsdatum. Het boekjaar van zowel X BV als Y BV is gelijk aan het kalenderjaar.

Vraag

Is het verzoek van Y BV om het belastbare bedrag met ingang van het ontvoegingstijdstip in een andere geldeenheid dan de euro te berekenen tijdig gedaan?

Antwoord

Nee, het verzoek is niet tijdig gedaan.
Bij inwilliging van het verzoek geldt de Regeling functionele valuta met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin het verzoek is gedaan (artikel 2, tweede lid, van de Regeling functionele valuta (hierna: Rfv)). Y BV heeft het verzoek gedaan na het ontvoegingstijdstip. Daarmee is het niet voorafgaand aan, maar gedaan in het jaar waarin Y BV het belastbaar bedrag voor het eerst in een andere geldeenheid wil berekenen. Op grond van artikel 2, tweede lid, tweede volzin, Rfv geldt een uitzondering voor verzoeken gedaan in het jaar waarin de belastingplicht een aanvang neemt. Het eerste jaar na ontvoeging geldt echter niet als het jaar waarin de belastingplicht van de dochtermaatschappij een aanvang neemt.

Beschouwing

Wettelijk kader en toelichting

In artikel 2, eerste lid, Rfv staat dat de belastingplichtige een verzoek moet doen om het belastbare bedrag in een andere geldeenheid dan de euro te berekenen:

Op verzoek van de belastingplichtige wordt het belastbare bedrag berekend in een andere geldeenheid dan de euro (…)

Volgens artikel 2, tweede lid, Rfv, moet een verzoek vóór het boekjaar waarin de Regeling functionele valuta wordt toegepast worden ingediend.

“Bij inwilliging van het verzoek geldt zulks met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin het verzoek is gedaan en tot wederopzegging door de belastingplichtige, met dien verstande dat bij inwilliging van een verzoek dat wordt gedaan in het jaar waarin de belastingplicht een aanvang neemt, zulks geldt met ingang van het tijdstip waarop de belastingplicht een aanvang neemt.

Artikel 2, tweede lid, Rfv is als volgt toegelicht (Ministeriële regeling 21 augustus 1997, nr. WDB97/348; Stcrt. 1997, 160):

“Het tweede lid bepaalt dat ingeval het door de belastingplichtige ingediende verzoek wordt ingewilligd de regeling wordt toegepast met ingang van het eerste boekjaar dat aanvangt na indiening van het verzoek en tot wederopzegging door de belastingplichtige. In artikel 1, onderdeel d, is het tijdstip waarop de regeling van toepassing wordt, aangeduid als overgangstijdstip. Toepassing vanaf een eerder tijdstip, bijvoorbeeld met ingang van het jaar waarin het verzoek wordt ingediend, zou fiscaal tot ongewenste uitkomsten kunnen leiden. Belastingplichtigen zouden het indienen van een verzoek immers kunnen uitstellen tot het einde van het jaar en laten afhangen van het koersverloop van de andere geldeenheid gedurende het jaar. Ingeval van koerswinsten zou men kunnen verzoeken om toepassing van de regeling met ingang van het lopende boekjaar, zodat deze winsten buiten de heffing zouden blijven. Bij koersverliezen zou men het doen van een verzoek kunnen uitstellen tot een volgend jaar om zodoende het verlies nog ten laste van het resultaat te kunnen brengen. Het voorgaande speelt minder bij nieuw opgerichte vennootschappen en vennootschappen die zich in Nederland vestigen. In die gevallen kan de regeling dan ook, tot wederopzegging door de belastingplichtige, toepassing vinden vanaf het tijdstip waarop de belastingplicht een aanvang neemt.”

Deze toelichting gebruikt de begrippen ‘jaar’ en ‘boekjaar’ door elkaar. Hoewel het begrip jaar vaak zal samenvallen met het begrip boekjaar, hoeft dat niet het geval te zijn. Aan te nemen valt dat niet beoogd is af te wijken van de definitie van ‘jaar’ in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969:

“Onder jaar wordt verstaan boekjaar, dan wel, zo de belastingplichtige niet regelmatig boekhoudt met geregelde jaarlijkse afsluitingen, kalenderjaar. Indien de belastingplichtige in de loop van het boekjaar als moedermaatschappij als bedoeld in artikel 15, tweede lid, of als dochtermaatschappij deel gaat uitmaken of ophoudt deel uit te maken van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, wordt het gedeelte van dat boekjaar waarin de belastingplichtige geen deel uitmaakt van die fiscale eenheid als afzonderlijk jaar aangemerkt.”

Beoordeling

Artikel 2, tweede lid, Rfv laat geen terugwerkende kracht toe, tenzij de belastingplicht aanvangt in het jaar waarin het verzoek is gedaan. Y BV is als dochtermaatschappij binnen de fiscale eenheid subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Zie onder meer Kamerstukken II 2000/01, 26854, nr. 6, p. 6:

“Centraal stond daarbij de vraag of het mogelijk is te komen tot een aanpak die wel de voordelen van de «opgaan in» benadering heeft, maar buiten twijfel stelt dat de dochtermaatschappijen subjectief belastingplichtig blijven.”

Ontvoeging van Y BV leidt dan niet tot het aanvangen van de belastingplicht. Voorlopige conclusie is dan ook dat de uitzondering van artikel 2, tweede lid, Rfv niet van toepassing is.
 
In 2003 is het regime voor de fiscale eenheid gewijzigd bij de Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid). Bij het regime ten tijde van de totstandkoming van de Rfv in 1997 werd de belasting bij een fiscale eenheid geheven alsof de dochtermaatschappij in de moedermaatschappij was opgegaan. Dit zou een aanknopingspunt kunnen zijn om voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, Rfv het eerste jaar van de ontvoegde dochter aan te merken als het eerste jaar waarin belastingplicht een aanvang neemt. Echter, of bij de totstandkoming in 1997 bedoeld is om terugwerkende kracht na ontvoeging uit de fiscale eenheid mogelijk te maken is onduidelijk en daarmee onvoldoende om de voorlopige conclusie opzij te zetten. De twee in de toelichting op de ministeriële regeling genoemde uitzonderingen aangaande nieuw opgerichte vennootschappen en vennootschappen die zich in Nederland vestigen doen zich in de casus niet voor.

Conclusie

In de casus is het verzoek niet tijdig gedaan. Y BV heeft het verzoek gedaan na het ontvoegingstijdstip. Daarmee is het niet voorafgaand aan, maar gedaan in het jaar waarin Y BV het belastbare bedrag voor het eerst in een andere geldeenheid wil berekenen. Op basis van het voorgaande kan Y BV het belastbare bedrag niet met terugwerkende kracht naar de ingangsdatum van de zelfstandige belastingplicht in een andere geldeenheid dan de euro berekenen.

NB

Het verzoek zou wel tijdig zijn gedaan als Y BV het had ingediend in het boekjaar vóór ontvoeging en daarmee tijdens de periode van fiscale eenheid. Het verzoek heeft betrekking op de berekening van het belastbare bedrag in een andere geldeenheid. Dan is het meest logisch dat ‘de belastingplichtige’ die het verzoek moet doen, verwijst naar degene van wie het belastbare bedrag is (hier dus dochtermaatschappij Y BV). De winstberekening van de fiscale eenheid vindt plaats alsof de belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken één zijn (Kamerstukken II 2000/01, 26854, nr. 6, p. 6). Dit heeft niet tot gevolg dat de subjectief belastingplichtige dochtermaatschappijen geen verzoek meer kunnen indienen.
 

Deel deze pagina