KG:011:2026:8 Toepassing artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 bij bonus op basis van EBITA en verkoop-opbrengst
Publicatiedatum 06-10-2026, 7:26 | Laatste update 06-10-2026, 7:26 |
Aanleiding
De feiten van de casus zijn als volgt:
- X BV heeft aan een werknemer een bonusregeling toegekend die recht geeft op:
1) een jaarlijkse cashbonus welke gelijk is aan een percentage van de toename van de EBITA vermenigvuldigd met de overeengekomen vermenigvuldigingsfactor (hierna: EBITA-bonus); en - 2) een eenmalige cashbonus welke bestaat uit een percentage van het verschil tussen de verkoopprijs van de aandelen X BV en de historische kostprijs van de aandelen (hierna: verkoopopbrengstbonus).
- De EBITA-bonus wordt jaarlijks toegekend onder de opschortende voorwaarde dat de werknemer twee jaar later nog in dienst is.
- De verkoopopbrengstbonus wordt uitgekeerd als de aandelen in X BV worden verkocht. De werknemer verkrijgt deze verkoopopbrengstbonus in het jaar van verkoop dan in plaats van de EBITA-bonus.
- Indien niet de aandelen maar de activa en passiva van X BV worden verkocht, dan wordt de verkoopopbrengstbonus berekend door het afgesproken percentage te vermenigvuldigen met het verschil tussen de verkoopsom voor de activa en passiva en de oorspronkelijke aankoopwaarde van de activa en passiva.
Vraag
Kan artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) van toepassing zijn op een cashbonusrecht op basis van de EBITA en de verkoopopbrengst van de aandelen?
Antwoord
Ja. Als het toegekende recht zodanig is vormgegeven dat de omvang van de bonus wordt bepaald op basis van een methode waarop ook de waarde van de aandelen kan worden bepaald, dan valt het toegekende recht onder het laatste deel van de tekst van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969. De waarde van het recht wordt dan bepaald door de waardeverandering van die aandelen. Daarbij is nog wel van belang dat het gaat om een toekenning aan werknemers van wie het loon op jaarbasis meer bedraagt dan € 728.000.
Beschouwing
Wettelijk kader
Artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 (tekst 2026) luidt als volgt:
1. “Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek:
(j) uitreiking of toekenning van aandelen in het kapitaal van de belastingplichtige of in dat van een met de belastingplichtige verbonden lichaam, van winstbewijzen in de belastingplichtige of in een met de belastingplichtige verbonden lichaam, alsmede van rechten om aandelen in het kapitaal van of winstbewijzen in de belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden lichaam te verwerven of van daarmee gelijk te stellen rechten, daaronder begrepen aan werknemers van wie het loon op jaarbasis meer bedraagt dan € 728.000 toegekende rechten waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van die aandelen of winstbewijzen.”
Parlementaire geschiedenis
Het laatste deel (‘daaronder begrepen (…)’) van de wettekst heeft niet altijd deel uitgemaakt van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969. De bijzin is met ingang van 1 januari 2009 in de wet opgenomen naar aanleiding van een amendement van de Kamerleden Tang en Cramer (CU). Zij hebben hun amendement in de parlementaire geschiedenis als volgt toegelicht:
“Bij de behandeling van de Wet werken aan winst is geantwoord dat stock appreciation rights (SAR’s) niet worden aangemerkt als met optierechten gelijk te stellen rechten in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de Wet Vpb. Het amendement strekt ertoe dit ongedaan te maken ten aanzien van SAR’s, die zijn toegekend aan werknemers met een loon van meer dan
€ 500 000.
(…)
Het amendement regelt dat stock appreciation rights (SAR’s) die hoofdzakelijk zijn gekoppeld aan de waarde van beursgenoteerde aandelen of winstbewijzen niet langer aftrekbaar zijn van de Vpb. Hiermee wordt de fiscale behandeling van deze soort SAR’s gelijkgesteld aan die van optierechten. Het sinds 2007 niet langer aftrekbaar zijn van optierechten kan nu niet meer worden omzeild door middel van een SAR. Het gevolg is dat bonussen die leiden tot het nemen van risico’s niet langer fiscaal worden aangemoedigd. SAR’s worden veelal ingezet als bonusinstrument boven op het basisinkomen.”
Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 74, p. 2.
Door Kamerlid Tang is daar verder onder meer over opgemerkt:
“Tijdens het wetgevingsoverleg hebben wij dit ook al gewisseld. Naast een fiscaal uitgangspunt is er ook een economisch uitgangspunt. Het laatste zegt dat het geen verschil maakt of de winst nu verwatert voor een aandeelhouder doordat er meer aandelen worden uitgegeven of doordat er minder winst per aandeel wordt uitgekeerd. Dat heeft per saldo hetzelfde effect. Ik voeg er de menselijke logica aan toe dat iets wat lijkt op een aandeel misschien ook wel zou moeten worden behandeld als een aandeel.”
Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 26, p. 2254.
Eerder in de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 67) is een SAR gedefinieerd als een recht op een betaling in cash dat afhangt van de koersontwikkeling van het eigen aandeel.
Hoewel het amendement heel specifiek spreekt over de SAR, komt een dergelijke term niet voor in de wettekst en spreekt de wet in het algemeen over “rechten waarvan de waarde hoofdzakelijk wordt bepaald door de waardeverandering van die aandelen of winstbewijzen”.
Ten aanzien van dit amendement heeft de Staatssecretaris van Financiën bij de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer het volgende aangegeven.
‘Van de gelegenheid wil ik graag gebruik maken om in te gaan op een onduidelijkheid die is ontstaan naar aanleiding van het door de Tweede Kamer aangenomen amendement van de leden Tang en Cramer inzake de beperking van de aftrekbaarheid van stock appreciation rights (SAR’s) voor de vennootschapsbelasting. In het eerste gedeelte van de toelichting bij het amendement wordt aangegeven dat de niet-aftrekbaarheid alleen geldt met betrekking tot SAR’s die zijn toegekend aan werknemers met een loon van meer dan € 500 000. Dit komt overeen met de wettekst van het amendement. In het tweede deel van de toelichting wordt gesteld dat het amendement regelt dat de niet-aftrekbaarheid alleen betrekking heeft op SAR’s die zijn gekoppeld aan de waarde van beursgenoteerde aandelen of winstbewijzen. Deze beperking komt niet voor in de wettekst van het amendement. Ik ga er vanuit dat de wettekst de bedoeling van de indieners van het amendement weergeeft.’
Kamerstukken I, 2008/09, 31 704, 31 705 en 31 715, E, p. 17-18.
Beoordeling
In casu gaat het om de vraag of het toegekende bonusrecht onder de werking van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet VPB 1969 valt. Meer specifiek is de vraag of sprake is van de toekenning van een recht waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van de aandelen van X BV.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de laatste bijzin aan de wettekst is toegevoegd om te voorkomen dat via een SAR een bonus wordt toegekend die net als optierechten leidt tot het nemen van risico’s, maar die in tegenstelling tot opties niet onder artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969 zou vallen. In de wettekst wordt daarvoor aangegeven dat alle toegekende rechten waarvan de waarde (direct of indirect) hoofdzakelijk wordt bepaald door de waardeverandering van de aandelen of winstbewijzen onder een soortgelijk recht (om aandelen of winstbewijzen te verwerven) worden begrepen.
De wettekst spreekt van een recht waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van de aandelen of winstbewijzen. De tekst beperkt zich daarmee niet tot beursgenoteerde aandelen. Mede gelet op de hiervoor geciteerde opmerking van de Staatssecretaris van Financiën (Kamerstukken I, 2008/09, 31 704, 31 705 en 31 715, E, p. 17-18) ziet de bijzin daarom ook op rechten waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van niet-beursgenoteerde aandelen.
De vraag of de waarde van het toegekende recht hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van aandelen is bij beursgenoteerde aandelen in het algemeen makkelijker te bepalen dan bij niet-beursgenoteerde aandelen. Beursgenoteerde aandelen kennen immers een beurskoers waarbij aangesloten kan worden. Om een recht toe te kennen dat gerelateerd wordt aan de waarde(verandering) van de aandelen wordt bij niet-beursgenoteerde aandelen aangesloten bij een andere methode om de waarde van de aandelen vast te stellen. Voor het waarderen van aandelen zijn in de praktijk verschillende methoden beschikbaar. Een waardebepaling op basis van de EBIT(D)A is daarbij een in de praktijk gehanteerde methode.
Als het toegekende recht zodanig is vormgegeven dat de omvang van de bonus (hoofdzakelijk) wordt bepaald op basis van een grondslag of grondslagen die ook gebruikt kunnen worden voor de waardering van de aandelen, dan valt het toegekende recht onder de laatste bijzin van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, Wet Vpb 1969. De waarde van het recht wordt dan namelijk door de gedeelde berekeningsgrondslagen (hoofdzakelijk indirect) bepaald door de waarde(verandering) van die aandelen. Het maakt daarbij geen verschil of in de tekst van het toegekende recht wordt gesproken over de waarde van de aandelen of over de methode waarop de waarde van die aandelen wordt bepaald zonder expliciet ‘aandelen’ te noemen.
Of in het concrete geval het toegekende recht zodanig is vormgegeven dat de omvang van de bonus (hoofdzakelijk) wordt bepaald op basis van berekeningsgrondslagen die (hoofdzakelijk) gelijk zijn aan grondslagen die gebruikt kunnen worden voor de waardering van de aandelen in casu, is een feitelijk oordeel dat is voorbehouden aan de inspecteur.