Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:023:2026:1 Kosten inzake schending samenwerkingsovereenkomst en aankoopkosten deelneming (art. 13, eerste lid, Wet Vpb 1969)

Aanleiding

Belastingplichtige en X gaan een samenwerking aan en richten daartoe gezamenlijk een vennootschap op. Ter zake van het in deze vennootschap gehouden aandelenbelang is bij belastingplichtige de deelnemingsvrijstelling van toepassing. Belastingplichtige en X hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan X een inspanningsverplichting heeft die er uiteindelijk toe moet leiden dat het rendement op het aandelenbelang wordt vergroot. Belastingplichtige stelt dat X deze inspanningsverplichting niet is nagekomen en vordert om die reden een schadevergoeding. In verband hiermee maakt belastingplichtige kosten, waaronder advocaatkosten.

Vraag

Zijn de kosten die de belastingplichtige maakt aan te merken als kosten ter zake van de verwerving van een deelneming in de zin van artikel 13, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969)?

Antwoord

Nee. De kosten zijn niet aan te merken als kosten ter zake van de verwerving van een deelneming in de zin van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969. Het vereiste rechtstreeks oorzakelijke verband tussen de kosten en de verwerving van de deelneming ontbreekt. Het aftrekverbod is daarom niet van toepassing.

Beschouwing

Wettelijk kader

Op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969 blijven bij het bepalen van de winst voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of vervreemding van die deelneming, buiten aanmerking.

Parlementaire behandeling

Bij de parlementaire behandeling van de invoering van het aftrekverbod voor kosten ter zake van de verwerving van een deelneming is het volgende door de wetgever aangegeven (Kamerstukken II 2003/04, 29381, nr. 3, p. 11 en Kamerstukken II 2003/04, 29381, nr. 9, p. 11):

“Alle uitgaven die ertoe dienen het activum deelneming functioneel te maken behoren tot de kostprijs van die deelneming. Behalve de koopprijs in ruime zin, dus bijvoorbeeld vermeerderd met verschuldigde optiepremies en verminderd met betalingen ontvangen op grond van balansgaranties, behoort daartoe een grote restpost aan uitgaven die kunnen worden gevat onder de noemer «kosten ter zake van de verwerving van een deelneming». Het voorgestelde expliciete aftrekverbod geldt voor deze laatste categorie uitgaven. Tot deze categorie uitgaven worden bijvoorbeeld gerekend advocaatkosten, underwriting fees, beursbelasting, schadevergoedingen en notariskosten.”

“De leden van de VVD-fractie vernemen graag of onder het begrip «verwerving van een deelneming» ook de uitbreiding van een deelneming en een kapitaalstorting in een deelneming valt. Met het gebruik van het begrip «kosten die verband houden met de verwerving van een deelneming» wordt gedoeld op alle kosten die een belastingplichtige moet maken ten einde een door haar beoogd belang in een deelneming te verwezenlijken. Deze kosten worden allen gerekend tot de aanschaffingskosten van de deelneming. Dit betreft niet alleen de initiële uitgaven ter verwerving [van] de deelneming, maar evenzeer vervolguitgaven die worden gedaan om het belang in de deelneming te behouden of te vergroten.”

Rechtspraak

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, geoordeeld dat een bepaalde kostenpost alleen onder de deelnemingsvrijstelling valt indien een verband bestaat tussen die kostenpost en de verwerving of de vervreemding van een deelneming. Bij gebrek aan nadere tekstuele of wetshistorische aanwijzingen voor de beantwoording van de vraag welk verband vereist is, hanteert de Hoge Raad hiervoor de maatstaf van een rechtstreeks oorzakelijk verband. Kosten moeten worden aangemerkt als kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming, indien zij worden opgeroepen door de verwerving of de vervreemding van de desbetreffende deelneming, in die zin dat de kosten zonder die verwerving of die vervreemding niet zouden zijn gemaakt. De aanwezigheid van een zodanig verband dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. Hieraan voegt de Hoge Raad toe dat het hiervoor genoemde verband slechts kan bestaan indien die verwerving of die vervreemding doorgang vindt.

In zijn arrest van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, maakt de Hoge Raad duidelijk dat in het vereiste rechtstreekse oorzakelijke verband dat de kosten moeten worden opgeroepen door de vervreemding, de voorwaarde ligt besloten dat de kosten een zodanig oorzakelijk verband met de vervreemding houden dat zij zijn gemaakt omdat zij – objectief bezien – nuttig of nodig zijn om tot die vervreemding te komen. De Hoge Raad geeft aan dat ter verduidelijking daarvan in HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, is toegevoegd dat de kosten anders, dus zonder die (beoogde) vervreemding, niet zouden zijn gemaakt. Het bedoelde rechtstreekse oorzakelijke verband ontbreekt bij kosten die – weliswaar – niet zouden zijn gemaakt als de vervreemding niet zou hebben plaatsgevonden, maar die overigens in generlei opzicht kunnen bijdragen aan de totstandkoming van die vervreemding. Dergelijke uitgaven staan niet in een rechtstreeks oorzakelijk verband tot de vervreemding zoals bedoeld in HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264. Deze uitgaven zijn niet nuttig of nodig om tot die vervreemding te komen.

Aftrekverbod en schending samenwerkingsovereenkomst

In deze casus hebben belastingplichtige en X een samenwerkingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan X een inspanningsverplichting heeft die er uiteindelijk toe moet leiden dat het rendement op het aandelenbelang wordt vergroot. Belastingplichtige stelt dat X deze afspraken heeft geschonden en heeft daarom een schadevergoeding gevorderd, waarvoor belastingplichtige kosten maakt. Deze kosten vallen niet onder het aftrekverbod van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969. Dat kan als volgt worden toegelicht.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264 volgt dat een bepaalde kostenpost slechts dan onder het aftrekverbod valt indien sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen een bepaalde kostenpost en de verwerving of vervreemding van de deelneming. Deze maatstaf is verduidelijkt in HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, waar sprake was van een vervreemding. In rechtsoverweging 4.3 van voornoemd arrest verwijst de Hoge Raad naar HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264. Gelet op onder meer deze verwijzing ligt het in de rede dat deze verduidelijking ook geldt in de situatie waarin sprake is van een verwerving.

Verder volgt onder meer uit de wetsgeschiedenis dat kosten die verband houden met de oprichting van een deelneming eveneens onder het aftrekverbod van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969 vallen (Kamerstukken II 2003/04, 29381, nr. 9, p. 11). Ook volgt uit de wetsgeschiedenis dat advocaatkosten een voorbeeld kunnen zijn van kosten ter zake van de vervreemding van een deelneming (Kamerstukken II 2003/04, 29381, nr. 3, p. 11).

Hoewel de onderhavige kosten, waaronder bijvoorbeeld advocaatkosten, binnen het bereik zouden kunnen vallen van de categorie ‘kosten ter zake van de verwerving van een deelneming’, brengt dit op zichzelf nog niet mee dat het aftrekverbod van toepassing is. Uitgaande van de maatstaf van HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2264, zoals verduidelijkt in HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1793, ontbreekt in dit geval het rechtstreeks oorzakelijk verband tussen deze kosten en de verwerving van de deelneming. De kosten zouden – weliswaar – niet zijn gemaakt als de verwerving niet zou hebben plaatsgevonden, maar zij hebben in generlei opzicht kunnen bijdragen aan de totstandkoming van die verwerving. Deze kosten zijn niet nuttig of nodig geweest om tot de verwerving te komen.

Deel deze pagina