Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:023:2026:4 CFC-heffing bij belastingplichtige telt niet mee bij de beoordeling van laagbelastheid vrije beleggingen

Aanleiding

Een belastingplichtige houdt een deelneming in een gecontroleerd lichaam als bedoeld in artikel 13ab Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969). Deze deelneming wordt als belegging gehouden in de zin van artikel 13, negende lid, Wet Vpb 1969. Het gecontroleerde lichaam voldoet niet aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969. De bezittingen van dit lichaam bestaan voor meer dan de helft uit vrije beleggingen als bedoeld in artikel 13, twaalfde lid, Wet Vpb 1969.

Ter zake van deze deelneming neemt de belastingplichtige voordelen (€ 5) in aanmerking op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 (CFC-heffing). Daarnaast behaalt de belastingplichtige een valutavoordeel (€ 100) op deze deelneming.

Vraag

Wordt bij de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969, voor de beoordeling of sprake is van laagbelaste vrije beleggingen als bedoeld in artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969, rekening gehouden met de CFC-heffing bij de belastingplichtige?

Antwoord

Nee. Voor de beoordeling of sprake is van laagbelaste vrije beleggingen wordt geen rekening gehouden met de CFC-heffing bij de belastingplichtige. Deze heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 laat dus onverlet dat niet wordt voldaan aan de bezittingentoets. Omdat ook niet is voldaan aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969, is de deelneming geen kwalificerende beleggingsdeelneming. De deelnemingsvrijstelling is daarom niet van toepassing op het op de deelneming behaalde valutavoordeel van € 100.

Beschouwing

Wettelijk kader

Op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb 1969 blijven bij het bepalen van de winst voordelen uit hoofde van een deelneming buiten aanmerking.

Artikel 13, negende lid, Wet Vpb 1969 bepaalt dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op voordelen uit hoofde van een als belegging gehouden deelneming, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming.

Artikel 13, elfde lid, Wet Vpb 1969 bepaalt wanneer een beleggingsdeelneming als kwalificerende beleggingsdeelneming wordt aangemerkt. Daarvan is onder meer sprake indien het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden, is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Ook kan sprake zijn van een kwalificerende beleggingsdeelneming indien de bezittingen van dat lichaam doorgaans voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen.

Voor de toepassing van de bezittingentoets bevat artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 regels voor de beoordeling of vrije beleggingen als laagbelast worden aangemerkt. Daarbij is van belang of de voordelen uit hoofde van de vrije beleggingen als bedoeld in artikel 13, twaalfde lid, Wet Vpb 1969 worden betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing.

Artikel 13, negentiende lid, Wet Vpb 1969 bevat een specifieke regeling voor de samenloop tussen artikel 13ab Wet Vpb 1969 en de deelnemingsvrijstelling. Op grond van deze bepaling is de deelnemingsvrijstelling van toepassing op voordelen uit hoofde van een beleggingsdeelneming voor zover die voordelen rechtstreeks samenhangen met voordelen die op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking zijn genomen.

Artikel 13, twintigste lid, Wet Vpb 1969 bepaalt dat voor de toepassing van onder meer artikel 13, elfde lid, onderdeel a, en artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 onder een belasting naar de winst mede wordt verstaan een kwalificerende binnenlandse bijheffing als bedoeld in artikel 1.2 Wet minimumbelasting 2024.

Artikel 13ab Wet Vpb 1969 bevat de aanvullende CFC-maatregel. Op grond van deze bepaling worden bepaalde voordelen van een gecontroleerd lichaam onder voorwaarden bij de belastingplichtige in aanmerking genomen.

Parlementaire behandeling

Bij de parlementaire behandeling van de Wet overige fiscale maatregelen 2010 is door de wetgever het volgende opgemerkt over de aanpassing van de deelnemingsvrijstelling (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 15):

“Het kabinet past de deelnemingsvrijstelling op enkele punten aan. Om een grondslaguitholling te voorkomen en om het deelnemingsregime internationaal aanvaardbaar te houden, moet in de deelnemingsvrijstelling een regeling zijn opgenomen die voorkomt dat inkomsten uit mobiel kapitaal dat in laagbelastende landen is ondergebracht, via de Nederlandse deelnemingsvrijstelling belastingvrij kunnen worden genoten. De Nederlandse deelnemingsvrijstelling mag met andere woorden niet leiden tot constructies via laagbelastende jurisdicties.”

In dezelfde parlementaire behandeling is door de wetgever over de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 61):

“Uit het elfde lid, onderdeel a, volgt dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is indien het lichaam waarin de belastingplichtige een deelneming heeft, is onderworpen aan een voldoende belastend regime. Indien voldoende belasting wordt geheven over de winst van het lichaam, wordt aangenomen dat van het onderbrengen van mobiel kapitaal in een laagbelastende jurisdictie geen sprake is.”

Over de beoordeling of een vrije belegging laagbelast is, is door de wetgever in die parlementaire behandeling het volgende opgemerkt bij artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 68):

“Het dertiende lid regelt wanneer een vrije belegging in de zin van het twaalfde lid laagbelast is. Dit is het geval als de voordelen uit hoofde van een gewone belegging, een bezitting ten behoeve van groepsfinanciering of een ter beschikking gesteld bedrijfsmiddel niet worden betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Voor een toelichting op deze toets wordt verwezen naar de toelichting op artikel 13, elfde lid, onderdeel a. Als een vrije belegging niet laagbelast is, telt deze op de toerekeningsbalans mee als «niet laagbelaste vrije belegging».”

Bij de parlementaire behandeling van de aanvullende CFC-maatregel is door de wetgever het volgende opgemerkt over het doel van deze maatregel (Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 3):

“ATAD1 legt EU-lidstaten de verplichting op een CFC-maatregel in te voeren gericht tegen het verschuiven van winsten naar buitenlandse laagbelaste gecontroleerde lichamen of vaste inrichtingen of bestaande CFC-regels aan te passen indien deze niet in lijn zijn met ATAD1. Belastingplichtigen kunnen proberen om winsten te verschuiven door mobiele activa – zoals immateriële activa – te verplaatsen naar een in een laagbelastende staat gevestigd gecontroleerd lichaam of naar een in een laagbelastende staat gelegen vaste inrichting (CFC), zodat de met die activa samenhangende winst daar neerslaat. Daarmee wordt gepoogd belastingheffing te vermijden (dan wel – op zijn minst – uit te stellen, zolang de winst uit de verplaatste mobiele activa niet wordt uitgekeerd).”

Over de samenloop tussen artikel 13ab Wet Vpb 1969 en de deelnemingsvrijstelling is door de wetgever het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2018/19, 35 030, nr. 3, p. 29):

“Het voorgestelde negentiende lid van artikel 13 Wet Vpb 1969 regelt dat in afwijking van het negende lid van dat artikel de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op voordelen uit hoofde van een beleggingsdeelneming voor zover die voordelen rechtstreeks samenhangen met op grond van het voorgestelde artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking genomen voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam. Genoemd negentiende lid voorkomt dat er tweemaal wordt geheven over dezelfde winst van een gecontroleerd lichaam, eerst op grond van genoemd artikel 13ab en vervolgens bij uitkering van winst door het gecontroleerde lichaam of vervreemding van het belang in dat lichaam.”

Bij de parlementaire behandeling van de Wet minimumbelasting 2024 is door de wetgever het volgende opgemerkt over de toepassing van de onderworpenheidstoets en de laagbelaste-vrije-beleggingentoets (Kamerstukken II 2024/25, 36 603, nr. 3, p. 36):

“Artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 regelt dat een lichaam als kwalificerende beleggingsdeelneming wordt aangemerkt indien het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse maatstaven reële heffing of indien de bezittingen van het lichaam doorgaans voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen. In dit kader wordt in artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 bepaald dat een vrije belegging als laagbelast wordt gezien indien de voordelen uit deze beleggingen niet worden betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Het voorgestelde artikel 13, twintigste lid, Wet Vpb 1969 verduidelijkt onder meer dat voor de toepassing van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, en dertiende lid, Wet Vpb 1969 onder «een belasting naar de winst» mede wordt verstaan een kwalificerende binnenlandse bijheffing als bedoeld in artikel 1.2 WMB 2024. Met de voorgestelde verduidelijking is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de bestaande wet en de uitleg daarvan. Dit geldt ook voor de invulling van de bewijslast.”

In het kader van de toelichting op deze verduidelijking is door de wetgever onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2024/25, 36 603, nr. 3, p. 37):

“Nu in beginsel sprake is van een heffing naar een regulier tarief dat lager is dan 10%, maar de belastingplichtige aannemelijk kan maken dat door de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing de belastingheffing op het niveau van X Co1 resulteert in een effectieve druk van ten minste 10% (een naar Nederlandse begrippen reële heffing), is er voor de toepassing van artikel 13 Wet Vpb 1969 sprake van een kwalificerende beleggingsdeelneming. Hierdoor kan NL BV1 de deelnemingsvrijstelling ten aanzien van X Co1 toepassen.”

In de Eerste Kamer is door de wetgever het volgende opgemerkt over de voorgestelde verduidelijkingen in de onderworpenheidstoetsen (Kamerstukken I 2024/25, 36 603, C, p. 2):

“Afhankelijk van de relevante onderworpenheidstoets en de uitleg daarvan kan onder een kwalificerende Pijler 2-bijheffing een kwalificerende binnenlandse bijheffing, een bijheffing op basis van de kwalificerende inkomeninclusiemaatregel of een bijheffing op basis van de kwalificerende onderbelastewinstmaatregel worden verstaan. Met de voorgestelde verduidelijkingen in de onderworpenheidstoetsen is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten aanzien van de werking van de bestaande onderworpenheidstoetsen en de uitleg daarvan. Naar gelang in de bestaande toetsen rekening wordt gehouden met eventuele maatregelen voor zogenoemde buitenlandse gecontroleerde lichamen (CFC-maatregelen), is een onderscheid gemaakt tussen welke Pijler 2-bijheffingen relevant zijn voor de onderworpenheidstoetsen.”

Samenloop artikel 13, dertiende lid en 13ab Wet Vpb 1969

Bij de beoordeling of sprake is van laagbelaste vrije beleggingen wordt geen rekening gehouden met de CFC-heffing bij de belastingplichtige. De heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 laat dus onverlet dat niet wordt voldaan aan de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Omdat ook niet is voldaan aan de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969, is de deelneming geen kwalificerende beleggingsdeelneming. De deelnemingsvrijstelling is daarom niet van toepassing op het op de deelneming behaalde valutavoordeel van € 100. Dat wordt als volgt toegelicht.

Bezittingentoets en artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969

Omdat de deelneming als belegging wordt gehouden en het gecontroleerde lichaam niet voldoet aan de onderworpenheidstoets, is beslissend of de deelneming op grond van de bezittingentoets kwalificeert. Die toets vereist dat wordt beoordeeld of de vrije beleggingen van het gecontroleerde lichaam laagbelast zijn als bedoeld in artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969. Meer specifiek gaat het er in casu om of de heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 bij de belastingplichtige daarbij wordt meegenomen.

Heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969

De heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 vindt plaats bij de belastingplichtige. Deze heffing brengt dus niet mee dat het gecontroleerde lichaam zelf is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. De voordelen waarop artikel 13ab Wet Vpb 1969 ziet, worden immers niet bij het gecontroleerde lichaam, maar bij de belastingplichtige in aanmerking genomen.

Wettekst en wetsgeschiedenis artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969

De tekst van artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 geeft op zichzelf geen uitsluitsel over de vraag of uitsluitend belastingheffing op het niveau van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden van belang is, of dat ook heffingen bij andere lichamen of bij de belastingplichtige kunnen worden meegenomen. Uit de parlementaire behandeling volgt echter dat voor de invulling van deze toets wordt aangesloten bij de toelichting op de onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969. Bij die onderworpenheidstoets gaat het om het antwoord op de vraag of voldoende belasting wordt geheven over de winst van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden. Dit biedt steun voor de opvatting dat voor artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 moet worden aangesloten bij de belastingheffing op het niveau van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden.

Strekking van de regeling voor beleggingsdeelnemingen en CFC-regeling

Ook de strekking van de regeling voor beleggingsdeelnemingen en de strekking van artikel 13ab Wet Vpb 1969 bieden steun voor de opvatting dat moet worden aangesloten bij de belastingheffing op het niveau van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden. De regeling voor beleggingsdeelnemingen beoogt te voorkomen dat de deelnemingsvrijstelling wordt toegepast op voordelen uit mobiel kapitaal dat in laagbelastende landen is ondergebracht. Artikel 13ab Wet Vpb 1969 strekt ertoe te voorkomen dat winsten worden verschoven door mobiele activa onder te brengen in laagbelaste gecontroleerde lichamen. Het zou spanning oproepen met de strekking van deze bepalingen indien de heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 bij de belastingplichtige ertoe zou leiden dat de vrije beleggingen van het gecontroleerde lichaam voor de toepassing van artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 niet langer als laagbelast worden aangemerkt. Indien de mobiele activa waarop de CFC-maatregel ziet rechtstreeks door de belastingplichtige zouden zijn gehouden, zou het valutavoordeel (naast de andere voordelen) in beginsel bij haar in de heffing zijn betrokken. Het ligt daarom niet in de rede dat de samenloop van artikel 13ab Wet Vpb 1969 en artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 ertoe leidt dat de heffing alsnog wordt beperkt tot de op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking genomen voordelen. In dat geval zouden per saldo alleen de op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking genomen voordelen worden belast, terwijl het overige voordeel uit hoofde van de beleggingsdeelneming onder de deelnemingsvrijstelling valt.

Specifieke samenloopregeling

Artikel 13, negentiende lid, Wet Vpb 1969 voorziet in een specifieke regeling voor de samenloop tussen artikel 13ab Wet Vpb 1969 en de deelnemingsvrijstelling. Deze bepaling regelt dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op voordelen uit hoofde van een beleggingsdeelneming voor zover die voordelen rechtstreeks samenhangen met voordelen die op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking zijn genomen. Daarmee wordt dubbele heffing over dezelfde winst van een gecontroleerd lichaam voorkomen. Indien de heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 al zou worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van laagbelaste vrije beleggingen, zou artikel 13, negentiende lid, Wet Vpb 1969 in belangrijke mate zijn betekenis verliezen. De CFC-heffing zou er dan immers toe kunnen leiden dat de beleggingsdeelneming als geheel via de bezittingentoets kwalificeert voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Een afzonderlijke regeling voor voordelen die rechtstreeks samenhangen met op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking genomen voordelen zou dan veelal niet nodig zijn.

In deze casus doet zich bovendien geen dubbele heffing over hetzelfde voordeel voor. De belastingplichtige neemt op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 voordelen van € 5 in aanmerking. Het valutavoordeel van € 100 is niet op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 in aanmerking genomen. Het buiten toepassing laten van de deelnemingsvrijstelling op het valutavoordeel leidt daarom niet tot dubbele heffing over het voordeel waarop artikel 13, negentiende lid, Wet Vpb 1969 ziet.

Wet minimumbelasting 2024

Ook de parlementaire behandeling van de Wet minimumbelasting 2024 biedt steun voor de opvatting dat de CFC-heffing bij de belastingplichtige niet wordt meegeteld. De wetgever heeft voor de toepassing van artikel 13, elfde lid, onderdeel a, en artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 verduidelijkt dat onder een belasting naar de winst mede een kwalificerende binnenlandse bijheffing kan worden verstaan. De wetgever heeft daarbij opgemerkt dat met deze verduidelijking geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van de bestaande wet en de uitleg daarvan. Voor artikel 13, elfde lid, onderdeel a, en artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 is alleen de kwalificerende binnenlandse bijheffing genoemd. Dat past bij een toets die aansluit bij belastingheffing op het niveau van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden.

Uit de parlementaire behandeling volgt bovendien dat de wetgever per onderworpenheidstoets heeft beoordeeld welke Pijler 2-bijheffingen relevant zijn. Zoals gezegd is daarbij voor artikel 13 Wet Vpb 1969 aangesloten bij de kwalificerende binnenlandse bijheffing. Voor artikel 10a Wet Vpb 1969 is daarentegen ook verwezen naar een bijheffing op basis van een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een bijheffing op basis van een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel. Dit onderscheid wijst erop dat voor artikel 13 Wet Vpb 1969 niet iedere bijheffing elders in de groep of bij de belastingplichtige relevant is. Als de wetgever voor artikel 13, dertiende lid, Wet Vpb 1969 ook een heffing op grond van artikel 13ab Wet Vpb 1969 bij de belastingplichtige had willen laten meetellen bij de beoordeling of sprake is van laagbelaste vrije beleggingen, had het voor de hand gelegen dit uitdrukkelijk te regelen.

Deel deze pagina