KG:040:2026:1 Werkzaamheden met een verplaatsbare bedrijfsinrichting op verschillende plaatsen in Nederland; kwalificatie als vaste inrichting onder oud belastingverdrag
Publicatiedatum 11-02-2026, 9:22 | Laatste update 11-02-2026, 9:22 |
Aanleiding
X is een buitenlandse vennootschap die over een omvangrijke verplaatsbare installatie beschikt waarmee ter plaatse werkzaamheden worden uitgevoerd. De activiteiten van X in Nederland bestaan uit het (ver)plaatsen van de installatie, het uitvoeren van de werkzaamheden en het verzamelen van data. Deze activiteiten vormen een kernactiviteit van X. Derden gebruiken de verzamelde data voor onderzoeksdoeleinden. De verschillende opdrachten vinden plaats op locaties verspreid over Nederland. De werkzaamheden kwalificeren niet als ‘bouw-, constructie- of installatiewerkzaamheden’ in de zin van artikel 5, derde lid, OESO-Modelverdrag 1977.
X heeft een raamovereenkomst gesloten met een hoofdopdrachtgever die geldt gedurende enkele jaren. Of werkzaamheden voor de hoofdopdrachtgever worden verricht is afhankelijk van de vraag in de markt. De hoofdopdrachtgever geeft voor iedere afzonderlijke locatie een specifieke opdracht die valt binnen de raamovereenkomst. Uit de raamovereenkomst en de omvang van het project waarbinnen de overeenkomst valt, kan worden afgeleid dat de verwachting bestaat dat substantiële werkzaamheden in Nederland zullen worden uitgevoerd. Omdat geen sprake is van een afnameverplichting is echter onvoorspelbaar of (en hoeveel) opdrachten exact zullen worden verstrekt.
Als geen werkzaamheden voor de hoofdopdrachtgever worden verricht, worden opdrachten voor twee andere opdrachtgevers verricht op basis van afzonderlijke contracten.
Voor iedere opdracht voor de hoofdopdrachtgever wordt een locatie voorbereid waar de installatie wordt opgesteld door X. X bedient de installatie met eigen personeel in tweewekelijkse ploegendiensten. Alle werkzaamheden van X in Nederland worden uitgevoerd op de desbetreffende locaties. Er staat geen andere ruimte ter beschikking. Aansturing en analyse van resultaten geschiedt vanuit het vestigingsland van X. Ieder afzonderlijk project duurt gemiddeld één tot drie maanden, maar een afwijkende duur is mogelijk en is afhankelijk van het project. Verplaatsing van de installatie duurt enkele dagen en vergt de inzet van verschillende eenheden groot materieel. Het personeelsteam van X is hierbij betrokken.
Gedurende drie jaren is sprake van werkzaamheden op vijf tot tien verschillende locaties ten behoeve van de hoofdopdrachtgever. Daarnaast vinden werkzaamheden plaats voor andere opdrachtgevers. De totale werkzaamheden in Nederland (inclusief op- en afbouwtijd) belopen (ongeveer) twee en een halve maand in het eerste jaar en meer dan acht maanden in de twee daaropvolgende jaren.
Vraag
Kwalificeren de werkzaamheden van X op verschillende plaatsen in Nederland als een vaste inrichting voor de toepassing van het belastingverdrag (hierna: ‘het verdrag’) dat dateert van vóór het OESO-Modelverdrag 1977?
Antwoord
Ja
Beschouwing
Het verdrag en bijbehorend OESO-commentaar definieert een vaste inrichting in artikel 5, eerste lid, als een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
Deze definitie is conform het OESO-modelverdrag 1963 waarop het verdrag is gebaseerd. Het OESO-commentaar 1963 is summier voor wat betreft de interpretatie van het vaste inrichtingsbegrip en stelt aan de locatie van activiteiten slechts de eis dat sprake is van “a distinct situs”, a “fixed place of business”. Meer recent OESO-commentaar hierover blijft in deze beschouwing achterwege.
Bij de toepassing van het verdrag moet rekening worden gehouden met jurisprudentie van de Hoge Raad ten tijde van het sluiten van dat verdrag.
In het voorliggende geval is met name het zogenoemde Circustentarrest (HR 31 oktober 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY4080, BNB 1954/336) relevant. Dat arrest betrof een onderneming uit Duitsland die tijdens een boekjaar gedurende vijf à zes maanden voorstellingen gaf op verschillende plaatsen in Nederland.
De voorstellingen werden uitgevoerd door een reizend circus in een snel en met eigen vervoermiddelen te verplaatsen tentencomplex.
De Hoge Raad zag daarin een vaste inrichting. Hij oordeelde:
‘dat onder "vaste inrichting" als bedoeld in art. 2, lid 1, letter a, van het Besluit op de Loonbelasting 1940 mede kan worden begrepen een inrichting, welke, ook al mocht zij verplaatsbaar zijn, geregeld als middelpunt van het door den werkgever hier te lande uitgeoefende bedrijf dient;
dat het tentencomplex, waarin belanghebbende zijn bedrijf van circusdirecteur uitoefent, een zodanige inrichting uitmaakt;’
De onderhavige casus is in de volgende opzichten vergelijkbaar met de situatie in het Circustentarrest:
Bedrijfsinrichting
De verplaatsbare installatie van X kwalificeert naar aard en omvang als een bedrijfsinrichting. Het is deze bedrijfsinrichting die verplaatst wordt ter uitvoering van de werkzaamheden.
Verplaatsbaar
In beide gevallen is de bedrijfsinrichting verplaatsbaar en brengt de aard van de werkzaamheden mee dat de bedrijfsinrichting ook regelmatig wordt verplaatst binnen Nederland. In beide gevallen verhindert die verplaatsbaarheid echter niet dat sprake is van een vaste inrichting.
Duur van de aanwezigheid
Ook de duur van de aanwezigheid van X in Nederland is vergelijkbaar met die in het Circustentarrest. De aanwezigheid van het tentencomplex gedurende vijf à zes maanden was voor de Hoge Raad immers voldoende voor de vaststelling van een vaste inrichting. Ditzelfde gaat op voor de aanwezigheid van (ongeveer) twee en een halve maand in het eerste jaar en meer dan acht maanden aanwezigheid in de twee daaropvolgende jaren.
Ter bevestiging van het voorgaande kan ook worden gewezen op de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 31 mei 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BA8958. Daarin merkt de rechtbank (mede onder verwijzing naar het Circustentarrest) een schip aan als een vaste inrichting in de zin van artikel 5, eerste lid, Verdrag Nederland-Griekenland (1981). Daartoe overweegt de rechtbank onder meer:
'4.18 De bedrijfsinrichting is naar het oordeel van de rechtbank bovendien vast van aard, ondanks de omstandigheid dat het moederschip niet altijd op één vaste plaats aanwezig is.’