KG:040:2026:2 Gevolgen van artikel 15b Wet Vpb 1969 voor in aanmerking te nemen kosten bij bepaling van tweede limiet
Publicatiedatum 14-04-2026, 16:14 | Laatste update 14-04-2026, 16:14 |
Aanleiding
De in Nederland gevestigde vennootschap X BV ontvangt in 2025 een zakelijke rentebate ad € 1.100.000 over een lening verstrekt aan de met haar gelieerde, in het buitenland gevestigde vennootschap Y SA.
Op deze rentebaten is 10% (€ 110.000) buitenlandse bronbelasting ingehouden.
X BV heeft de lening aan Y SA gefinancierd met een lening opgenomen bij de eveneens met X BV gelieerde vennootschap Z Ltd. Daarover is X BV in 2025 een eveneens zakelijke rentelast ad € 1.000.000 verschuldigd.
In 2025 is X BV naast de hiervoor beschreven rente nog € 3.000.000 aan andere rentelasten verschuldigd.
De onderhavige casus draait om de samenloop van de earningsstrippingmaatregel (artikel 15b Wet op de vennootschapsbelasting 1969, hierna: Wet Vpb 1969) en de berekening van de zogenoemde tweede limiet (artikel 36, tweede lid, onderdeel b, Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, hierna: Bvdb 2001).
Toepassing van artikel 15b
Het ‘saldo aan renten’ als bedoeld in artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969 bedraagt € 2.900.000 (€ 1.000.000 + € 3.000.000 -/- € 1.100.000).
Op basis van de feiten leidt toepassing van artikel 15b Wet Vpb ertoe dat een bedrag van € 700.000 aan rentelasten niet aftrekbaar is in het jaar 2025. Dit bedrag aan niet-aftrekbare rente wordt op grond van artikel 15b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 voortgewenteld naar het volgende jaar.
Berekening tweede limiet
Voor de vraag of X BV in aanmerking komt voor verrekening van de buitenlandse bronbelasting is onder meer de tweede limiet van belang, zie artikel 36 Bvdb 2001.
Ingevolge artikel 36, vierde lid, Bvdb 2001 geldt daarbij als maatstaf ‘interest verminderd met de daarmee verband houdende kosten’ (de zogenoemde netto-methode). In casu houden de aan Z Ltd betaalde rentelasten ad € 1.000.000 verband met de van Y SA ontvangen rentebaten ad € 1.100.000.
Op basis van artikel 36, tweede lid, onderdeel b, Bvdb 2001 wordt de tweede limiet in beginsel als volgt berekend (hierbij wordt gemakshalve aangenomen dat het hoogste vennootschapsbelastingtarief 25% bedraagt):
(€ 1.100.000 -/- € 1.000.000) x Vpb-tarief (25%) = € 25.000.
Dat betekent dat X BV in 2025 niet meer dan € 25.000 van de ingehouden buitenlandse bronbelasting ad € 110.000 kan verrekenen.
Het niet-verrekende deel ad € 85.000 wordt op de voet van artikel 37 Bvdb 2001 voortgewenteld naar het daaropvolgende jaar.
Vraag
Als gevolg van de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969 komt in 2025 bij X BV een bedrag ad € 700.000 aan rentelasten niet in aftrek.
Heeft deze artikel 15b-correctie gevolgen voor het bij de berekening van de tweede limiet in 2025 in aanmerking te nemen bedrag aan rentelasten ad
€ 1.000.000?
Antwoord
Nee, in het onderhavige geval laat de artikel 15b-correctie de berekening van de tweede limiet ongemoeid.
Beschouwing
Artikel 15b Wet Vpb 1969
De renteaftrekbeperking van artikel 15b Wet Vpb 1969 heeft een generiek karakter. De bepaling vindt immers toepassing op het ‘saldo aan renten’. Artikel 15b, tweede lid, Wet Vpb 1969 definieert dit saldo als volgt (vetgemaakt toegevoegd):
“Het saldo aan renten is het bedrag aan rentelasten ter zake van geldleningen verminderd met het bedrag aan rentebaten ter zake van geldleningen, welke rentelasten en rentebaten zonder toepassing van dit artikel en vóór toepassing van de artikelen 15be en 15bf in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst. Het saldo aan renten bedraagt ten minste nihil.”
In het onderhavige geval bedraagt het ‘saldo aan renten’ € 2.900.000 en beperkt artikel 15b Wet Vpb 1969 de aftrek van de door X BV in 2025 betaalde rentelasten voor een bedrag ad € 700.000. Dat bedrag komt in 2025 niet in aftrek maar wordt voortgewenteld.
Voor de onderhavige toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969 is, vanwege het generieke karakter van die bepaling, niet relevant dat de door X BV aan Y SA verstrekte lening verband houdt met de bij Z Ltd opgenomen lening.
De tweede limiet
Uitgangspunt bij de bepaling van de tweede limiet is dat geen hoger bedrag aan voorkoming van dubbele belasting wordt verleend dan het bedrag van de Nederlandse vennootschapsbelasting dat over de netto buitenlandse inkomsten is verschuldigd.
Zoals onder de casusbeschrijving hiervoor al is toegelicht bedraagt de tweede limiet in het onderhavige geval:
(€ 1.100.000 -/- € 1.000.000) x Vpb-tarief (25%) = € 25.000.
Dat betekent dat X BV in 2025 niet meer dan € 25.000 aan buitenlandse bronbelasting kan verrekenen. Het onverrekende surplus ad € 85.000 wordt voortgewenteld.
Samenloop van artikel 15b Wet Vpb 1969 en de tweede limiet
In de onderhavige situatie rijst de vraag of de artikel 15b-correctie ad € 700.000 gevolgen heeft voor het bij de berekening van de tweede limiet in aanmerking te nemen bedrag aan kosten ad € 1.000.000.
Dat is niet het geval. Daarvoor gelden de volgende argumenten.
- De tweede limiet dient een ander doel dan artikel 15b Wet Vpb 1969.
Artikel 15b Wet Vpb 1969 heeft als doel de jaarlijkse totale renteaftrek te beperken en is generiek van karakter.
De tweede limiet daarentegen is specifiek van aard en maximeert de voorkoming van dubbele belasting op de over de desbetreffende buitenlandse inkomsten - na aftrek van daarmee verband houdende kosten - verschuldigde vennootschapsbelasting.
Anders dan voor de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969 is het voor de berekening van de tweede limiet dus cruciaal dat de door X BV bij Z Ltd opgenomen lening (en de daarover verschuldigde rentelasten) verband houdt met de aan Y SA verstrekte lening (en de daarover ontvangen rentebaten). - De vanuit X BV bezien samengestelde financieringsactiviteit – bestaande uit het in- en doorlenen van een geldsom - leidt per saldo tot een positieve rentemarge ad € 1.100.000 -/- € 1.000.000 = € 100.000.
Deze positieve marge verlaagt het hiervoor vermelde niet-aftrekbare ‘saldo aan renten’ als bedoeld in artikel 15b Wet Vpb 1969.
De onderhavige financieringsactiviteit draagt bij X BV dus niet oorzakelijk bij aan de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969, maar mitigeert juist de werking daarvan.
Mede daarom is het gerechtvaardigd dat in het onderhavige geval de berekening van de tweede limiet niet wordt beïnvloed door de toepassing van artikel 15b Wet Vpb 1969.