KG:041:2026:1 Verdrag NL-GBR, pensioenartikel, afkoopbepaling
Publicatiedatum 02-02-2026, 17:36 | Laatste update 02-02-2026, 17:36 |
Aanleiding
Een inwoner van het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) koopt een Nederlandse lijfrente af vóór het tijdstip van aanvang van de periodieke uitkering daarvan (situatie A).
Een inwoner van Nederland koopt een Brits pensioen af op of rond het aanvangsmoment van de periodieke AOW-uitkering in Nederland (situatie B).
Vragen
- Valt in situatie A de (afkoopsom van de) Nederlandse lijfrente onder de reikwijdte van de afkoopbepaling van artikel 17, derde lid, Verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk 2008 (hierna: Verdrag)?
- Is in situatie B het aanvangsmoment van de periodieke AOW-uitkering het relevante moment ("tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen") als bedoeld in artikel 17, derde lid, tweede volzin, Verdrag?
Antwoorden
- Nee. De (afkoopsom van de) Nederlandse lijfrente valt in situatie A niet onder de reikwijdte van artikel 17, derde lid, Verdrag, nu het geen Nederlands tweedepijlerpensioen is.
- Nee. Het relevante moment in situatie B is het (eigenlijke) aanvangsmoment van de periodieke uitkering van specifiek het pensioen dat wordt afgekocht en niet dat van een andere pensioenuitkering. Daarbij komt dat de AOW-uitkering geen Nederlands tweedepijlerpensioen is en daarmee geen pensioen als bedoeld in artikel 17, derde lid, Verdrag. Ook om die reden is het aanvangsmoment van de periodieke uitkering daarvan niet van belang.
Beschouwing
Juridisch kader voor beide situaties
Artikel 17, eerste tot en met derde lid, Verdrag luiden als volgt:
"1 Pensioenen en andere soortgelijke beloningen (met inbegrip van pensioenen betaald ingevolge een socialezekerheidsstelsel en lijfrenten) betaald aan een inwoner van een Verdragsluitende Staat zijn slechts in die Staat belastbaar.
2 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, mogen betalingen waarop dat lid van toepassing is ook worden belast in de Verdragsluitende Staat van waaruit zij afkomstig zijn in overeenstemming met de wetgeving van die Staat, indien:
- het recht tot vordering van de betalingen in die Staat is vrijgesteld van belasting, of bijdragen die verband houden met de betalingen in aanmerking zijn genomen voor fiscale faciliëring in die Staat; en
- de betalingen niet worden belast in de Verdragsluitende Staat waarvan de ontvanger inwoner is of in een derde staat tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit dienstbetrekking, of minder dan 90 percent van het brutobedrag van de betalingen wordt belast.
De voorgaande bepalingen van dit lid zijn uitsluitend van toepassing indien de totale brutobetalingen die, ingevolge de voorgaande bepalingen, belastbaar zouden zijn in de Verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, in het desbetreffende belastingjaar een bedrag van 25.000 euro overschrijden.
3 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid van dit artikel, indien een afkoopsom wordt betaald vóór de datum waarop het pensioen ingaat, mag deze worden belast in de Verdragsluitende Staat waaruit deze afkomstig is. Indien de afkoopsom echter wordt betaald op of rond het tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen, is deze slechts in die Staat belastbaar."
Op grond van artikel 3, tweede lid, Verdrag worden niet in het Verdrag gedefinieerde uitdrukkingen – kort gezegd – uitgelegd naar de betekenis die deze uitdrukkingen hebben in de nationale (fiscale) wetgeving.
Het Verdrag wordt verder uitgelegd met toepassing van de artikelen 31 tot en met 33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen). Artikel 31 van het Verdrag van Wenen bepaalt – voor zover hier van belang – dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. De context van een verdrag omvat naast de tekst en preambule en bijlagen, iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen de partijen is bereikt en iedere akte die is opgesteld bij het sluiten van het verdrag en door de partijen is erkend als betrekking hebbende op het verdrag. Volgens artikel 32 van het Verdrag van Wenen kan een beroep worden gedaan op aanvullende middelen van uitlegging en in het bijzonder op voorbereidende werkzaamheden en de omstandigheden waaronder het verdrag is gesloten, om de betekenis die voortvloeit uit de toepassing van artikel 31 van het Verdrag van Wenen te bevestigen.
1. Situatie A
Artikel 17, derde lid, Verdrag wijst het heffingsrecht over afkoopsommen die op een zeker moment gerelateerd aan de ingangsdatum van het pensioen worden betaald (mede dan wel exclusief) toe aan de bronstaat. De vraag is of onder de term "pensioen" in deze afkoopbepaling ook uitkeringen kunnen vallen die in ieder geval in Nederland niet als een zogenoemd tweedepijlerpensioen worden aangemerkt, zoals de Nederlandse lijfrente.
De term "pensioen" is in het Verdrag niet gedefinieerd. Artikel 3, tweede lid, Verdrag geeft een regel voor de interpretatie van niet in het Verdrag gedefinieerde begrippen. Verwezen wordt naar de betekenis van het desbetreffende begrip in de nationale belastingwetgeving van het land dat het verdrag toepast, tenzij de context anders vereist. Omdat in de Nederlandse belastingwetgeving pensioen slechts wordt gedefinieerd als “tweedepijlerpensioenen” (zie o.a. artikel 1.7, tweede lid, Wet inkomstenbelasting 2001), werkt dit door naar artikel 17, derde lid, Verdrag, tenzij de context anders vereist. De vraag of de context anders vereist, moet beantwoord worden mede in het licht van de algemene verdragsinterpretatieregels van het Verdrag van Wenen.
De tekst van artikel 17, derde lid, Verdrag is, in de context van de eerdere leden, niet eenduidig. In het eerste lid wordt gesproken van "pensioen en andere soortgelijke beloningen (met inbegrip van pensioenen betaald ingevolge een socialezekerheidsstelsel en lijfrenten)". Uit deze formulering zou kunnen worden begrepen dat (onder meer) een Nederlandse lijfrente tot het hoofdbegrip "pensioen" behoort, zoals ook gebruikt in het derde lid. Daarmee zou het derde lid (onder meer) ook zien op (bepaalde afkoopsommen van) Nederlandse lijfrenten. Daarbij is het niet uitgesloten dat de opstellers van het Verdrag omwille van de bondigheid in het derde lid niet alle eerder aangeduide inkomensvormen hebben willen herhalen. In dat licht valt ook op dat het derde lid start met de term "afkoopsom", zonder dat daarbij expliciet staat vermeld dat het moet gaan om afkoopsommen "van" pensioenen. Pas bij de daarop volgende verwijzing naar een zeker moment gerelateerd aan de ingangsdatum van "het pensioen" komt de term "pensioen" in beeld. Dit roept eens te meer de vraag op of op die plek in de bepaling een beperking is beoogd ten opzichte van de in het eerste lid genoemde inkomensvormen.
Daartegen spreekt echter dat met de formulering in het eerste lid evenzeer bedoeld kan zijn dat (onder meer) de Nederlandse lijfrente slechts tot de "andere soortgelijke beloningen" behoort. De term "lijfrente" komt in het derde lid namelijk niet voor. Daarbij komt dat het tweede lid spreekt van "betalingen waarop dat lid [kennisgroep: het eerste lid] van toepassing is". Daarmee ziet het tweede lid nadrukkelijk op alle in het eerste lid genoemde inkomensvormen. In het derde lid ontbreekt deze of een soortgelijke formulering echter. Er staat slechts "pensioen". Dat doet vermoeden dat de bedoeling eerder is geweest wat betreft Nederlandse uitkeringen de reikwijdte van het derde lid te beperken tot Nederlandse tweedepijlerpensioenen. In afkoopbepalingen in andere belastingverdragen wordt, ter vergelijk, wél ook de "andere soortgelijke beloning" genoemd. Zie bijvoorbeeld artikel 18, derde lid, van het Verdrag Nederland-Portugal 1999.
De Engelse tekst van artikel 17, eerste tot en met derde lid, Verdrag schijnt geen nader licht op dit vraagstuk, omdat deze tekst dezelfde terminologie in de verschillende leden kent als de Nederlandse tekst.
De verdere context van of bij het Verdrag is beperkt. In de memorie van toelichting bij artikel 17 van het Verdrag (Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 3, p. 23-24) staat onder meer het volgende:
"Afkoopsommen ontvangen bij de afkoop van nog niet ingegane pensioenen mogen worden belast in de bronstaat (derde lid), hetgeen in overeenstemming is met het Nederlandse verdragsbeleid. Vindt de afkoop echter plaats op of rond ingangsdatum van het pensioen, dan is het heffingsrecht exclusief toegewezen aan de bronstaat. In het VK kan 25% van een pensioen, in geval van afkoop op of rond pensioendatum, belastingvrij worden afgekocht. Deze faciliteit geldt zowel voor inwoners van het VK als inwoners van Nederland, indien zij pensioen uit het VK ontvangen. Het VK beoogt met deze faciliteit personen te stimuleren voor hun pensioen te sparen en hecht daarom veel waarde aan een exclusieve bronstaatheffing voor deze afkoopsommen."
Daaruit valt op te maken dat de tussen Nederland en het VK overeengekomen tweede volzin van het derde lid een wens van het VK was en zijn achtergrond kent in de in het VK bestaande faciliteit om 25% van een pensioen op of rond ingangsdatum van het pensioen af te kopen. Het VK beoogt met deze faciliteit pensioensparen te stimuleren en hechtte daarom veel waarde aan de in de tweede volzin opgenomen exclusieve bronstaatheffing. Voor zover de kennisgroep heeft kunnen nagaan is voornoemde faciliteit in het VK van toepassing op méér dan slechts tweedepijlerpensioenen zoals wij die in Nederland kennen. Dat zou een algemene aanwijzing kunnen zijn voor het feit dat de term "pensioen" in de tweede volzin en daarmee ook in de eerste volzin toch een breder bereik heeft. Zelfs als dat wordt aangenomen, blijft de vraag of de tekst van de afkoopbepaling die lezing niet voldoende duidelijk tegenspreekt wat betreft in ieder geval uitkeringen die in Nederland niet als tweedepijlerpensioen worden aangemerkt, zoals de Nederlandse lijfrente.
Dat is het geval. Uit de tekst van artikel 17, derde lid, Verdrag, kan, ook in de context, vrijwel niet anders worden opgemaakt dan dat wat betreft Nederlandse uitkeringen slechts (bepaalde afkoopsommen van) tweedepijlerpensioenen zijn bedoeld en dus geen Nederlandse lijfrenten. Dat komt door het gebruik van alleen het woord "pensioen". Er zijn weinig tot geen aanknopingspunten voor het tegendeel. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat het in de rede ligt dat een uitzondering (hier het derde lid) op de hoofdregel (hier het eerste lid) nauwkeurig wordt geformuleerd en alleen wordt geschreven voor de gevallen die bij een strikte lezing van de uitzonderingsbepaling onder de werkingssfeer ervan kunnen worden gebracht (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1733). De (afkoopsom van de) lijfrente valt daarmee niet onder de reikwijdte van artikel 17, derde lid, Verdrag.
2. Situatie B
De tweede volzin van artikel 17, derde lid, Verdrag wijst het heffingsrecht over afkoopsommen van pensioenen die worden betaald op of rond het tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen exclusief toe aan de bronstaat. De vraag is onder meer of het in deze bijzondere toewijzingsbepaling genoemde tijdstip ("op of rond het tijdstip van aanvang van een periodiek pensioen") ook kan zien op bijvoorbeeld de AOW-uitkering in Nederland, oftewel een andere uitkering dan het pensioen dat wordt afgekocht.
Dat is niet het geval. De tekst van artikel 17, derde lid, tweede volzin, Verdrag is op dat punt niet eenduidig. Er wordt gesproken van het tijdstip van aanvang van "een" periodiek pensioen. Daaruit volgt niet zonder meer dat het bedoelde tijdstip verband moet houden met specifiek het pensioen dat wordt afgekocht. De context maakt dit echter wel voldoende duidelijk. De achtergrond van deze bijzondere toewijzingsbepaling is namelijk nadrukkelijk gelegen in de in het VK bestaande faciliteit om 25% van een pensioen op of rond de ingangsdatum van dát pensioen af te kopen. Zie de bij situatie A aangehaalde memorie van toelichting en daarnaast het door de Minister van Financiën gegeven antwoord op vragen over artikel 17, derde lid, tweede volzin, Verdrag (Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 6, p. 16):
"Met betrekking tot een afkoopsom van pensioenen, vraagt de NOB naar de relatie tussen het exclusieve heffingsrecht voor de zogenoemde bronstaat over betalingen van een afkoopsom op (of rond) het tijdstip van aanvang van het periodiek pensioen- artikel 17, derde lid, tweede volzin - en artikel X van het Protocol. (…)."
Dat betekent dat de aanvangsdatum van de periodieke AOW-uitkering in Nederland in dit geval niet relevant is voor de toepassing van artikel 17, derde lid, tweede volzin, Verdrag. Relevant is of de afkoop van het Britse pensioen plaatsvindt op of rond de (eigenlijke) aanvangsdatum van dát pensioen in periodieke uitkeringen.
Daarbij komt overigens dat onder de term "pensioen" in (ook de tweede volzin van) de afkoopbepaling in ieder geval wat betreft Nederlandse uitkeringen slechts tweedepijlerpensioenen worden verstaan. Een AOW-uitkering is geen Nederlands tweedepijlerpensioen. Zie de uitwerking bij situatie A. Ook om die reden is het aanvangsmoment van de periodieke AOW-uitkering in Nederland niet het relevante moment als bedoeld in artikel 17, derde lid, tweede volzin, Verdrag.