Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

KG:041:2026:7 Verdrag NL – DEU, arbeidsartikel, overheidsartikel, thuiswerkdrempel

Aanleiding

Met ingang van 1 januari 2026 kent het verdrag Nederland-Duitsland 2012 (hierna: Verdrag) een zogenoemde thuiswerkregeling. Er geldt een regeling voor zowel reguliere werknemers als overheidswerknemers. De regelingen zijn opgenomen in artikel 14, respectievelijk 18 van het Verdrag. De regelingen maken het kort gezegd mogelijk dat een werknemer in een kalenderjaar maximaal 34 dagen kan thuiswerken zonder dat dit gevolgen heeft voor het heffingsrecht over het inkomen.

Het gaat om drempelregelingen. Zodra de drempel van 34 dagen wordt overschreden gelden de gebruikelijke toewijsregels voor het totale arbeidspatroon in het betreffende jaar.

Hoewel de regelingen worden aangeduid als thuiswerkregeling is van belang dat het in de regeling van artikel 14 Verdrag gaat om in het woonland of in derde landen (dus buiten het reguliere werkland) gewerkte werkdagen (ook als dit niet vanuit het huisadres is). In artikel 18 Verdrag zijn afhankelijk van de situatie de werkdagen in of buiten de woonstaat relevant.

In de artikelen XII en XVI van het protocol bij het Verdrag is opgenomen dat een dag meetelt als op die dag ten minste 30 minuten in de woonstaat of derde staat wordt gewerkt.

De 34-dagen drempel (hierna: de drempel) heeft tot enkele vragen geleid.

Vragen/casussen

Alle vragen gaan over een inwoner van Duitsland, de antwoorden gelden echter ook in een spiegelbeeldsituatie.

  1. Een werknemer werkt voor meerdere Nederlandse private werkgevers deels (thuis) in Duitsland. Geldt de drempel per werknemer (belastingplichtige) of per dienstbetrekking?
  2. Een werknemer werkt voor een Nederlandse private werkgever minder dan 34 dagen (thuis) in Duitsland. Daarnaast werkt hij ook voor een Duitse private werkgever uitsluitend in Duitsland. Tellen dagen waarop enkel voor de Duitse werkgever wordt gewerkt mee voor de drempel?
  3. Een werknemer werkt voor een Nederlandse werkgever en werkt incidenteel op locatie in Duitsland (bijvoorbeeld als gevolg van congresbezoek of een kortdurende detachering). Tellen de op locatie (dus niet thuis) gewerkte dagen mee voor de drempel?
  4. Een werknemer werkt zowel voor een Nederlandse private werkgever als voor een Nederlandse overheidswerkgever. Geldt de drempel per werknemer (belastingplichtige) of per verdragsartikel (soort inkomen)?
  5. De werknemer uit casus 4 maakt een ééndaagse dienstreis naar een derde land. Op deze dag wordt ten minste 30 minuten voor zowel de private als de overheidswerkgever gewerkt. Telt deze dag mee voor zowel de drempel in artikel 14 als de drempels in artikel 18?

Antwoorden

  1. De drempel geldt per werknemer (belastingplichtige). Alle werkdagen in Duitsland worden opgeteld om te bepalen of het er 34 of meer zijn. Het maakt daarbij geen verschil of er gelijktijdig voor meerdere werkgevers (in deeltijd) wordt gewerkt, of dat er volgtijdig voor verschillende werkgevers wordt gewerkt.
  2. Nee, de dagen waarop enkel gewerkt wordt voor de Duitse werkgever tellen niet mee voor de drempel.
  3. Ja, ook de dagen die op locatie in Duitsland worden gewerkt tellen mee voor de drempel.
  4. De drempel dient per verdragsartikel te worden toegepast.
  5. De dag van de dienstreis telt mee voor de drempel van artikel 14 Verdrag én voor de drempel van artikel 18, eerste lid, onderdeel b, Verdrag. Voor de drempel van artikel 18, eerste lid, onderdeel c, Verdrag is deze dag niet relevant aangezien niet in de woonstaat wordt gewerkt.

Beschouwing

Vraag 1

Volgens artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht dient een verdrag(bepaling) te goeder trouw te worden uitgelegd. Daarbij speelt (kortweg) het doel van de bepaling een belangrijke rol.

De tekst van artikel 14 Verdrag geeft geen direct antwoord op de voorliggende vraag. In de toelichtende stukken is geen aanwijzing te vinden dat de verdragsluitende partijen de vraag hebben onderkend. In die situatie past het om de vraag te beantwoorden in lijn met de bedoeling van de bepaling.

Uit de Nederlandse toelichting bij het protocol waarin de thuiswerkregeling is geïntroduceerd (Kamerstukken II, 2025/26, 36 840, A/nr. 1) blijkt dat Duitsland enkel bereid was tot een thuiswerkregeling als deze een de-minimiskarakter zou hebben. Dat wil zeggen beperkt in duur en omvang, zodat de regeling slechts een beperkte impact zou hebben op de bestaande verdeling van heffingsrechten. Nederland was graag een ruimere regeling overeengekomen, maar dit is uiteindelijk niet mogelijk gebleken.

Het past bij het de-minimiskarakter van de thuiswerkregeling om de regeling op het niveau van de belastingplichtige toe te passen. Toepassing per dienstbetrekking zou tot gevolg hebben dat een werknemer met twee parttime dienstverbanden tweemaal zoveel thuis zou kunnen werken (zonder gevolgen voor het heffingsrecht) als een werknemer met één dienstbetrekking. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat een dergelijk gevolg beoogd zou zijn.

De thuiswerkregeling is in artikel 14 Verdrag opgenomen in lid 1a. In de tekst wordt de drempel gekoppeld aan de uitoefening van de (of een) dienstbetrekking. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de drempel per dienstbetrekking moet worden toegepast. De term dienstbetrekking heeft in de context van de bepaling echter een meer algemeen karakter. De term wordt in artikel 14 gebruikt ter afbakening van het soort activiteiten waarop de bepaling ziet. De term heeft in die context de betekenis ‘arbeid verricht in dienstbetrekking’. De (gelijk authentieke) Duitstalige tekst is daarin duidelijker, in die tekst wordt het begrip ‘die unselbständige Arbeit’ gebruikt. In die lezing ligt het voor de hand alle werkzaamheden in dienstbetrekking samen in aanmerking te nemen voor de drempel.

Deze uitleg past ook in de bredere context van artikel 14 Verdrag. Ook de 183-dagendrempel van het tweede lid, onderdeel a gaat uit van een benadering op het niveau van de belastingplichtige.

Als sprake is van een overheidswerkgever is volgens de tekst van artikel 18, eerste lid, onderdeel c, Verdrag relevant dat ‘de diensten’ worden verricht in de andere verdragsluitende staat. Hieruit blijkt duidelijk dat alle dagen waarop overheidsdiensten worden verricht moeten worden samengeteld voor de drempel. Het ligt vanuit het doel van de regeling voor de hand om de situatie van een werknemer met meerdere private werkgevers gelijk te behandelen als de situatie van een werknemer met meerdere overheidswerkgevers.

Vraag 2

De werkzaamheden voor de Duitse werkgever vallen strikt genomen ook onder het toepassingsbereik van artikel 14, eerste lid, Verdrag. Dit heeft echter geen praktisch belang aangezien het heffingsrecht over de aan deze werkzaamheden gerelateerde beloningen altijd is toegewezen aan de woonstaat aangezien de arbeid daar wordt verricht.

Ook voor de toepassing van artikel 14, lid 1a, Verdrag zouden de werkzaamheden voor de Duitse werkgever strikt genomen van belang kunnen zijn. Deze uitleg is echter redelijkerwijs niet in lijn met de bedoeling van de bepaling. De thuiswerkregeling beoogt de gevolgen van incidenteel grensoverschrijdend thuiswerken weg te nemen. Het past daarbij niet om werkzaamheden in aanmerking te nemen die geen enkel aanknopingspunt hebben met de grensoverschrijdende arbeid en zo het heffingsrecht van de bronstaat afhankelijk te maken van werkzaamheden die geen enkele relatie hebben met de bronstaat. Het is niet aannemelijk dat de verdragsluitende partijen dit hebben beoogd.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat dit ook geldt in de situatie van een werknemer die in dienst is bij zowel een Nederlandse als een Duitse overheidswerkgever. De diensten die een inwoner van Duitsland voor een Duitse overheidswerkgever verricht vallen niet onder het toepassingsbereik van artikel 18, eerste lid, Verdrag en zijn dus niet relevant voor de drempel.

Vraag 3

Ook incidentele werkzaamheden van de werknemer op locatie in Duitsland vallen onder de reikwijdte van artikel 14, lid 1a, Verdrag. Artikel 14, lid 1a, Verdrag maakt geen onderscheid tussen Duitse thuiswerkdagen en elders in Duitsland gewerkte dagen (zoals ook in derde landen gewerkte dagen meetellen).

Vraag 4

Het Verdrag kent voor inkomsten uit overheidsfuncties een ander regime dan voor inkomsten uit ‘reguliere’ dienstbetrekking. Uit de eerste volzin van artikel 14 Verdrag volgt dat inkomsten die onder het toepassingsbereik van artikel 18 Verdrag vallen, niet onder artikel 14 vallen. Zowel artikel 14 als artikel 18 kent een eigen drempel. Uit niets blijkt dat deze drempels met elkaar verbonden zijn in die zin dat dagen die meetellen voor de ene drempel, ook meetellen voor de andere drempel. Dat is uiteraard anders als op een bepaalde dag ten minste 30 minuten voor de private en 30 minuten voor de overheidswerkgever wordt gewerkt. In dat geval telt deze dag mee voor beide drempels.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat de thuiswerkregeling in artikel 18 Verdrag alleen van toepassing is als de werknemer onderdaan is van de woonstaat (de nationaliteit heeft van de woonstaat) óf niet uitsluitend voor het verlenen van de diensten inwoner van de woonstaat werd (kortweg: uit privé overwegingen). Als niet aan deze voorwaarden is voldaan, is artikel 18, eerste lid, Verdrag onverkort van toepassing en mag alleen de bronstaat heffen.

Vraag 5

Artikel 18 Verdrag kent twee drempels. Artikel 18, eerste lid, onderdeel b, Verdrag ziet op de situatie dat een overheidswerknemer bijna alleen in het woonland werkt. Als deze werknemer minder dan 35 dagen buiten het woonland werkt, dan zijn deze dagen, in afwijking van de hoofdregel (bronstaatheffing) toch belastbaar in de woonstaat. In het kader van deze drempel zijn alle werkdagen buiten de woonstaat relevant. Dus ook de dag op dienstreis.

Artikel 18, eerste lid, onderdeel c, Verdrag ziet op de situatie dat een overheidswerknemer doorgaans zijn dienstbetrekking in het bronland uitoefent en incidenteel thuiswerkt. In het kader van deze drempelregeling zijn enkel de dagen in de woonstaat gewerkt relevant. De dag op dienstreis telt voor deze drempel dan ook niet mee.  

Deel deze pagina