Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

KG:051:2022:10 Aftrekbare kosten eigen woning en gevolgen aftrek restant afsluitprovisie na oversluiten eigenwoningschuld

Aanleiding

Een belastingplichtige heeft vóór 2013 een afsluitprovisie betaald. Omdat dit bedrag hoger is dan het in de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalde normbedrag van € 3.630 (thans: artikel 3.120, vijfde lid, Wet IB 2001), was slechts dit normbedrag ineens aftrekbaar. Het restant van de afsluitprovisie wordt geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de volgende kalenderjaren waarop deze betrekking heeft (artikel 3.120, vierde lid, Wet IB 2001).

Na een aantal jaren wordt de eigenwoningschuld bij de oorspronkelijke geldverstrekker overgesloten naar een andere geldverstrekker.  

Vraag

Wat zijn de fiscale gevolgen van dit oversluiten voor de aftrek van het restant van de afsluitprovisie?

Antwoord

Het restant van de afsluitprovisie blijft gedurende de oude resterende looptijd aftrekbaar.

Beschouwing

Met ingang van 2013 geldt een provisieverbod op grond van de Wet op het financieel toezicht (zie ook: Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft). Afsluitprovisies hadden in het verleden een tweeledig karakter. Afsluitprovisies waren vaak hoger dan nodig om de kosten van de direct ontvangen prestatie (advies en bemiddeling) af te dekken, waardoor voor het meerdere economisch beschouwd sprake was van vooruitbetaalde rente.

Voor zover de afsluitprovisie het normbedrag van artikel 3.120, vijfde lid, Wet IB 2001 overschreed, werd de afsluitprovisie behandeld als vooruitbetaalde renten (Kamerstukken II 1997/98, 26245, nr. 3, p. 25-26). De aftrek van het meerdere verloopt via artikel 3.120, vierde lid, Wet IB 2001. Hoofdregel van artikel 3.120, vierde lid, Wet IB 2001 is dat vooruitbetaalde rente wordt geacht in gelijke delen te zijn voldaan in elk van de kalenderjaren waarop de rente betrekking heeft.

Een afsluitprovisie heeft niet betrekking op specifieke kalenderjaren, maar ziet op de gehele contractuele looptijd van de lening (bijvoorbeeld: 30 jaar). De aftrek van het restant van de afsluitprovisie wordt daarom aan de nog resterende looptijd van de lening toegerekend.   

Voorbeeld:

Een belastingplichtige heeft vóór 2013 voor een geldlening met een contractuele looptijd van 30 jaar een afsluitprovisie van € 6.240 betaald. In het jaar van betaling was de afsluitprovisie tot het normbedrag van € 3.630 ineens aftrekbaar. Het restant van de aftrekprovisie (€ 2.610) moet in gelijke delen aan de resterende looptijd van 29 jaar worden toegerekend, waardoor over elk volgend  kalenderjaar een bedrag van € 90 aftrekbaar is.

Door het oversluiten van de eigenwoningschuld wordt het verband met de specifiek door de oorspronkelijke geldverstrekker ter beschikking gestelde hoofdsom weliswaar verbroken, maar de nieuwe schuld is een voorzetting van de oude eigenwoningschuld en blijft daardoor ook een eigenwoningschuld. Hierdoor kan na het oversluiten van de eigenwoningschuld ook de aftrek van het restant van de afsluitprovisie worden voortgezet. De resterende looptijd van de oude eigenwoningschuld wordt daarbij aangehouden.

Deel deze pagina

Op deze pagina