KG:051:2026:1 Verblijf in een verpleeg- of verzorgingshuis en de toepassing van de eigenwoningregeling
Publicatiedatum 06-05-2026, 8:57 | Laatste update 06-05-2026, 8:57 |
Aanleiding
Artikel 3.111, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bevat een regeling waardoor de eigenwoningregeling gedurende een periode van maximaal twee jaar (24 maanden) van toepassing blijft voor de belastingplichtige die vanwege medische redenen of ouderdom is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis (hierna: zorginstelling). In de praktijk komt het regelmatig voor dat er tijdens de opname in de zorginstelling een ander in de woning van de belastingplichtige verblijft.
Vraag
Is artikel 3.111, vijfde lid, Wet IB 2001 van toepassing als tijdens de opname in een zorginstelling een ander in de woning van de belastingplichtige verblijft?
Antwoord
Ja, zolang de woning ondanks het verplaatsen van het hoofdverblijf naar de zorginstelling ter beschikking blijft staan aan de belastingplichtige. In essentie gaat het er om dat de belastingplichtige nog vrijelijk over de woning kan beschikken en dat hij de woning op elk gewenst moment weer als hoofdverblijf kan betrekken.
Beschouwing
Algemeen
Een opname in een zorginstelling betekent dat de woning waarin de belastingplichtige voorheen woonde, hem niet meer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. De wetgever vindt het in deze situatie ongewenst dat de eigenwoningregeling niet meer van toepassing is en heeft daarom de fictiebepaling in artikel 3.111, vijfde lid, Wet IB 2001 opgenomen (Kamerstukken II 1999/00, 26727, nr. 79, p. 7).
Niet langer anders dan tijdelijk
Voor de toepassing van artikel 3.111, vijfde lid, Wet IB 2001 is vereist dat de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Bij een tijdelijke opname is geen sprake van een duurzaam verblijf in de zorginstelling. De woning blijft de belastingplichtige dan anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan. Als de opname niet tijdelijk is, is het hoofdverblijf verplaatst. Er is dan geen sprake meer van een eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001.
Ter beschikking staan
Op grond van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 geldt als voorwaarde dat de woning de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk ter beschikking moet staan. Dit betekent dat deze genoemde personen op elk gewenst moment de woning weer kunnen betrekken. Als deze genoemde personen de woning niet op elk gewenst moment kunnen betrekken - doordat de woning ter beschikking wordt gesteld aan derden - is geen sprake meer van een eigen woning. Artikel 3.111, vijfde lid, Wet IB 2001 is een verbijzondering van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001. Ten opzichte van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 repareert het vijfde lid alleen het feit dat de woning door de opname in de zorginstelling niet langer anders dan tijdelijk het hoofdverblijf van de belastingplichtige is. De voorwaarde van het “ter beschikking staan” uit artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 blijft van toepassing. Dit is in lijn met HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:765, waarin voor de echtscheidingsregeling (wat ook een verbijzondering van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 is) is beslist dat de voorwaarden van artikel 3.111, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 onverminderd gelden.
Feitelijke beoordeling
Als de belastingplichtige zijn hoofdverblijf naar een zorginstelling heeft verplaatst en er een ander in zijn woning woont, moet aan de hand van de feiten en omstandigheden worden beoordeeld of de woning hem nog steeds ter beschikking staat. In essentie gaat het om de vraag of de belastingplichtige nog vrijelijk over de woning kan beschikken en of hij de woning op elk gewenst moment weer als hoofdverblijf kan betrekken. Het is aan de inspecteur om dit aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden te beoordelen. In de praktijk kan zich een veelvoud aan situaties voordoen.
Het ene uiterste is de situatie waarin de fiscale partner van de belastingplichtige na de verplaatsing van het hoofdverblijf naar de zorginstelling, in de woning is blijven wonen. Het spreekt voor zich dat dan kan worden aangenomen dat de woning de belastingplichtige nog steeds ter beschikking staat en artikel 3.111, vijfde lid, Wet IB 2001 van toepassing is. Dit geldt ook als het fiscaal partnerschap door het verplaatsen van het hoofdverblijf is verbroken.
Het andere uiterste is de situatie dat de belastingplichtige de woning na de verplaatsing van zijn hoofdverblijf verhuurt. Omdat de huurder een gebruiksrecht heeft, staat de woning niet meer ter beschikking aan de belastingplichtige. Dit betekent dat het verhuren van de woning toepassing van artikel 3.111, vijfde lid, Wet IB 2001 in de weg staat. De woning en de eventuele schuld die daarop rust, gaan met ingang van het moment van verhuur naar box 3.